Vreemdelingenrecht
Beëindiging opvang COa, rechtbank bevoegd, eiser heeft niet voldaan aan tweewekelijkse meldplicht…
Rechtbank Den Haag, 6 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17979 · Rechtbank Den Haag · 6 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-17979
Zaakgegevens
Op 6 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 mei 2026
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- AWB 25/20683
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17979
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging opvang COa, rechtbank bevoegd, eiser heeft niet voldaan aan tweewekelijkse meldplicht, beëindiging niet onevenredig, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/20683
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COA
(gemachtigde: mr. A. van Beurden).
Inleiding en procesverloop
Op 26 augustus 2025 is mondeling aan eiser medegedeeld dat hij uit het COA-systeem is verwijderd en dat zijn opvang is beëindigd.
Bij e-mailbericht van 27 augustus 2025 heeft eiser, voor zover hier van belang, gesteld dat dit ten onrechte is gebeurd en heeft hij het COA om opvang verzocht.
Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het COA dit verzoek afgewezen.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Arpat als tolk en de gemachtigde van het COA.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek om opvang aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het griffierecht. Hij heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent eiser daarom (definitief) vrijstelling.
Waar gaat het geschil over?
5. Het COA heeft de opvang (en verstrekkingen) van eiser beëindigd, omdat hij een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gekregen en niet heeft voldaan aan de verplichting in artikel 12, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) om zich tweewekelijks bij het COA te melden en instemming te verkrijgen (de tweewekelijkse meldplicht).
6. Eiser voert aan dat het COA de beëindiging van de opvang niet mondeling had mogen mededelen, maar in een schriftelijk besluit had moeten opnemen. Het COA heeft op 24 oktober 2025 alsnog een schriftelijk besluit genomen, maar daarin heeft het COA onvoldoende gemotiveerd waarom de opvang is beëindigd. Eiser heeft zich weliswaar niet gemeld op 19 augustus 2025, maar dat was eenmalig. Uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva volgt dat het moet gaan om twee opeenvolgende keren. Ook wist het COA waar hij verbleef en was er contact. Volgens eiser is de beëindiging ook onevenredig, omdat hij hierdoor van de huisvestingslijst van de gemeente [plaats] is gehaald. Dit staat ook zijn inburgering in de weg. De relatie met zijn vriendin is geëindigd en het wordt steeds moeilijker onderdak te vinden bij vrienden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. Het COA heeft aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de beëindiging van de opvang, omdat de opvang op grond van artikel 44, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) van rechtswege is geëindigd.
Bij het beoordelen van het verzoek om opvang van eiser moet naar het oordeel van de rechtbank in dit geval eerst worden bezien of het COA de opvang rechtmatig heeft beëindigd. De rechtbank passeert dan ook het bevoegdheidsverweer van het COA en verwijst hierbij naar haar uitspraak van 30 juni 2023.
8. De rechtbank constateert dat het COA op 24 oktober 2025 een schriftelijk besluit heeft genomen, waarin ook de motivering voor de beëindiging van de opvang is vervat. Het COA heeft de opvang beëindigd omdat eiser niet aan de tweewekelijkse meldplicht heeft voldaan.
Niet in geschil is dat eiser zich niet steeds aan de tweewekelijkse meldplicht heeft gehouden. Hij had zich namelijk op 19 augustus 2025 moeten melden, maar heeft dat niet gedaan. Ook bij eerdere gelegenheden heeft hij zich niet aan de tweewekelijkse meldplicht gehouden, zo volgt uit de stukken.
Het betoog van eiser dat het COA de opvang alleen mag beëindigen als hij zich twee opeenvolgende keren niet aan de tweewekelijkse meldplicht heeft gehouden, slaagt niet. Weliswaar volgt uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva dat het COA de verstrekkingen kan intrekken als de asielzoeker twee opeenvolgende keren niet aan de verplichtingen heeft voldaan, maar in het geval van eiser is een andere bepaling van toepassing, namelijk artikel 12, tweede lid, van de Rva, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder l, van de Rva.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Uit artikel 44, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van rechtswege de beëindiging van opvang tot gevolg heeft. Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder l, van de Rva volgt dat als niet is voldaan aan de tweewekelijkse meldplicht, de opvang wordt beëindigd. Niet in geschil is dat eiser een statushouder is en de rechtbank heeft hiervóór al geoordeeld dat hij zich niet aan zijn tweewekelijkse meldplicht heeft voldaan, terwijl hij daartoe wel gehouden was. Dat het COA de opvang desondanks niet heeft mogen beëindigen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank begrijpt dat de besluitvorming tot gevolg heeft dat de gemeente eiser van de huisvestingslijst heeft gehaald en dat het voor hem, ook door het stranden van zijn relatie, lastiger is geworden om nu onderdak te krijgen, maar dat is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel. Datzelfde geldt voor de overige omstandigheden die eiser heeft aangevoerd.
De opvang is terecht beëindigd. De beroepsgronden slagen niet.
9. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het niet opnieuw verstrekken van opvang.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.