Strafrecht overig
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 354 dagen…
Rechtbank Overijssel, 3 november 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6619 · Rechtbank Overijssel · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2026-6619
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almelo
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- 08-220004-26 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6619
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 354 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 240 uren, het betalen van een schadevergoeding en stelt dat hij zich meldt bij de Reclassering.
De verdachte is schuldig bevonden aan diefstal met geweld tegen personen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-220004-26 (P)
Datum vonnis: 3 november 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. C. van Aken, advocaat in Geertruidenberg, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland is aangevoerd.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
2 augustus 2026 in [plaats]:
feit 1: heeft geprobeerd een woningoverval te plegen bij [slachtoffer];
feit 2: een gaspistool en knalpatronen voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 2 augustus 2026 te [plaats]
omstreeks 01:30, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres]
, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
een of meerdere goederen en/of enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorden
weg te nemen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld
en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- zich heeft begeven naar voornoemde woning, terwijl hij een geladen gaspistool (zichtbaar)
vasthield en/of zijn gezicht bedekt had en/of
- aan meerdere deuren van voornoemde woning heeft getrokken/gevoeld en/of (aldus)
geprobeerd heeft om voornoemde deuren te openen en/of
- de Ringdeurbel van de muur van voornoemde woning af heeft gehaald en/of op de grond heeft
gegooid/gelegd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 2 augustus 2026 te [plaats]
- een wapen van categorie III onder 1, te weten een gaspistool van het merk Glock, type 17 GEN 5, kaliber 9mm gas/knal en/of
- munitie van categorie III, te weten 9 knalpatronen van het kaliber 9mm,
voorhanden heeft gehad.
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich voor de bewezenverklaring van feit 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat de vraag gesteld kan worden wat verdachte precies van plan is geweest. Het ontbrak bij verdachte in ieder geval aan een serieus plan en er moeten niet zomaar conclusies worden getrokken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
-
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 oktober 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
-
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 2 augustus 2026 (pagina 6).
-
Het proces-verbaal onderzoek wapen van 3 augustus 2026 (pagina’s 90 en 91).
Aanvullende overwegingen over het voornemen van verdachte
De rechtbank overweegt het volgende.
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op 2 augustus 2026 in de nacht rondom de woning gelegen in het buitengebied aan de [adres] in [plaats] is geweest. Hij heeft verklaard dat hij meerdere rondjes heeft gelopen in de tuin, aan meerdere deuren van de woning en schuren op het erf heeft gevoeld en de ringdeurbel van de voordeur van de woning heeft afgehaald, terwijl hij al die tijd een geladen gaspistool in zijn hand vasthield en zijn gezicht had bedekt. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op zoek was naar geld of waardevolle spullen in de tuin zoals een robotgrasmaaier, zodat hij deze weg zou kunnen nemen. In zoverre staat vast dat het voornemen van verdachte was gericht op het plegen van een diefstal.
Verdachte heeft echter geen helderheid verschaft over zijn voornemen met betrekking tot het voelen aan meerdere deuren, het verwijderen van de ringdeurbel, het in zijn hand hebben van een geladen gaspistool en het dragen van gezichtsbedekking. In deze situatie is daarom de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging doorslaggevend voor het kunnen aannemen van het begin van uitvoering van het voornemen een bepaald delict te begaan.
De rechtbank overweegt dat voornoemde door de rechtbank vastgestelde gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht zijn op de voltooiing van een woningoverval, dat hieruit het hiervoor genoemde begin van uitvoering daarvan kan worden afgeleid.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op of omstreeks 2 augustus 2026 te [plaats]
omstreeks 01:30, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
in een woning en op een besloten erf waarop de woning stond, gelegen aan de [adres]
, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorden
weg te nemen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
- zich heeft begeven naar voornoemde woning, terwijl hij een geladen gaspistool (zichtbaar)
vasthield en/of zijn gezicht bedekt had en/of
- aan meerdere deuren van voornoemde woning heeft getrokken/gevoeld en/of (aldus)
geprobeerd heeft om voornoemde deuren te openen en/of
- de Ringdeurbel van de muur van voornoemde woning af heeft gehaald en/of op de grond heeft gegooid/gelegd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 2 augustus 2026 te [plaats]
- een wapen van categorie III onder 1, te weten een gaspistool van het merk Glock, type 17 GEN 5, kaliber 9mm gas/knal en/of
- munitie van categorie III, te weten 9 knalpatronen van het kaliber 9mm,
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie (WWM). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: poging diefstal, voorafgegaan/vergezeld of gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden/die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat;
feit 2
de eendaadse samenloop van
het misdrijf:
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid Wet wapens en munitie.
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 354 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een proeftijd van drie jaren wordt opgelegd en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte bij een bewezenverklaring te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsman heeft verzocht om aan een voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, te verbinden. De raadsman heeft er daarnaast geen bezwaar tegen als aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in de nachtelijke uren schuldig gemaakt aan een poging tot het plegen van een woningoverval. Verdachte is al sluipend, met zijn gezicht bedekt en met een geladen gaspistool in zijn hand, rond de woning getrokken, heeft aan de deuren van de woning gevoeld en de ringdeurbel losgetrokken. Dit terwijl de bewoonster van de woning, [slachtoffer], thuis was met haar kinderen en alle handelingen van verdachte via camerabeelden op haar telefoon kon volgen. Dat het bij een poging is gebleven, komt enkel omdat zij bijtijds de politie kon inschakelen, die vervolgens verdachte op heterdaad in de tuin heeft betrapt. Dat dit voor haar en haar kinderen enorm beangstigend is geweest en grote impact op hun leven heeft gehad, heeft zij indringend verwoord in haar slachtofferverklaring. De eigen woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Door zijn daden heeft verdachte dit gevoel van veiligheid aangetast en laten blijken geen respect te hebben voor andermans persoonlijke eigendommen. Verdachte heeft zich enkel en alleen laten leiden door zijn eigen belang en persoonlijk financieel gewin en niet stilgestaan bij de kwalijke gevolgen ervan. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de buurt en in de samenleving als geheel. Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte – om zijn financiële problemen op te lossen – zo achteloos is overgegaan tot het plegen van deze strafbare feiten.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 14 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte meermaals is veroordeeld voor het rijden zonder geldig rijbewijs.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van
6 oktober 2026. Uit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering het leefgebied financiën, in samenhang met het psychosociaal functioneren, als direct delictgerelateerde factoren ziet. Daartegenover staan volgens de reclassering meerdere beschermende factoren. Verdachte beschikt over stabiele huisvesting, betaald werk, wordt gesteund door zijn vriendin en familie en geeft aan veel waarde te hechten aan zijn (nieuwe) rol als vader. Er is geen sprake van een pro-criminele houding. Verdachte heeft getoond spijt te hebben van zijn handelen, oog te hebben voor de gevolgen voor de slachtoffers en open te staan voor hulpverlening. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
De op te leggen straf of maatregel
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen.
Hoewel bij een bewezenverklaring van feiten als de onderhavige zonder meer gekomen kan worden tot oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ziet de rechtbank in de specifieke omstandigheden van deze zaak: waaronder de “knullige” wijze waarop verdachte te werk is gegaan, zijn jonge leeftijd, het geringe strafblad, het feit dat verdachte jonge vader is en bezig is zijn leven met zijn gezin op te bouwen en het feit dat verdachte zich zeer schuldbewust heeft getoond, ruimte om in dit specifieke geval te komen tot een andere afdoening. De rechtbank maakt daarbij de inschatting dat gelet op deze omstandigheden, de op te leggen straf de kans op recidive kleiner zal maken dan wanneer verdachte tot een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden veroordeeld. De na te noemen bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan een lang voorwaardelijk strafdeel zullen daar naar verwachting aan bijdragen.
Alles afwegende zal de rechtbank de straf opleggen die de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht passend en geboden een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 354 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd wordt gesteld op drie jaren. Daarbij worden de volgende bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, opgelegd: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
7 De schade van benadeelde
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van
€ 1.298,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- kapotte deurbel € 103,53;
- verlofuren € 95,34.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 1.100,00 gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geconcludeerd tot toewijzing van de materiële schadepost ‘kapotte deurbel’ tot een bedrag van € 100,00 in verband met afschrijving en heeft zich ten aanzien van de materiële schadepost ‘verlofuren’ gerefereerd, maar wel opgemerkt dat de causaliteit te betwisten valt.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat deze schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft haar vordering ook op deze grondslag gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft ter zitting voldoende toegelicht waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Het strafbare feit heeft aanzienlijke psychische gevolgen voor [slachtoffer]. Ook haar jonge kinderen hebben het incident meegekregen. [slachtoffer] ervaart sinds het incident slaapproblemen en een aanhoudend gevoel van angst en onveiligheid. Het gevoel van onveiligheid heeft er bovendien toe geleid dat benadeelde maatregelen heeft getroffen rondom haar woning. De gevolgen hebben ook invloed gehad op het dagelijks functioneren van benadeelde. In de eerste dagen na het incident was zij niet in staat om te werken. Zij heeft hiervoor verlofuren opgenomen om de gebeurtenissen te kunnen verwerken, gesprekken te kunnen voeren en voor haar kinderen te kunnen zorgen. Zij is vanwege de emotionele gevolgen door de huisarts doorgestuurd naar de praktijkondersteuner. Naar het oordeel van de rechtbank is de aard en ernst van de normschending (een poging tot diefstal met bedreiging met geweld met behulp van een zichtbaar gedragen wapen in de voor nachtrust bestemde tijd) die door het slachtoffer via haar telefoon terwijl zij in haar huis verbleef te volgen was zodanig dat nadere onderbouwing dan het voorgaande niet nodig is om aan te kunnen nemen dat sprake is geweest van een aantasting in de persoon. Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 12 (twaalf) dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 en 57 Sr.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf: poging diefstal, voorafgegaan/ vergezeld of gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden/die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat;
feit 2
de eendaadse samenloop van
het misdrijf:
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid Wet wapens en munitie;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 354 (driehonderdvierenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en
zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact, Transfore of een
soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start op een nader te bepalen moment. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de vermijdende copingstijl, cognitieve vaardigheden, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
schadevergoeding [slachtoffer]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.298,87 (bestaande uit € 198,87 materiële schade en € 1.100,00 immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (feit 1) van een bedrag van € 1.298,87 (duizend tweehonderdachtennegentig euro en zevenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2026;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.298,87, (zegge: duizend tweehonderdachtennegentig euro en zevenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2026 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 12 (twaalf) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. V. Wolting en
mr. P.J. Beker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026.
Mr. Beker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Mr. V. Wolting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.