Vreemdelingenrecht

Beroep tegen inreisverbod, beroep ongegrond. Terugkeerbesluit ligt niet ter beoordeling voor – besluit…

Rechtbank Den Haag, 3 juli 2026

Zaakgegevens

Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 juli 2026
Datum publicatie
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.5395
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21166
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen inreisverbod, beroep ongegrond. Terugkeerbesluit ligt niet ter beoordeling voor – besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd – verklaringen 8 EVRM betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.5395


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het aan haar uitgevaardigde inreisverbod.

1.1.

Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

1.2.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en heeft

gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Overwegingen

2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 en de Colombiaanse nationaliteit te hebben.

3. Op 1 april 2025 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Vervolgens heeft verweerder op 2 februari 2026 een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiseres uitgevaardigd, omdat zij niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn Nederland heeft verlaten.

Wat vindt eiseres in beroep?

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Eiseres voert aan dat het inreisverbod niet kan worden uitgevaardigd, omdat de grondslag van het inreisverbod is ontvallen, omdat in het terugkeerbesluit niet is getoetst aan het beginsel van non-refoulement. Daarnaast is het inreisverbod in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat verweerder niet aan eiseres duidelijk heeft gemaakt dat het mogelijk is om een inreisverbod van een kortere duur op te leggen en niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. Voor zover eiseres met het beroep heeft beoogd om het terugkeerbesluit van 1 april 2025 te bestrijden, overweegt de rechtbank dat dit in de huidige procedure niet ter beoordeling voor ligt.

6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en voldoende heeft gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd waarom verweerder in dit geval niet hoefde af te zien van het opleggen van een inreisverbod aan eiseres en waarom hij geen inreisverbod voor een kortere duur heeft opgelegd. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM, omdat verweerder de verklaringen van eiseres in dit kader wel degelijk heeft betrokken. Zo heeft verweerder betrokken dat eiseres tijdens het gehoor op 2 februari 2026 heeft verklaard dat zij geen familie heeft in Nederland en dat zij haar familie in Spanje nooit bezoekt. Ook heeft verweerder meegewogen dat eiseres heeft aangegeven dat zij terug wil naar haar familie in Colombia en dat het geen probleem is als een inreisverbod wordt opgelegd. De enkele stelling van eiseres dat verweerder niet duidelijk zou hebben gemaakt aan eiseres dat het ook mogelijk is om een inreisverbod met een kortere duur op te leggen, is geen reden voor een andere conclusie.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond en het uitgevaardigde inreisverbod blijft in stand.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.F. Elzenaar, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Op grond van artikel 66a, eerste lid onder a van de Vw.