Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Op 3 maart 2026 heeft Nederland een terugnameverzoek op grond van de Dublinverordening (Voetnoot 1) ingediend bij Kroatië. Op 14 maart 2026 zijn de Kroatische autoriteiten akkoord gegaan. Op die dag is de overdrachtstermijn gaan lopen.
2.1.
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact (AMP) in werking getreden. Een van de onderdelen hiervan is de Asiel en Migratiebeheerverordening (Voetnoot 2) (AMBV). Op dezelfde datum is de Dublinverordening ingetrokken.
2.2.
Bij bestreden besluit van 8 juli 2026 is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens en heeft op 13 juli 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.3.
Op 29 juli 2026 heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om zijn overdracht te verbieden zolang niet op het beroep is beslist. De aanleiding voor het verzoek om een voorlopige voorziening was dat de minister handelingen had verricht om eiser aan Kroatië over te dragen. Bij uitspraak van 11 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats (Voetnoot 3) de gevraagde voorziening toegewezen, bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië tot één week nadat is beslist op het beroep. De voorzieningenrechter heeft hierbij gewezen op de geestelijke gezondheidsproblemen van eiser.
2.4.
Vervolgens is het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer T. Ayash als tolk in de taal Syrisch-Libanees en de gemachtigde van de minister.
2.5.
Ter zitting is de vraag opgekomen of de toegewezen voorlopige voorziening opschortende werking heeft toegekend aan het overdrachtsbesluit. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hierover nog een nader schriftelijk standpunt in te dienen. De minister heeft op 7 september 2026 een stuk ingediend. Op 9 september 2026 heeft eiser gereageerd. De rechtbank heeft op 15 september 2026 het onderzoek gesloten.
2.6.
De rechtbank heeft partijen op 21 september 2026, middels plaatsing van een bericht in het digitale dossier, medegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. De rechtbank heeft partijen hierbij in de gelegenheid gesteld om nog op- of aanmerkingen op de vragen aan te geven. Partijen hebben hier geen gebruik van gemaakt.
Overwegingen
Overwegingen
3. Eiser heeft op 18 januari 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Op 3 maart 2026 heeft Nederland een terugnameverzoek gedaan bij Kroatië. Met het claimakkoord van 14 maart 2026 heeft Kroatië dit verzoek vervolgens geaccepteerd. De rechtbank overweegt dat met het claimakkoord van 14 maart 2026 de overdrachtstermijn van zes maanden is begonnen te lopen. De overdrachtstermijn zou in beginsel dus op 14 september 2026 verlopen. Met het toewijzen van de voorlopige voorziening op 11 augustus 2026 is het de minister echter verboden om eiser over te dragen aan Kroatië, zolang niet op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet gelijktijdig met het beroep ingediend, terwijl de AMBV en Vreemdelingenwet 2000 (Vw) dat wel voorschrijven (Voetnoot 4). De vraag die beantwoordt dient te worden is of met de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening ook de overdrachtstermijn is opgeschort óf dat alleen de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort en de overdrachtstermijn is blijven doorlopen.
3.1.
De rechtbank zal eerst een overzicht geven van het wettelijk kader. Daarna zal worden ingegaan welk recht naar het oordeel van de rechtbank van toepassing is op de procedure van eiser. Voorts zal de rechtbank toelichten hoe de rechtbank tot het oordeel komt om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
4. Artikel 43, derde lid, van de AMBV luidt als volgt:
“De betrokken persoon heeft het recht om binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van het overdrachtsbesluit, die in ieder geval niet langer mag zijn dan de door de lidstaten op grond van lid 2 vastgestelde termijn, een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van zijn of haar beroep of bezwaar. De lidstaten kunnen in hun nationale recht bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep op grond van lid 1 moet worden ingediend. De lidstaten zorgen ervoor dat er een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek is gegeven. Een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie dat verzoek heeft ontvangen.
Indien de betrokken persoon zijn of haar recht om opschortende werking te verzoeken, niet heeft uitgeoefend, schort het beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op.
Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd.
Indien opschortende werking wordt toegekend, tracht de rechterlijke instantie binnen een maand na de beslissing om opschortende werking toe te kennen, een beslissing ten gronde te nemen over het beroep of het bezwaar.”
4.1.
Artikel 46, eerste lid, van de AMBV luidt als volgt:
“Een verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), wordt overeenkomstig het nationale recht van de overdragende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de overdragende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat, zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3. (…)”
4.2.
Artikel 83 van de AMBV luidt als volgt:
“Verordening (EU) nr. 604/2013 wordt ingetrokken met ingang van 12 juni 2026.(…)”
4.3.
Artikel 84, tweede lid, van de AMBV luidt als volgt:
“2. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria.”
4.4.
Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in het nationale recht te bepalen dat het verzoek om de uitvoering van de overdracht op te schorten tegelijk met het beroep moet worden ingediend. In artikel 69, zevende lid, van de Vw staat:
“Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, wordt gelijktijdig ingediend met het beroepschrift tegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a, of artikel 62b. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a of 62b niet opgeschort indien de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.”
4.5.
Artikel 7.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt als volgt:
“3. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van het overdrachtsbesluit opgeschort, totdat:
a. de termijn ingevolge artikel 69, zevende lid, van de Wet, waarbinnen een eerste verzoek om een voorlopige voorziening teneinde de overdracht op te schorten moet worden ingediend, is verstreken; of
uitspraak is gedaan op het eerste verzoek om een voorlopige voorziening, welk verzoek binnen de termijn, bedoeld in onderdeel a, was ingediend.”
Welk recht is van toepassing?
5. Eiser heeft op 18 januari 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Op 3 maart 2026 heeft Nederland een terugnameverzoek gedaan bij Kroatië. Met het claimakkoord van 14 maart 2026 heeft Kroatië dit verzoek vervolgens geaccepteerd. Vervolgens heeft de minister op 8 juli 2026, dus na de inwerkingtreding van het AMP, de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is.
5.1.
Op 12 juni 2026 is het AMP in werking getreden. Eén van de onderdelen van het AMP is de AMBV. De AMBV vervangt de Dublinverordening. Uit artikel 83 van de AMBV volgt dat de Dublinverordening per 12 juni 2026 wordt ingetrokken en dat verwijzingen naar de Dublinverordening gelden als verwijzingen naar de AMBV. Dat betekent dat de AMBV van toepassing is op alle procedures vanaf 12 juni 2026. In artikel 84 van de AMBV is echter geregeld dat de Dublinverordening nog wel (deels) van toepassing blijft op aanvragen die vóór 12 juni 2026 zijn gedaan. Uit artikel 84 van de AMBV volgt immers dat bij verzoeken die voor 12 juni 2026 zijn geregistreerd, zoals het verzoek van eiser, de verantwoordelijke lidstaat wordt vastgesteld volgens de vastgelegde criteria van de Dublinverordening. In het tweede lid van dat artikel wordt enkel vermeld dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming wordt bepaald volgens de criteria van de Dublinverordening. In artikel 84 van de AMBV is verder niet gepreciseerd welke criteria uit de Dublinverordening hier precies mee worden bedoeld.
5.2.
In geschil is allereerst de vraag of de Dublinverordening van toepassing is of dat de AMBV van toepassing is. Volgens eiser is de Dublinverordening van toepassing, omdat zijn aanvraag dateert van vóór 12 juni 2026. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de AMBV van toepassing is, omdat het besluit van ná 12 juni 2026 is. De minister heeft daarbij verder aangevoerd dat het overgangsrecht van artikel 84 niet van toepassing is op terugnameverzoeken, omdat het alleen ziet op de verantwoordelijkheidscriteria.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het overgangsrecht van de AMBV alleen ziet op het vaststellen van de verantwoordelijkheid. Dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag is vast komen te staan met het aanvaarden van het verzoek om terugname op 14 maart 2026, dus voor de inwerkingtreding van het AMP. Dit is overigens ook niet in geschil. Er is geen overgangsrecht vastgesteld ten aanzien van de procedureregels. Uit vaste jurisprudentie van het Hof volgt dat procedureregels op het moment waarop zij in werking treden in beginsel van toepassing zijn op alle lopende procedures. (Voetnoot 5) Om die reden zal de rechtbank uit gaan van de procedureregels van de AMBV ten aanzien van het beroep.
Is de overdrachtstermijn opgeschort?
6. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de overdrachtstermijn is opgeschort nu de voorzieningenrechter op 11 augustus 2026 een voorlopige voorziening heeft toegewezen die de minister verbiedt om eiser over te dragen aan Kroatië tot één week nadat op het beroep is beslist.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de vraag of de overdrachtstermijn is opgeschort, samenhangt met de vraag of er sprake is van procesbelang. Dit is een vraag van openbare orde en dient de rechtbank dus ambtshalve te toetsen. Op 14 maart 2026 is Kroatië akkoord gegaan met de terugname van eiser. Dit betekent dat op die datum de overdrachtstermijn is gaan lopen. Deze termijn bedraagt in beginsel zes maanden, dus tot 14 september 2026. Indien de overdrachtstermijn is verlopen, is de minister zowel op grond van de Dublinverordening als de AMBV-verordening gehouden om de aanvraag van eiser aan zich te trekken. Indien Nederland de aanvraag op grond van artikel 46, tweede lid, aan zich dient te trekken, heeft de beoordeling door de rechtbank of Kroatië verantwoordelijk is geen zin meer en kan eiser dus niet in een betere positie geraken door de beoordeling van zijn beroep. In dat geval is de rechtbank gehouden om het beroep van eiser niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.
6.2.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat door het niet gelijktijdig indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening met het beroep de overdracht niet op grond van artikel 43, derde lid, AMBV is opgeschort. Volgens de minister was het overdrachtsbesluit dan ook uitvoerbaar. Door de toewijzing van de voorlopige voorziening op 11 augustus 2026 is volgens de minister echter een andere situatie ontstaan. De voorzieningenrechter heeft door de toewijzing van de voorlopige voorziening de overdracht opgeschort. Door deze toewijzing kan de overdracht niet plaatsvinden en is een situatie als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de AMBV van toepassing. Volgens de minister is met het toewijzen van de voorlopige voorziening de overdrachtstermijn gestuit en vangt deze opnieuw aan vanaf de definitieve beslissing op het beroep.
6.3.
De rechtbank vraagt zich af of deze lezing van de minister van de artikelen 43 en 46 van de AMBV de juiste is. In artikel 43, derde lid, van de AMBV is geregeld dat de verzoeker een rechterlijke instantie kan verzoeken om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van zijn of haar beroep of bezwaar. De lidstaten kunnen in hun nationale recht bepalen dat een dergelijk verzoek samen met het beroep moet worden ingediend. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en in artikel 69, zevende lid, van de Vw bepaald dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten gelijktijdig met het beroepschrift tegen dat overdrachtsbesluit dient te worden ingediend. Verder staat in artikel 43, derde lid, van de AMBV opgenomen dat indien de betrokken persoon zijn of haar recht om opschortende werking te verzoeken niet heeft uitgeoefend, het beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit de uitvoering daarvan niet opschort. In artikel 46, eerste lid, van de AMBV is geregeld dat de overdrachtstermijn zes maanden bedraagt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de AMBV.
6.4.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of een beroep tegen een overdrachtsbesluit alleen opschortende werking heeft als het verzoek om opschortende werking gelijktijdig is ingediend met het beroep of dat ook een later ingediend verzoek deze opschortende werking in het leven kan roepen, als dat verzoek wordt ingewilligd. De rechtbank stelt vast dat in de AMBV niet is voorzien in een regeling die gevolgen toekent aan een niet gelijktijdig, maar wel ingewilligd verzoek om opschortende werking.
6.5.
Uit de bepaling dat een dergelijk verzoek direct met het beroep moet worden ingediend, zou kunnen worden opgemaakt dat alleen een verzoek om opschortende werking dat direct met het beroep wordt ingediend zorgt voor opschortende werking van het overdrachtsbesluit en dat latere verzoeken om de overdracht gedurende het beroep te verbieden dat specifieke rechtsgevolg niet hebben, ook niet als ze ingewilligd worden.
6.6.
De rechtbank wordt gesterkt in dit vermoeden door de uitspraken van het Hof van 30 maart 2023 (Voetnoot 6), 22 september 2022 (Voetnoot 7) en 13 september 2017 (Voetnoot 8). Deze arresten zien weliswaar op de Dublinverordening, maar aangezien veel van de principes van de Dublinverordening over zijn gegaan in de AMBV, kunnen deze arresten ook dienen om de AMBV uit te leggen. In deze arresten heeft het Hof overwogen dat een van de doelstellingen van de Dublinverordening is om snel vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit neemt volgens het Hof echter niet weg dat de Uniewetgever de rechtsbescherming van personen die om internationale bescherming verzoeken niet heeft willen opofferen aan het vereiste dat hun verzoek snel wordt afgehandeld, en dat hij ter waarborging van die bescherming heeft bepaald dat de uitvoering van die besluiten in bepaalde gevallen kan worden opgeschort. (Voetnoot 9) Om de snelle vaststelling te waarborgen heeft de Uniewetgever dwingende termijnen vastgesteld voor over- en terugnameprocedures. Deze termijnen dragen op doorslaggevende wijze bij tot de verwezenlijking van het doel om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen. Om dit doel van een snelle behandeling niet te ondermijnen, heeft de Uniewetgever in de Dublinverordening mogelijk gemaakt dat in een voorkomend geval het verzoek om internationale bescherming door een andere lidstaat moet worden behandeld dan die welke verantwoordelijk is. (Voetnoot 10)
6.7.
Door op te nemen dat indien de overdrachtstermijn is verlopen, de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat, heeft de Uniewetgever gepoogd te waarborgen dat de behandeling van verzoeken om internationale bescherming geen onnodige vertraging oploopt. (Voetnoot 11) Het Hof heeft verder geoordeeld dat een uit het nationale recht voortvloeiende opschorting van de uitvoering van een overdrachtsbesluit niet tot opschorting of stuiting van de overdrachtstermijn leidt. (Voetnoot 12) Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, die regelde wanneer de verantwoordelijkheid van een lidstaat om de vreemdeling over of terug te nemen kwam te vervallen, zag volgens het Hof niet op een stuiting of onderbreking van de overdrachtstermijn, maar op een onderbreking van de uitvoering daarvan. Het verlengen van de overdrachtstermijn is volgens het Hof uitzonderlijk van aard en dient strikt te worden uitgelegd. (Voetnoot 13)
6.8.
De rechtbank stelt vast dat de AMBV eveneens als doelstelling heeft om snel vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is. (Voetnoot 14) Verder zijn ook in de AMBV dwingende termijnen opgenomen voor over- en terugnameprocedures en is mogelijk gemaakt dat in een voorkomend geval het verzoek om internationale bescherming door een andere lidstaat moet worden behandeld dan die welke verantwoordelijk is. De rechtbank leidt hieruit af dat de Uniewetgever ook met de AMBV ‘snelheid, maar zonder afbreuk te doen aan de grondrechten’ heeft beoogd.
6.9.
De rechtbank maakt uit bovengenoemde arresten op dat het mogelijk is dat een uit het nationale recht voortvloeiende opschorting van de uitvoering weliswaar de uitvoering van een overdrachtsbesluit belet maar niet de overdrachtstermijn opschort. Dit betekent dus dat in het geval van een toegewezen voorlopige voorziening niet op de door de AMBV voorgeschreven wijze is ingediend, wél de uitvoering zou kunnen worden opgeschort maar níet de overdrachtstermijn. De rechtbank overweegt hierbij dat indien een niet gelijktijdig ingediend, maar wel ingewilligd, verzoek om opschorting wel de overdrachtstermijn zou opschorten, betekent dat het onzeker is wanneer de termijn waarbinnen de overdracht kan worden uitgevoerd aanvangt en dat de termijn tussen het instellen van het rechtsmiddel en het afronden van de procedure een maximale duur kent. De rechtbank lijkt dit niet verenigbaar met de wens van de Uniewetgever zoals deze blijkt uit de punten 37 en 64 van de considerans de AMBV.
6.10.
De rechtbank vraagt zich echter af of de uitleg die het Hof eerder in de hierboven genoemde arresten heeft gegeven naar analogie van toepassing is op de AMBV. De rechtbank ziet namelijk een tekstueel verschil tussen de artikelen 27, eerste tot en met het vierde lid en artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening enerzijds en de artikelen 43, eerste tot en met het derde lid, en 46, eerste en tweede lid, van de AMBV anderzijds. De opties die artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening geeft om de overdrachtstermijn middels het nationale recht op te schorten, worden niet geboden door artikel 43, derde lid, van de AMBV. Het grootste verschil is dat de AMBV lidstaten nu de optie geeft alleen een overdrachtsbesluit op te schorten wanneer het verzoek om een voorlopige voorziening tegelijk met het beroep wordt ingediend. Indien de vreemdeling zijn recht om opschortende werking niet heeft uitgeoefend, en dus geen voorlopige voorziening heeft ingediend, wordt de overdrachtstermijn niet opgeschort. De rechtbank ziet hiermee dus een verschil met het automatisch opschorten van de overdrachtstermijn of de overdrachtstermijn op te schorten op verzoek van de vreemdeling zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, onder b en c, van de Dublinverordening. Ook het ambtshalve opschorten van het overdrachtsbesluit door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat zoals bedoeld in artikel 27, vierde lid, van de Dublinverordening lijkt niet te zijn overgenomen in artikel 43, derde lid, of artikel 46, tweede lid, van de AMBV.
6.11.
Tegelijkertijd zou een lezing als in rechtsoverweging 6.9 rechtsmisbruik in de hand kunnen werken. Immers een vreemdeling kan wachten met het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening om op die manier de opschortende werking met betrekking tot de overdrachtstermijn niet te activeren. Daarnaast zou dit ‘forumshopping’ in de hand kunnen werken, omdat de overdrachtstermijn op deze manier niet wordt opgeschort waardoor de overdragende lidstaat verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling zoals bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, van de AMBV. Hiermee kunnen uiteindelijk de doelstellingen van de AMBV zoals bedoeld in Deel II, Hoofdstuk I van de AMBV illusoir gemaakt worden. De rechtbank merkt hierbij wel op dat dit, waarschijnlijk, maar in beperkte mate het geval zal zijn indien de overige termijnen uit de AMBV in acht worden genomen. (Voetnoot 15)
6.12.
De rechtbank is van oordeel dat zij de vraag of de overdrachtstermijn inmiddels is verstreken niet direct kan beantwoorden. De rechtbank acht een nadere verduidelijking van het Unierecht noodzakelijk om uitspraak te kunnen doen. De rechtbank wendt zich dan ook tot het Hof met het verzoek de navolgende prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden:
1. Dient artikel 43, derde lid, van de AMBV zo gelezen te worden dat indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep moet worden ingediend, alléén aan een gelijktijdig ingediende en vervolgens toegewezen verzoek opschortende werking toekomt aan de overdrachtstermijn en dat aan een later ingediend en vervolgens toegewezen verzoek dergelijke opschortende werking niet toekomt?
6.13.
De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof iedere verdere beslissing aan.
Beslissing
- verzoekt het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vraag:
1. Dient artikel 43, derde lid, van de AMBV zo gelezen te worden dat indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep moet worden ingediend, alléén aan een gelijktijdig ingediende en vervolgens toegewezen verzoek opschortende werking toekomt aan de overdrachtstermijn en dat aan een later ingediend en vervolgens toegewezen verzoek dergelijke opschortende werking niet toekomt?
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze verwijzigingsuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Tegen deze verwijzingsuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.