Vreemdelingenrecht
Beroep tegen inreisverbod, beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen. De rechtbank is van…
Rechtbank Den Haag, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21168 · Rechtbank Den Haag · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21168
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 29 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.51722
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21168
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen inreisverbod, beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder is namelijk onvoldoende ingegaan op de door eiseres aangevoerde omstandigheden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft zich in het verweerschrift namelijk op het standpunt mogen stellen dat de stellingen van eiseres dat zij een relatie en bedrijf heeft niet maken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat zij deze stellingen niet verder (met stukken) heeft onderbouwd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51722
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het aan haar uitgevaardigde inreisverbod.
Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiseres heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en heeft
gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Overwegingen
2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995 en de Turkse nationaliteit te hebben.
3. Op 23 mei 2024 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Vervolgens heeft verweerder op 20 oktober 2025 een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiseres uitgevaardigd, omdat zij niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn Nederland heeft verlaten.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Eiseres voert aan dat het inreisverbod in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat verweerder niet alle relevante omstandigheden kenbaar heeft meegewogen. Verweerder stelt ten onrechte dat eiseres geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij een relatie heeft met een Nederlandse man, binnenkort gaat trouwen, een procedure heeft gestart om te kunnen verblijven bij haar partner en een bedrijf heeft in Amsterdam.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder is namelijk onvoldoende ingegaan op de door eiseres aangevoerde omstandigheden. Hierbij is van belang dat eiseres in het gehoor heeft verklaard dat zij een relatie heeft met iemand die in Nederland woont en van plan is om met hem te gaan trouwen. Ook heeft eiseres verklaard dat zij een bedrijf heeft in Nederland. Verweerder heeft in het bestreden besluit alleen opgenomen dat door eiseres geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en dat voorts niet is gebleken dat moet worden afgezien van het opleggen van het besluit.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft zich in het verweerschrift namelijk op het standpunt mogen stellen dat de stellingen van eiseres dat zij een relatie en bedrijf heeft niet maken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat zij deze stellingen niet verder (met stukken) heeft onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand laten.
8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.