Strafrecht overig

Veroordeling wegens poging tot doodslag, wapenbezit en vernieling tot een gevangenisstraf van 6 jaar…

Rechtbank Noord-Nederland, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
18.128601.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4675
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling wegens poging tot doodslag, wapenbezit en vernieling tot een gevangenisstraf van 6 jaar. Noodweerexcesverweer verworpen. Vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.128601.25

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 16.364229.24 en 18.133736.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 3 november 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [plaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 oktober 2026 (inhoudelijke behandeling) en 20 oktober 2026 (sluiting onderzoek).

Verdachte is op 7 oktober 2026 verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Rus en mr. S. Weening, advocaten te Maastricht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de inzittenden van de Toyota Yaris voorzien van het kenteken [kenteken] en/of [slachtoffer 1] en/of andere aanwezige personen in de [adres 1] en/of aanwezige personen in omringende woningen/panden opzettelijk van het leven te beroven, (vanuit een rijdende auto) één of meerdere malen, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die voornoemde (rijdende) Toyota Yaris, terwijl er meerdere andere personen aanwezig waren in de nabije omgeving van verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, de inzittenden van de Toyota Yaris voorzien van het kenteken [kenteken] en/of [slachtoffer 1] en/of andere aanwezige personen in de [adres 1] en/of aanwezige personen in omringende woningen/panden heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (vanuit een rijdende auto) één of meerdere malen, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die voornoemde (rijdende) Toyota Yaris, terwijl er meerdere andere personen aanwezig waren in de nabije omgeving van verdachte;

2

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta een vuurwapen van categorie II/III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

3

hij op of omstreeks 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere auto's, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 primair, 2 en 3. Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de OVC-gesprekken volgt dat verdachte vol opzet had op het doden van de inzittenden van de Toyota. Verder heeft de officier van justitie gesteld dat het medeplegen ook kan worden bewezen, gelet op de gezamenlijke uitvoering met medeverdachte [medeverdachte 1] .

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben over feit 1 primair aangevoerd dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, de poging tot doodslag op de inzittenden van de Toyota bewezen kan worden en dat het voorwaardelijk opzet van verdachte daarop was gericht. Voor de poging tot doodslag op en bedreiging van [slachtoffer 1] en overige omstanders moet vrijspraak volgen, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op hun dood of het veroorzaken van de voor bedreiging vereiste vrees bij deze personen.

Ten aanzien van feit 2 en 3 hebben de raadslieden zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van7 oktober 2026;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2025, opgenomen op pagina 160 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025108812 van 29 september 2025, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] ;

  3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 8 mei 2025, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;

  4. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 september 2025, opgemaakt door ing. M.E. Bestebreurtje, opgenomen op pagina 1366 e.v. van voornoemd dossier;

  5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 29 april 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;

  6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 28 april 2025, opgenomen op pagina 98 e.v. van voornoemd dossier inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .

Bewijsoverweging

Ten aanzien van de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank als volgt.

Feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van de inzittenden van de Toyota, [slachtoffer 1] en overige omstanders. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij heeft geprobeerd om op de banden en de bumper van de Toyota te richten. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank niet dat het volle opzet van verdachte blijkt uit een later opgenomen gesprek waarin hij heeft gezegd dat hij iedereen in de Toyota eerder had kunnen klappen als er geen kind in de auto zat. Daaruit volgt immers niets over de wil van verdachte tijdens het schietincident. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van de inzittenden van de Toyota, [slachtoffer 1] en overige omstanders. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals in dit geval de dood van de inzittenden, [slachtoffer 1] en overige

omstanders is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Uit het dossier en dat wat is besproken op zitting volgt dat verdachte op 26 april 2025 in Delfzijl als bijrijder vanuit een rijdende auto ten minste zeventien kogels heeft afgevuurd in de richting van de Toyota die voor verdachte reed. De rechtbank is van oordeel dat uit de gedragingen van verdachte blijkt dat hij bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de inzittenden van de Toyota heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat ook kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van getuige [slachtoffer 1] . Uit camerabeelden blijkt dat de autos met hoge snelheid vanuit de [adres 2] in de richting van de [adres 1] reden. Verder is te zien dat getuige [slachtoffer 1] op de kruising van de beide straten net kon uitwijken voor de autos en achter een in de [adres 2] geparkeerde auto is gaan staan. Gelet op de schotrichting van verdachte bevond de getuige zich in zijn schotbaan. Dat blijkt ook wel uit het feit dat de auto waar de getuige achter stond is beschadigd door een kogel van verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een aanmerkelijke kans was dat verdachte getuige [slachtoffer 1] dodelijk zou raken. Door te handelen zoals hij heeft gedaan kan het niet anders zijn dan dat hij die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Voor wat betreft de overige omstanders overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat op het moment van het schietincident mensen in de [adres 1] of in de omringende panden aanwezig waren en, voorzover er wel mensen waren, waar zij zich op dat moment bevonden. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er door het schieten op de Toyota ook een aanmerkelijke kans bestond dat andere omstanders dan getuige [slachtoffer 1] dodelijk geraakt zouden worden.

De rechtbank acht de poging tot doodslag van de inzittenden van de Toyota en getuige [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal worden vrijgesproken van de poging tot doodslag van de overige omstanders.

Feit 1 subsidiair

De rechtbank acht de bedreiging van de overige omstanders ook niet bewezen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte zich bewust was van de (mogelijke) aanwezigheid van omstanders.

Daarnaast blijkt ook niet dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte erop was gericht om bij de omstanders de vrees te laten ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte zal worden vrijgesproken van feit 1 subsidiair.

Geen medeplegen (feit 1 primair en 3)

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen bij de feiten 1 primair en 3. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 1] . Het schietincident vond plaats in een zeer kort tijdsbestek van zeven seconden waarin verdachte besloot een wapen te pakken en zeventien kogels af te vuren. De medeverdachte was weliswaar de bestuurder van de auto waaruit verdachte schoot, maar de rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte bij de feiten. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van het medeplegen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1 primair

hij op 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de inzittenden van de Toyota Yaris voorzien van het kenteken [kenteken] en [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, (vanuit een rijdende auto) meerdere malen, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die voornoemde (rijdende) Toyota Yaris, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, een vuurwapen van categorie II/III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

3

hij op 26 april 2025 te Delfzijl, gemeente Eemsdelta, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere auto's, toebehorende aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , heeft beschadigd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. primair. poging tot doodslag, meermalen gepleegd

  2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

  3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van verdachte

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is ten aanzien van feit 1 primair een noodweerverweer gevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor de bocht bij de Chinees (de rechtbank begrijpt: [restaurant] ) door [medeverdachte 2] is beschoten en geraakt, waarop hij heeft teruggeschoten. Deze lezing van verdachte vindt volgens de verdediging steun in de beelden en de verklaring van getuige [getuige] waaruit volgt dat ze al schoten hoorde, toen ze de blauwe auto zag rijden. Er was dus sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat een beroep op noodweerexces gehonoreerd moet worden.

Ten aanzien van het noodweer(exces)verweer hebben de raadslieden een voorwaardelijk verzoek gedaan tot schotgeluidenonderzoek, voor het geval de rechtbank de lezing van verdachte niet aannemelijk vindt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer(exces) moet worden verworpen. De officier van justitie heeft gesteld dat het meest aannemelijke scenario dat uit het dossier kan worden afgeleid is, dat verdachte is begonnen met (voortdurend) schieten, waarop [medeverdachte 2] heeft teruggeschoten. Dat volgt uit het feit dat [naam 2] wegvluchtte bij het verkeerslicht en uit de beelden van [restaurant] waaruit lijkt te volgen dat [medeverdachte 2] pas later, aan het einde van de [adres 2] , heeft geschoten. De officier van justitie heeft op basis van voorgaande vaststellingen gesteld dat er geen noodweersituatie was, dat het handelen van verdachte in de kern aanvallend was en dat niet is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste, omdat verdachte zich had kunnen onttrekken aan de situatie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer kan slagen als er sprake is van een verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding die het lijf, de eerbaarheid of een goed betreft en welke verdediging noodzakelijk en proportioneel is. Bij het beoordelen van het noodweerverweer moet de rechtbank allereerst toetsen of de door de verdediging aangevoerde feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden.

De rechtbank maakt uit het dossier en dat wat op zitting is besproken het volgende op over de toedracht van het schietincident.

Kort voor het schietincident was er onenigheid op de markt. Daarbij waren in ieder geval verdachte en [medeverdachte 2] betrokken. Zowel verdachte als [medeverdachte 2] is op enig moment vertrokken van de markt. Verdachte en [medeverdachte 2] troffen elkaar korte tijd later op de [adres 3] . Verdachte bevond zich als bijrijder in een rode Kia Rio met [medeverdachte 1] en haar zoon [naam 1] . [medeverdachte 2] zat op dat moment als bijrijder in een blauwe Toyota Yaris samen met [naam 2] en haar zoon [naam 3] . Bij de verkeerslichten op de [adres 3] is de Toyota door rood gereden en de Kia reed achter de Toyota aan. De autos zijn vervolgens op hoge snelheid in de richting van [adres 4] , de [adres 2] en de [adres 1] gereden. Tussen de verkeerslichten op de [adres 3] en de [adres 5] , bij de kruising van de [adres 2] en de [adres 1] , is meermalen geschoten. Op camerabeelden is te horen dat die schoten in een tijdsbestek van zeven seconden zijn gelost. Verdachte heeft verklaard dat hij meermalen in de richting van de Toyota heeft geschoten. Dat [medeverdachte 2] vanuit de Toyota ook op de Kia heeft geschoten blijkt uit het letsel bij verdachte, de schade aan de Kia, de aangetroffen huls in de Toyota, de schotresten in de Toyota en op de handen van de overige inzittenden van de Toyota en uit de camerabeelden. Uit onderzoek naar hulzen en (delen van) kogels die zijn aangetroffen op straat en in de autos maakt de rechtbank op dat verdachte tenminste zeventien keer heeft geschoten en [medeverdachte 2] tenminste één keer.

De lezingen over wat er precies is gebeurd tussen het verkeerslicht op de [adres 3] en de [adres 5] lopen uiteen. Verdachte heeft verklaard dat hij werd beschoten en dat hij vervolgens heeft teruggeschoten, terwijl de inzittenden van de Toyota juist hebben verklaard dat verdachte begon met schieten. Er zijn geen onafhankelijke getuigen die hebben gezien uit welke auto als eerste werd geschoten en er zijn ook geen camerabeelden van de start van de schietpartij.

De rechtbank constateert, anders dan door de verdediging en de officier van justitie bepleit, dat onduidelijk is wie als eerste heeft geschoten. Het dossier bevat namelijk geen enkele objectieve informatie over de start van de schietpartij. De rechtbank is daarom van oordeel dat de feitelijk toedracht zoals die door de verdediging is geschetst, niet onaannemelijk is. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte van dat scenario uitgaan bij de beoordeling van het noodweerverweer. Reeds daarom zal de rechtbank het voorwaardelijk verzoek tot een schotgeluidenonderzoek afwijzen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de confrontatie heeft uitgelokt. Er is dus geen sprake van culpa in causa wat aan honorering van het noodweerverweer in de weg kan staan.

Uitgaande van het scenario van de verdediging werd verdachte vanuit een rijdende auto beschoten en geraakt, terwijl hij zelf ook in een rijdende auto zat. Op dat moment was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een noodweersituatie, namelijk een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdediging tegen die aanranding noodzakelijk was (subsidiariteitsvereiste) en of de gekozen wijze van verdediging in redelijke verhouding stond met de aanranding (proportionaliteitsvereiste).

De rechtbank overweegt als volgt over de vraag of is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Verdachte zat als bijrijder in een auto die achter de auto reed waarin [medeverdachte 2] zich bevond. Op het moment dat verdachte door [medeverdachte 2] werd beschoten en geraakt, was er een onmiddellijke dreiging voor alle inzittenden in de auto, waarvan verdachte deel uitmaakte, dat [medeverdachte 2] nogmaals zou schieten. Verdachte bevond zich weliswaar in de achtervolgende auto en had in die zin de achtervolging kunnen laten stoppen. Daar staat echter tegenover dat de schoten binnen een kort tijdsbestek van zeven seconden zijn gelost, verdachte niet achter het stuur zat en de autos zich bevonden in een smalle straat waar van een reële uitwijkmogelijkheid niet is gebleken. Er was naar het oordeel van de rechtbank op dat moment daarom geen reële mogelijkheid voor verdachte om zich te onttrekken aan de situatie. De rechtbank vindt daarom dat verdediging onder deze omstandigheden noodzakelijk was.

De rechtbank vindt echter niet dat is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Verdachte heeft (tenminste) zeventien keer teruggeschoten nadat hij eenmaal is beschoten. Het in het wilde weg leegschieten van zijn wapen is een reactie van verdachte die niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft met zijn handelen de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.

De rechtbank concludeert dat de feiten strafbaar zijn, nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Noodweerexces

Een beroep op noodweerexces kan slagen indien de grenzen van noodzakelijke verdediging zijn overschreden door een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij hevig in paniek was nadat hij was beschoten en dat hij vanuit die paniek heeft teruggeschoten. Verdachte heeft echter ter zitting ook verklaard dat hij, nadat hij was geraakt, besloot het wapen te pakken en zijn arm uit het raam te steken om vervolgens gericht op de banden en de bumper van de Toyota te schieten. Verdachte heeft verder verklaard dat hij geen andere mensen op straat heeft gezien. De rechtbank vindt dat deze uitingen van verdachte contra-indicaties bevatten voor zijn stelling dat hij in hevige staat van paniek verkeerde. Hij was zich immers kennelijk bewust van zijn omgeving en heeft geprobeerd om gericht te schieten. Dit duidt eerder op een doelbewust handelen dan op een handeling vanuit een hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het handelen van verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging

veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Dit maakt dat zijn handelen hem kan worden verweten. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat, in het geval van veroordeling voor alle feiten, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, een passende afdoening is. Daarbij hebben zij gewezen op de context waarbinnen verdachte de feiten heeft gepleegd en de gevolgen die de zaak voor hem hebben gehad.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapporten van 24 december 2025 en van september 2026 (ongedateerd), het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 september 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft op 26 april 2025 op klaarlichte dag vanuit een rijdende auto zeventien keer geschoten in de richting van een auto die voor hem reed. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van de inzittenden van die auto, maar ook aan een poging tot doodslag van een minderjarige, toevallige passant die zich in zijn schotbaan bevond. Zij kon zichzelf nog maar net in veiligheid brengen. Verdachte heeft daarnaast een semi-automatisch vuurwapen in zijn bezit gehad op een openbare plek en er zijn door zijn kogels twee autos beschadigd. Dit zijn zeer ernstige feiten.

Uit de vorderingen van de benadeelde partijen en de slachtofferverklaringen ter zitting blijkt de impact die het incident op de slachtoffers heeft gehad. De inzittenden van de Toyota hebben doodsangsten uitgestaan en de slachtoffers kampen nog iedere dag met de psychische gevolgen. In de auto zat een minderjarige jongen op de achterbank en de rechtbank vindt het buitengewoon kwalijk dat verdachte zijn leven op zon grove wijze in gevaar heeft gebracht. Ook de minderjarige getuige die zomaar bij het geweld werd betrokken ondervindt nog steeds gevolgen van het schietincident. Verdachte is daarvoor verantwoordelijk.

De schietpartij heeft daarnaast ook gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Het feit vond plaats aan het einde van de middag op Koningsdag in het centrum van Delfzijl. Er waren veel

mensen op straat die tijdens deze feestdag plotseling geconfronteerd werden met heftig vuurwapengeweld. Het handelen van verdachte brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich mee en het versterkt het gevoel van onveiligheid.

De rechtbank vindt dat voor zulke ernstige feiten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Persoonlijke omstandigheden

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Hij liep in twee proeftijden. Dat heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Over verdachte zijn reclasseringsrapporten opgemaakt. Daaruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van instabiliteit op verschillende leefgebieden. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen en dagbesteding.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten een forse gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank vindt een deels voorwaardelijke straf, zoals door de raadslieden bepleit, niet passend. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gelet daarop zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Verder heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf acht geslagen op het feit dat verdachte door het incident zelf gewond is geraakt en daar blijvend letsel aan over heeft gehouden. Hij heeft hiermee de gevaren van vuurwapengeweld aan den lijve ondervonden.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

  2. [naam 2] , tot een bedrag van 25.150,00 ter vergoeding van materiële schade en

37.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

3. [ [naam 3] , tot een bedrag van 37.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

3. [ [slachtoffer 3] , tot een bedrag van 2.359,15 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen hoofdelijk kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de vorderingen van [slachtoffer 1] , [naam 2] en [naam 3] primair, gelet op de bepleite vrijspraak en het beroep op noodweer, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Subsidiair is ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] aangevoerd dat de aantasting in de persoon niet is onderbouwd, zodat de vordering moet worden afgewezen. Meest subsidiair is verzocht de vordering te matigen.

Ten aanzien van de vordering van [naam 2] is gesteld dat de post studievertraging onvoldoende is onderbouwd en daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard. Verder is aangevoerd dat de immateriële schade moet worden gematigd, vanwege een deel eigen schuld van de benadeelde partij en omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Voor wat betreft de schade aan de auto heeft de verdediging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de vordering van [naam 3] heeft de verdediging gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van immateriële schade als bedoeld in categorie 14.2 onder b van de Rotterdamse schaal en dat de vordering om die reden aanzienlijk moet worden gematigd.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de vorering van [slachtoffer 3] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij vordert een bedrag van 2.000,00 aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij de vordering heeft onderbouwd met concrete gegevens over de aard en ernst van de gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad. Zij heeft gesteld dat zij nachtmerries had en nog vaak terugdenkt aan het incident. Zij is haar onbevangenheid als tiener kwijtgeraakt. De gestelde gevolgen zijn door de verdediging niet betwist, zodat de rechtbank kan uitgaan van de juistheid daarvan.

Gelet op de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 BW.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen, gelet op de aard en ernst van het feit, de kwetsbaarheid en de jeugdige leeftijd van het slachtoffer en de gevolgen die zij door het incident heeft ondervonden. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 april 2025.

[naam 2]

De vordering van [naam 2] bestaat uit de volgende materiële schadeposten:

  • 2.500,00 autoschade

  • 22.650,00 studievertraging

Daarnaast wordt 37.500,00 ter vergoeding van immateriële schade gevorderd.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde autoschade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. Dat deel van de vordering is niet betwist en zal daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de post studievertraging overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar blijkt uit de verklaring van haar mentor dat zij haar studie mede door de gevolgen van dit incident heeft moeten staken, maar zij heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd tot welke schade dit heeft geleid die voor vergoeding in aanmerking komt. Er wordt namens haar aansluiting gezocht bij De Letselschade Richtlijn Studievertraging. Die richtlijn is in dit geval niet van toepassing. De richtlijn ziet immers op gevallen waarin vertraging optreedt in de opleiding die op het moment van het ongeval wordt gevolgd. De benadeelde partij is echter pas na het incident, in augustus 2025, met de opleiding begonnen. Anders dan een verwijzing naar de richtlijn is door benadeelde partij niet onderbouwd welke schade zij op dit punt heeft geleden, zodat de post studievertraging daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Voor wat betreft de immateriële schade heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

De benadeelde partij heeft een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) opgelopen door het incident. De rechtbank zoekt, anders dan door de benadeelde gesteld, aansluiting bij categorie (c) van hoofdstuk 14.2 met bandbreedte 5.500 tot 16.000, omdat de prognose niet bekend is. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat in de nabije toekomst ernstige beperkingen blijven bestaan. Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag houdt de rechtbank rekening met het feit dat de behandeling van de PTSS nog niet is gestart en er geen prognose of medische eindsituatie is. Verder houdt de rechtbank rekening met de ernst van de normschending en de klachten die de benadeelde tot op heden heeft ondervonden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van 7.500,00 billijk is.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de immateriële schade met 25% te verhogen, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte opzet had op het toebrengen van het letsel. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte er niet op was gericht was om [naam 2] iets aan te doen; het ging hem om bijrijder [medeverdachte 2] .

De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van 10.000,00, bestaande uit 2.500,00 materiële schade en 7.500,00 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 april 2025. De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

[naam 3]

De benadeelde partij vordert een bedrag van 37.500,00 aan immateriële schade.

De rechtbank heeft bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

De benadeelde partij heeft een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) opgelopen door het incident. De rechtbank zoekt, anders dan door de benadeelde gesteld, aansluiting bij categorie (c) van hoofdstuk 14.2 met bandbreedte 5.500 tot 16.000, omdat de prognose niet bekend is. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat in de nabije toekomst ernstige beperkingen blijven bestaan. Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag houdt de rechtbank rekening met het feit dat de behandeling van de PTSS pas recent is gestart en er geen prognose of medische eindsituatie is. Verder houdt de rechtbank rekening met de ernst van de normschending en de klachten die de benadeelde tot op heden heeft ondervonden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van 7.500,00 billijk is.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de immateriële schade met 25% te verhogen, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte opzet had op het toebrengen van het letsel. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte er niet op was gericht was om [naam 3] iets aan te doen; het ging hem om bijrijder [medeverdachte 2] .

De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van 7.500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 april 2025. De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

[slachtoffer 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 april 2025.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 16.364229.24

Bij onherroepelijk vonnis van 16 januari 2025 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland te Lelystad, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 31 januari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 23 juni 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Parketnummer 18.133736.24

[afbeelding niet beschikbaar]

Bij onherroepelijk vonnis van 10 januari 2025 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 28 januari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 23 juni 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Ten aanzien van feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 2] Ten aanzien van feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 2] te betalen:

  • het bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [naam 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit

2.500,00 aan materiële schade en 7.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 75 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 3] Ten aanzien van feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 3] te betalen:

  • het bedrag van 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van [naam 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 62 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] Ten aanzien van feit 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:

  • het bedrag van 2.359,15 (zegge: tweeduizend driehonderdnegenenvijftig euro en vijftien eurocent);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.359,15 (zegge: tweeduizend driehonderdnegenenvijftig euro en vijftien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 23 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 16.364229.24 Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de

politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 16 januari 2025, te weten: een gevangenisstraf van 89 dagen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.133736.24

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 10 januari 2025, te weten: een

gevangenisstraf van 1 week.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2026.

Mr. T.M. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.