Strafrecht overig

Veroordeling voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens, munitie en cocaïne en de voorbereiding van…

Rechtbank Noord-Nederland, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
18-145279-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4658
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens, munitie en cocaïne en de voorbereiding van drugshandel tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-145279-26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 3 november 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 oktober 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Daalder.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 29 april 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier

  1. een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk FEG Mauser, model 90 DA, kleur zwart en voorzien van het wapennummer 9004697 zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of

  2. (een) wapen (onderde(e)l(en)) van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een bijbehorende patroonmagazijn en/of een patroonmagazijn van het merk ZVS kaliber 9.19 mm en/of

  3. een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, en/of

  4. 16 kogelpatronen van het merk Geco, kaliber 9x19mm volmantel en/of

  5. 12 kogelpatronen van het merk Companhia Brasileira de Cartuchos (CBC) 9x19 mm type volmantel en/of

  6. 2 kogelpatronen van het merk Sellier&Bellot (S&B), 9x19mm type Jacketed Hollow Point (JHP) voorhanden heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 29 april 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier en/of (elders) in Nederland, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

-een hoeveelheid (ongeveer 53,92 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op of omstreeks 19 mei 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier, (een) wapen (onderde(e)l(en)) van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten

-twee patroonmagazijnen (5,56x45 mm)

en/of (pistool)munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

-249 kogelpatronen, van het merk Geco type volmantel en kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad;

4

hij op of omstreeks 29 april 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier en/of (elders) in Nederland, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

-het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne,.

-voorwerpen, stoffen, gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door aan [adres 3] , een weegschaaltje, een hoeveelheid van 19,70 gram inositol (eenversnijdingsmiddel van cocaïne), en een hoeveelheid (lege) gripzakjes met voorgevouwen ponypacks voorhanden te hebben;

5

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2026 tot en met 19 mei 2026 te Marum en/of (elders) in Nederland, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten op 29 april 2026 een stiletto mes van het merk Haller type 420, en/of op 19 mei 2026 een boksbeugel kleur geel (met 6 ronde ringen bevestigd aan een stalen buis), voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

De officier van justitie heeft ter zitting gewezen op een kennelijke misslag in feit 1 van de tenlastelegging. De rechtbank zal het onder c) opgenomen verbeterd lezen als: een hoeveelheid munitie van categorie II en III van de Wet wapens en munitie nu het ontbreken van categorie II een kennelijke misslag betreft. Uit

het onderzoek van de wapendeskundige naar de munitie blijkt immers dat de twee kogelpatronen van het merk Sellier&Bellot tot categorie II van de Wet wapens en munitie behoren.1

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het voorhanden hebben van de twee patroonmagazijnen van feit 3.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 primair op het standpunt gesteld dat er voor wat betreft de twee patroonmagazijnen sprake is van partiële nietigheid van de dagvaarding, nu de omschrijving en het dossier deze beschuldiging niet voldoende verduidelijkt. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de twee patroonmagazijnen voorhanden heeft gehad.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 4 op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat de goederen zoals deze ten laste zijn gelegd, enkel voor eigen gebruik waren en het dossier verder geen aanknopingspunten biedt voor (het voornemen tot) het verhandelen van cocaïne.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de boksbeugel tijdens de doorzoeking op 29 april 2026 is aangetroffen en niet, zoals ten laste gelegd, op 19 mei 2026 waardoor verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak feiten 3 en 5

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de twee patroonmagazijnen zoals ten laste gelegd onder feit 3, heeft gedragen dan wel voorhanden heeft gehad. De rechtbank overweegt hierover als volgt:

De twee patroonmagazijnen zijn aangetroffen in de garagebox aan [adres 2] in Drachten. Verdachte heeft verklaard dat hij de garagebox op het moment van de doorzoeking al langere tijd niet meer huurde. De huurbaas van de garagebox heeft verklaard dat verdachte de vorige huurder was, maar dat hij sinds een jaar de garagebox niet meer huurde. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat verdachte de patroonmagazijnen heeft gedragen dan wel voorhanden heeft gehad, waardoor verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 5 aangevoerd dat de boksbeugel niet is aangetroffen tijdens de doorzoeking op 19 mei 2026, maar op 29 april 2026. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2026 op pagina 83 e.v. van het dossier blijkt dat de boksbeugel tijdens de doorzoeking op 29 april 2026 is aangetroffen. De ten laste gelegde zinsnedes op 19 mei 2026 en op 29 april 2026 - die beide niets toevoegen of afdoen aan daarvóór in de tenlastelegging al benoemde pleegperiode - zullen daarom uit de

bewezenverklaring worden weggestreept.

Bewijsmiddelen feiten 1,2, 3 en 5

De rechtbank acht feiten 1 en 2, 3 en 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 oktober 2026;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 29 mei 2026, opgenomen op pagina 53

e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026129265 d.d. 24 juni 2026, inhoudend het onderzoek naar de wapens;

3. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid d.d. 12 mei 2026, opgemaakt door ing. [deskundige] , pagina 48 e.v.;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2026, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2026, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 juli 2026 Den Haag met nummer PL0100-2026107652-92 d.d. 21 juli 2026, inhoudend het onderzoek naar de munitie.

Bewijsmiddelen feit 4

De rechtbank past ten aanzien van feit 4 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 20 oktober 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het weegschaaltje, de inositol, de (lege) gripzakjes, de voorgevouwen ponypacks en het geld uit het tasje waren van mij. De telefoon van het merk Samsung had ik in gebruik.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2026, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026129265 d.d. 24 juni 2026, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 29 april 2026 was ik aanwezig in de woning gelegen aan [adres 3] te Marum.

Ik zag op de keukentafel een zwarte plastic tas staan. Ik zag dat in het tasje in totaal 4 gripzakjes zaten. In elk gripzakje zat een tiental ponypacks. Daarnaast zag ik in het tasje een envelop met daarin in totaal 1.530,- euro aan contanten in 5, 10, 20 en 50 euro biljetten.

Ook zag ik een boterhamzakje met daarin een witte substantie en digitale weegschaal in het tasje.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 13 mei 2026, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Een gripzakje met een groene rand waarop met zwart schrijvende stift de letter I geschreven staat met daarin wit poeder. Nettogewicht: 19,70 gram. Resultaat: indicatie inositol.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2026, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Onderzoek telefoon Samsung met goednummer 1941771:

In de zoekgeschiedenis vond ik de volgende relevante zoekopdrachten

- Op 30 april 2026 om 21.40 uur ontvangt de onderzochte telefoon het volgende bericht van telefoonnummer [telefoonnummer] : 'Joo Verkoop je nog?'.

Bewijsoverwegingen feit 4

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw overweegt de rechtbank het volgende.

In de woning van verdachte is een tasje aangetroffen met daarin 53,92 gram cocaïne, ponypacks, een weegschaaltje, lege gripzakjes, 19,70 gram inositol en een hoeveelheid eurobiljetten. Verdachte heeft verklaard dat de goederen aan hem toebehoren, maar dat dit alles enkel voor eigen gebruik was. Deze verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de hoeveelheid cocaïne en de combinatie van voorwerpen die bij elkaar in het tasje is aangetroffen. Van de stof inositol is algemeen bekend dat dit als versnijdingsmiddel voor cocaïne dient, met als doel het behalen van een groter rendement op de verkoop hiervan. Het voorhanden hebben van dit versnijdingsmiddel past daarom ook niet bij een situatie waarin de cocaïne enkel voor eigen gebruik is. Ook voor de overige voorwerpen geldt dat deze, zeker gelet in combinatie met elkaar, niet voor eigen gebruik van cocaïne bestemd zijn.

Dat verdachte zich bezighield met, kort gezegd, de (voorbereiding) van drugshandel wordt ondersteund door het onderzoek naar de telefoon van verdachte waaruit blijkt dat hij op 30 april 2026 om 21.40 uur het bericht 'Joo Verkoop je nog? ontvangt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 29 april 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier

  1. een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk FEG Mauser, model 90 DA, kleur zwart en voorzien van het wapennummer 9004697 zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en

  2. wapenonderdelen van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een bijbehorend patroonmagazijn en een patroonmagazijn van het merk ZVS kaliber 9.19 mm en

  3. een hoeveelheid munitie van categorie II en III van de Wet wapens en munitie

  • 16 kogelpatronen van het merk Geco, kaliber 9x19mm volmantel en

  • 12 kogelpatronen van het merk Companhia Brasileira de Cartuchos (CBC) 9x19 mm type volmantel en

  • 2 kogelpatronen van het merk Sellier&Bellot (S&B), 9x19mm type Jacketed Hollow Point (JHP) voorhanden heeft gehad;

2

hij op 29 april 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier, opzettelijk aanwezig heeft gehad

-een hoeveelheid (ongeveer 53,92 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op 19 mei 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier, pistoolmunitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

-249 kogelpatronen, van het merk Geco type volmantel en kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad;

4

hij op 29 april 2026 te Marum in de gemeente Westerkwartier, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten

-het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en/of verstrekken van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne,

-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door aan [adres 3] , een weegschaaltje, een hoeveelheid van 19,70 gram inositol (een versnijdingsmiddel van cocaïne), en een hoeveelheid (lege) gripzakjes met voorgevouwen ponypacks voorhanden te hebben;

5

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2026 tot en met 19 mei 2026 te Marum wapens, van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitieeen stiletto mes van het merk Haller type 420, en een boksbeugel kleur geel (met 6 ronde ringen bevestigd aan een stalen buis), voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

  2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod

3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

4. om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor

te bereiden, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

5. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarbij eventueel een geldboete, een taakstraf en/of een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsadvies d.d. 19 oktober 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne en de voorbereidingshandelingen van, kort gezegd, de handel in cocaïne. Drugs leiden veelal, direct en indirect,

tot vele vormen van criminaliteit. Ook wordt door drugs de volksgezondheid ernstig bedreigd. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers.

Daarnaast heeft verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, onderdelen van vuurwapens en een grote hoeveelheid munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Het vergroot eveneens het algemene gevoel van onveiligheid in de samenleving. Ook heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een stilettomes en een boksbeugel, waarbij de rechtbank opmerkt dat dit slechts een fractie is van de hoeveelheid aan (illegale) wapens die in de woning van verdachte zijn aangetroffen.

Het voorhanden hebben van deze wapens en munitie heeft plaatsgevonden onder strafverzwarende omstandigheden. De wapens en munitie zijn aangetroffen in de woning van verdachte waar ook zijn kinderen aanwezig waren. Daarnaast is het vuurwapen doorgeladen aangetroffen en was deze binnen handbereik van niet alleen verdachte, maar ook van zijn kinderen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft geen openheid gegeven over de achtergrond van zijn wapenbezit. Hij heeft verklaard dat hij geen reden had om wapens en munitie in zijn woning aanwezig te hebben. De rechtbank ziet in de combinatie van de bewezenverklaarde feiten aanwijzingen dat het wapenbezit in verband is te brengen met (de voorbereiding) van drugshandel. De combinatie aan bewezenverklaarde feiten werkt om deze reden ook strafverzwarend.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hierbij wegen ook de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden mee. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen reden om tot oplegging van een lagere straf te komen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, passend en geboden en zal deze straf dan ook opleggen aan verdachte.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Beslag

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen geldbedragen van 115 en 1.580 evident bestemd zijn voor de voorbereidingshandelingen zoals ten laste gelegd onder feit 4 en daarmee vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van 705, de sieraden en de auto met kenteken [kenteken] heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat dit kan worden teruggegeven aan verdachte.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is verzocht tot teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen van 115 en 1.580, nu dit geld niet in verband staat met een strafbaar feit. De verdediging heeft teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van 705 verzocht aangezien dit evident gaat om spaargeld van de dochter van verdachte. Ook voor de inbeslaggenomen sieraden en de auto met kenteken [kenteken] is teruggave verzocht.

Oordeel van de rechtbank

De inbeslaggenomen 115 en 1.580 zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze geldbedragen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze geldbedragen het onder 4 bewezen verklaarde feit is begaan. De rechtbank zal deze geldbedragen dan ook verbeurdverklaren. Ten aanzien van de inbeslaggenomen 705, de sieraden en de auto met kenteken [kenteken] zal een last worden gegeven tot teruggave aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd:

- Geld: 115 met voorwerpnummer PL0100-2026107652-G1935810

- Geld: 1.530 met voorwerpnummer PL0100-2026107652-G1935820

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- Geld: 705 met voorwerpnummer PL0100-2026107652-G1935769

  • Ring (14k goud met edelsteentjes) met voorwerpnummer PL0100-2026107652-G1935771

  • Ring (14k goud met edelsteentjes) met voorwerpnummer PL0100-2026107652-G1935771A

  • Ring (goud met afbeelding kroontje) met voorwerpnummer PL0100-2026107652-G1935808

  • Halsketting met voorwerpnummer PL0100-2026107652-G1935804

  • Auto (kenteken: [kenteken] ) met goednummer 1941589

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. drs. J.V. Nolta en

mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 november 2026.

[afbeelding niet beschikbaar]

1. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 29 mei 2026, opgenomen op pagina 53 e.v.

van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026129265 d.d. 24 juni 2026, inhoudend het onderzoek naar de wapens.

[afbeelding niet beschikbaar]