Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van €1.500,- en legt hem een…

Rechtbank Overijssel, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
08-050228-26 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6620
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van €1.500,- en legt hem een voorwaardelijke rijontzegging op voor de duur van 6 maanden.

De verdachte is schuldig bevonden aan een verkeersovertreding en het veroorzaken van een ongeval waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-050228-26 (P)

Datum vonnis: 3 november 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1946 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats],

hierna: verdachte.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. L.J. Krijgsman, advocaat in Enter, naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

28 november 2025 in Nijverdal als bestuurder van een personenauto:

primair: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor aan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht;

subsidiair: gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 28 november 2025 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, althans

in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede

rijdende over de weg, de Parallelweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

- terwijl een fietser op de (fietssuggestiestrook van de) kruisende weg, de

Constantijnstraat, reed en/of

- voor deze kruisende weg haaientanden en/of een bord B6 waren geplaatst en/of

- verdachte, voornoemde fietser op de kruisende weg had waargenomen,

- voor en of tijdens het oprijden van de kruising met die Constantijnstraat niet of in

onvoldoende mate heeft opgelet en/of is blijven opletten op het verkeer op die

kruisende weg, de Constantijnstraat, dat van links kwam en/of kon komen en/of

- niet is blijven staan voor de eerdergenoemde haaientanden, maar is gaan rijden

terwijl links van hem voornoemde fietser dicht genaderd was en/of

-deze fietser geen voorrang heeft verleend/of is gebotst tegen, althans in aanrijding

is gekomen met, de over de (fietssuggestiestrook van de) kruisende weg rijdende

bestuurster van die fiets en/of die fiets, ten gevolge waarvan of waarbij de

bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander (te weten H.

[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 november 2025 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, althans

in Nederland,

als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de

Parallelweg,

- terwijl een fietser op de (fietssuggestiestrook van de) kruisende weg, de

Constantijnstraat, reed en/of

- voor deze kruisende weg haaientanden en/of een bord B6 waren geplaatst en/of

- verdachte, voornoemde fietser op de kruisende weg had waargenomen,

- voor en of tijdens het oprijden van de kruising met die Constantijnstraat niet of in

onvoldoende mate heeft opgelet en/of is blijven opletten op het verkeer op die

kruisende weg, de Constantijnstraat, dat van links kwam en/of kon komen en/of

- niet is blijven staan voor de eerdergenoemde haaientanden, maar is gaan rijden

terwijl links van hem voornoemde fietser dicht genaderd was en/of

-deze fietser geen voorrang heeft verleend/of is gebotst tegen, althans in aanrijding

is gekomen met, de over de (fietssuggestiestrook van de) kruisende weg rijdende

bestuurster van die fiets en/of die fiets, ten gevolge waarvan of waarbij de

bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3 De bewijsmotivering

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich, overeenkomstig haar overgelegd requisitoir, op het standpunt dat kan worden bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, in die zin dat verdachte aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De raadsman voert daartoe – samengevat – aan dat verdachte uitermate voorzichtig heeft gereden en alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om een aanrijding te voorkomen. Zo heeft verdachte de fietsende [slachtoffer] tijdig waargenomen en de inschatting gemaakt dat hij voor [slachtoffer] de kruising op kon rijden. Achteraf bezien had verdachte [slachtoffer] voorrang moeten verlenen. Getuige [getuige] verklaart dat hij weliswaar vermoedt dat verdachte met de voorzijde van zijn auto [slachtoffer] aan haar rechterzijde raakte, maar weet dat niet precies. Het kan volgens de raadsman ook zijn dat [slachtoffer] heeft geremd en daardoor is gevallen. Volgens de raadsman is hoogstens sprake van het veroorzaken van gevaar, zoals bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

De vaststelling van de feiten en omstandigheden

Op 28 november 2025 omstreeks 15:07 uur vindt op de Constantijnstraat in Nijverdal een verkeersongeval plaats. Verdachte als bestuurder van een personenauto (Hyundai), en [slachtoffer] als bestuurster van een fiets, zijn daarbij betrokken.

Verdachte rijdt met zijn personenauto over de Parallelweg in Nijverdal. In zijn richting kruist de Parallelweg de Constantijnstraat, een voorrangsweg. Voor bestuurders die dit kruispunt vanaf de Parallelweg naderen, wordt met haaientanden en het verkeersbord B6 kenbaar gemaakt dat voorrang moet worden verleend aan het kruisende verkeer op de Constantijnstraat. Verdachte nadert het voorrangskruispunt met de bedoeling om rechtsaf te slaan en zo de Constantijnstraat op te rijden. Verdachte mindert daartoe vaart en ziet van links de op de fietssuggestiestrook van de Constantijnstraat fietsende [slachtoffer] naderen. Verdachte kijkt achter zich, trekt op en rijdt dan de kruising op. Bij het afslaan naar rechts ziet verdachte de van links genaderde [slachtoffer] niet (meer) en raakt hij haar met zijn personenauto. [slachtoffer] komt met haar fiets ten val.

[slachtoffer] is als gevolg van het ongeval met ernstig letsel naar het ziekenhuis gebracht. Bij haar zijn (onder meer) vijf gebroken ribben, een gebroken borstbeen, een scheurtje in de ruggenwervel, een gebroken middenhandsbeentje, een gebroken sleutelbeen, een hoofdwond, een vermoedelijke hartkneuzing en een bloeding in het hoofd geconstateerd.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij de fietsende [slachtoffer] tijdig heeft opgemerkt en dat hij de inschatting heeft gemaakt om voor [slachtoffer] het kruispunt op te kunnen rijden. Hij kan zich niet herinneren of hij [slachtoffer] heeft geraakt, hij twijfelt daaraan want zijn auto had geen schade. Verdachte heeft verklaard ter plaatse van het ongeval zeer goed bekend te zijn. Hij kwam daar meerdere keren per week. Verdachte heeft verder verklaard dat hij daar altijd extra goed oplette, omdat het in zijn ogen een gevaarlijk kruispunt is.

Juridisch kader

De rechtbank moet beoordelen of verdachte door haar rijgedrag schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW), en zo ja, in welke mate, of dat sprake is van gevaarzettend rijgedrag als bedoeld in artikel 5 WVW.

Om tot een bewezenverklaring te komen van artikel 6 WVW, zoals primair ten laste is gelegd, is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan bestaan in verschillende gradaties: te beginnen bij aanmerkelijke schuld als lichtste vorm, tot roekeloosheid, dat geldt als de zwaarste vorm. Bij de beoordeling of sprake is van één van deze vormen van schuld kijkt de rechtbank naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Het rijgedrag van verdachte moet worden vergeleken met dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Niet reeds uit de ernst van het gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in voornoemde zin.

Overwegingen

De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Verdachte naderde op 28 november 2025 het kruispunt van de Parallelweg met de Constantijnstraat. Hij was zeer goed bekend met de situatie ter plekke en wist dat de Constantijnstraat een voorrangsweg betreft, waarbij hij – komende van de Parallelweg – het kruisende verkeer op de Constantijnstraat voorrang moest verlenen. Dat op het kruispunt voorrang moet worden verleend, is ter plekke zichtbaar aangegeven met haaientanden en het verkeersbord B6. Dit betekent dat verdachte voor het oprijden van de kruising zich ervan had moeten vergewissen dat het kruispunt vrij was van naderend verkeer. Verdachte heeft bovendien verklaard dat op het kruispunt extra aandacht was vereist, omdat sprake zou zijn van een gevaarlijke situatie. Het lag daarom voor verdachte in de rede om extra voorzichtig en oplettend te zijn.

Ondanks de verkeerssituatie en de bekendheid ter plekke heeft verdachte bij het rechts afslaan op de kruising geen voorrang verleend aan de van links komende fietser, het slachtoffer [slachtoffer]. Verdachte heeft bij het naderen van het kruispunt de op fietssuggestiestrook fietsende [slachtoffer] weliswaar van een zekere afstand opgemerkt, maar hij heeft op dat moment de inschatting gemaakt dat hij voor [slachtoffer] de kruising op kon rijden. Verdachte heeft zijn snelheid geminderd en naar enkele fietsers achter zich gekeken, waarna hij zonder nog een keer naar links te kijken, heeft opgetrokken en rechts is afgeslagen en de kruising is opgereden. Verdachte heeft daarbij de van dichtbij genaderde [slachtoffer] niet (meer) gezien. Pas nadat verdachte na het ongeval, een stuk verderop, uit zijn auto stapte, kwam hij erachter dat hij een fietsster had geraakt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat sprake is geweest van meer dan een tijdelijke onoplettendheid. Verdachte heeft niet alleen de snelheid van en zijn afstand tot de fietsende [slachtoffer] verkeerd ingeschat, en de beslissing gemaakt om vóór haar de voorrangskruising op te rijden, hij heeft ook hierna niet (voldoende) opgelet en [slachtoffer] niet (meer) opgemerkt. Een enkele blik naar links bij het naderen en oprijden van de kruising was voldoende geweest om de van dichtbij genaderde [slachtoffer] alsnog (tijdig) op te merken en haar voorrang te verlenen.

Dit alles betekent dat verdachte niet oplettend genoeg aan het verkeer heeft deelgenomen. Dat verkeersgedrag leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van de lichtste vorm van schuld in de zin van artikel 6 WVW, in die zin dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en dat het aan zijn schuld is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft als gevolg van het verkeersongeval letsel opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel, gelet op zijn aard, het medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. [slachtoffer] heeft diverse (ernstige) breuken en verwondingen opgelopen, heeft enige tijd op de afdeling chirurgie van het ziekenhuis moeten verblijven en is behandeld in een revalidatiecentrum.

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 28 november 2025 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, althans

in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede

rijdende over de weg, de Parallelweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

- terwijl een fietser op de (fietssuggestiestrook van de) kruisende weg, de

Constantijnstraat, reed en/of

- voor deze kruisende weg haaientanden en/of een bord B6 waren geplaatst en/of

- verdachte, voornoemde fietser op de kruisende weg had waargenomen,

- voor en of tijdens het oprijden van de kruising met die Constantijnstraat niet of in

onvoldoende mate heeft opgelet en/of is blijven opletten op het verkeer op die

kruisende weg, de Constantijnstraat, dat van links kwam en/of kon komen en/of

- niet is blijven staan voor de eerdergenoemde haaientanden, maar is gaan rijden

terwijl links van hem voornoemde fietser dicht genaderd was en/of

- deze fietser geen voorrang heeft verleend/of is gebotst tegen, althans en in aanrijding

is gekomen met de over de (fietssuggestiestrook van de) kruisende weg rijdende

bestuurster van die fiets en/of die fiets, ten gevolge waarvan de

bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander (te weten H.

[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 6 en 175 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6 De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot betaling van een geldboete van € 1.500,00 en om aan hem op te leggen een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (hierna: ontzegging van de rijbevoegdheid) voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een geldboete op zijn plaats is. De eis van de officier van justitie van een geldboete van € 1.500,00 is naar het oordeel van de verdediging (te) fors. Ten aanzien van de geëiste voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van het feit

Verdachte heeft door zijn schuld een verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte heeft tijdens het afslaan op een voorrangskruising met zijn personenauto de fietsende [slachtoffer] geraakt. Dit terwijl [slachtoffer] zich op de voorrangsweg bevond en verdachte haar voorrang had moeten verlenen. Door de aanrijding is [slachtoffer] met haar fiets gevallen, als gevolg waarvan zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Uit de namens [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring blijkt indringend welke (blijvende) ingrijpende gevolgen het ongeval voor [slachtoffer] heeft gehad. Zij heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen en ondervindt daarvan nog dagelijks de consequenties, onder meer in de vorm van geheugenverlies, duizeligheid en het feit dat zij niet meer zelfstandig dingen kan doen. Het ongeval heeft een grote invloed op haar levensvreugde en haar leven ingrijpend veranderd. Zij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat zij verdachte (het veroorzaken van) het ongeval niet verwijt en dat zij de betrokkenheid en het medeleven van verdachte enorm waardeert. Dat heeft veel voor haar betekend.

De rechtbank weegt in strafverlagende zin mee dat verdachte zich onmiddellijk om het slachtoffer heeft bekommerd en dat verdachte kort na het ongeval uit eigen beweging contact heeft opgenomen met (de kleindochter van) [slachtoffer] en dit contact is blijven continueren. De rechtbank acht verder van belang om op te merken dat verdachte – ook ter zitting – zich zeer schuldbewust heeft getoond, zichtbaar aangedaan was en open heeft verklaard over het ongeval.

De persoon van verdachte

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 11 augustus 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 september 2026. Uit dit advies blijkt onder meer dat verdachte zich betrokken toont bij de gevolgen van het ongeval en het zeer betreurt dat het slachtoffer hierdoor is getroffen. Het ongeval heeft een grote impact op verdachte. Verdachte geeft aan nog dagelijks met de gebeurtenis bezig te zijn. Hij ervaart slaapproblemen, piekert veel over onderhavige verdenking en geeft aan dat de gevolgen van het ongeval nog altijd aanwezig zijn in zijn dagelijks functioneren. Zo ervaart verdachte een drempel om weer gebruik te maken van zijn auto. De reclassering verwacht niet dat het opleggen van een taakstraf een betekenisvolle bijdrage zal leveren aan de beoogde strafdoelen en constateert dat verdachte de gevolgen van de onderhavige verdenking (al) in aanzienlijke mate heeft ondervonden.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf onder meer kennisgenomen van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) en de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met aanmerkelijke schuld, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, geldt als uitgangspunt van denken een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

Gelet op alle omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een geldboete van € 1.500,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank weegt daarbij met name mee de leeftijd van verdachte, zijn opstelling ten opzichte van het slachtoffer, zijn proceshouding en het feit dat verdachte voor zijn sociale leven in grote mate afhankelijk is van zijn rijbewijs.

7 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c Sr en artikel 179 WVW 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen;

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Beker, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. V. Wolting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026.

Mr. Beker is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Mr. V. Wolting is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025576903 van 28 januari 2026. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 oktober 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van verdachte:

Op 28 november 2025 reed ik op de Parallelweg in Nijverdal richting het voorrangskruispunt met de Constantijnstraat. Ik ben goed bekend met de situatie daar. Ik wilde rechtsaf slaan. Ik kwam aanrijden en zag een fietsster van links, op de Constantijnstraat, aankomen. Ik dacht dat ik voor de fietsster langs kon. Ik keek achterom, trok op en sloeg af naar rechts. Ik kan mij niet herinneren dat ik de fietsster heb geraakt. Ik ben uitgestapt en zag het slachtoffer liggen.

2. Het proces-verbaal aanrijding misdrijf van 3 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 5-8):

Locatie ongeval

Datum/tijd: 28 november 2025 om 15:07 uur

Adres: Constantijnstraat

Plaats: Nijverdal

Nadere plaatsaanduiding: kruising

Adres: Parallelweg

Plaats: Nijverdal

Voorrangsregeling: ja

Aanduiding voorrang: bord B6 en haaientanden

Bestuurder [verdachte] reed in zijn PERSONENAUTO merk HYUNDAI voorzien van het kenteken [kenteken] over de openbare weg de Parallelweg te Nijverdal gemeente Hellendoorn, komende uit de richting van de Constantijnstraat. Gekomen ter hoogte van de kruising met de Constantijnstraat, verleende bestuurder [verdachte] geen voorrang aan de voor bestuurder [verdachte] van links komende en over de voorrangsweg rijdende fietsster [slachtoffer]. Hierdoor ontstond tussen beiden een aanrijding. Bestuurder [verdachte] gaf geen gevolg aan een verkeersteken, dat een gebod inhield. Voor bestuurders die vermeld kruispunt op de door hem gevolgde weg naderen wordt dit kenbaar gemaakt door een aldaar kort voor het kruispunt geplaatst bord naar model B6 van bijlage I van het RVV 1990.

Betrokken 1 (voertuig)

Voertuig Fiets

Achternaam: [slachtoffer]

Voorname: [slachtoffer]

Betrokken 2 (voertuig)

Voertuig Personenauto [kenteken] Hyundai Ix20

Bestuurder

[verdachte]

Letsel

Bij het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen. Vervoerd naar ziekenhuis: Ja, Medisch Spectrum Twente te Enschede. Opgenomen: Ja.

Letsel: meerdere blessures opgelopen, waaronder vijf gebroken ribben, gebroken borstbeen, een scheurtje in de ruggenwervel, een gebroken middenhandsbeentje, een gebroken sleutelbeen en een hoofdwond. Tevens nog een hartkneuzing en een bloeding in het hoofd.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 28 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 16):

Ik fietste over de Parallelweg. Bij het naderen van de kruising zag ik dat een blauwe Hyundai ook over de Parallelweg reed en rechts afsloeg de Constantijnstraat op. Ik zag dat een fietsster op dat moment over de Constantijnstraat fietste. Ik zag dat de auto bij het rechts afslaan deze fietsster raakte. Ik zag dat de vrouw ten val kwam.

4. Een schriftelijk bescheid inhoudende de medische informatie betreffende [slachtoffer] van 8 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 43-45):

Conclusie

1. Hoofdletsel met een wond aan de linkerzijde van het hoofd en een kleine bloeding onder het hersenvlies aan de rechterzijde

2. Verrekking van de nek

3. Breuk van een klein uitsteeksel van een borstwervel

4. Verbrijzelde breuk van het linker sleutelbeen

5. Breuk van het bovenste deel van het borstbeen aan de linkerzijde

6. Meerdere ribbreuken: rechts de eerste en twaalfde rib en links de tweede tot en met vierde rib, met verplaatsing en links een kleine bloeduitstorting tussen long en borstwand

7. Vermoeden van een kneuzing van de hartspier

8. Breuk van een handbot bij de pink van de linkerhand

Een omgekeerde driehoek met een witte binnenkant en een brede rode rand