Vreemdelingenrecht
Griffierecht niet betaald – verzoek niet-ontvankelijk.
Rechtbank Den Haag, 12 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:11648 · Rechtbank Den Haag · 12 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-11648
Zaakgegevens
Op 12 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 12 mei 2026
- Datum publicatie
- 13 mei 2026
- Zaaknummer
- NL26.16354
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11648
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Griffierecht niet betaald – verzoek niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16354
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 januari 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van verzoekster ingetrokken met terugwerkende kracht tot 6 juni 2026, bepaald dat verzoekster binnen vier weken terug dient te keren naar haar land van herkomst en aan haar een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Bij besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
-
Iemand die verzoekt om een voorlopige voorziening, moet op grond van artikel 8:82 en artikel 8:41, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.
-
De griffier heeft op 28 maart 2026 een aangetekende nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van verzoekster, waarmee verzoekster in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van die brief te betalen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.
3. Het griffierecht is niet binnen de voornoemde termijn ontvangen door de rechtbank. Verzoekster heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim.
4. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.