Vreemdelingenrecht

Kennisgeving artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vw. Eiseres heeft geen…

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40070
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21238
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kennisgeving artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vw. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank is, ambtshalve toetsend, van oordeel dat de toegangsweigering rechtmatig is en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen of het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig was. Beroepen ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.40070


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Gavami),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.


Procesverloop

2. Bij besluit van 15 juli 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiseres op grond van de artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode de toegang tot Nederland geweigerd. Bij afzonderlijk besluit van 16 juli 2026 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiseres de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep, en wordt geacht mede een beroep tegen de toegangsweigering te omvatten. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. B. Snoeij, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen J.M. van der Boom. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek na de inhoudelijke behandeling geschorst, om de gemachtigde van de minister in de gelegenheid te stellen om diezelfde dag vóór het middaguur het digitale dossier aan te vullen met de ontbrekende stukken. De minister heeft de ontbrekende stukken tijdig aan het digitale dossier toegevoegd. Vervolgens is het onderzoek, met toestemming van partijen, zonder nadere zitting gesloten.

Overwegingen

3. Eiseres heeft de Comorese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1994.

4. De rechtbank heeft op de zitting ambtshalve opgemerkt dat zich in het dossier geen ondertekende vrijheidsontnemende maatregel bevond en dat ook de informatiefolder in de Franse taal ontbrak. Ter zitting heeft de minister verklaard dat deze stukken wel aanwezig zijn. De rechtbank heeft de minister vervolgens – met instemming van partijen – in de gelegenheid gesteld het dossier te completeren.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat met de ontbrekende stukken die zijn toegevoegd aan het digitale dossier de vrijheidsontnemende maatregel rechtsgeldig is ondertekend en dat deze maatregel ook aan eiseres, door middel van een informatiefolder in de Franse taal, is uitgereikt.

5. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank is, ambtshalve toetsend, van oordeel dat de toegangsweigering rechtmatig is en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen of het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Verordening (EU) 2016/399. Dit volgt uit artikel 94, tweede lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.