Vreemdelingenrecht
Vovo terugkeervisum Suriname, geen spoedeisend belang, afgewezen.
Rechtbank Den Haag, 29 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21249 · Rechtbank Den Haag · 29 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21249
Zaakgegevens
Op 29 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.42221.
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21249
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo terugkeervisum Suriname, geen spoedeisend belang, afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.42221
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster],
geboren op [geboortedag] 1969, met de Surinaamse nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Augustinus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
Verweerder heeft op 27 juli 2026 geweigerd aan verzoekster een terugkeervisum af te geven. Verzoekster heeft tegen deze weigering bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft hangende dit bezwaar de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij wordt behandeld als ware zij in het bezit van een terugkeervisum.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Gelet op de door verzoekster gestelde onverwijlde spoed doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Achtergrond en totstandkoming van het besluit
2. Verweerder heeft op 26 augustus 2025 de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden niet in behandeling genomen. Verzoekster heeft op 17 september 2025 bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Dat bezwaar is op 10 juni 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Blijkens dat besluit mag verzoekster eventueel beroep niet in Nederland afwachten. Verzoekster is op 29 juni 2026 in beroep gegaan tegen dat besluit en heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze zijn nog in behandeling bij de rechtbank.
3. Op 27 juli 2026 heeft verweerder geweigerd aan verzoekster een terugkeervisum af te geven. Verzoekster heeft verklaard dat zij naar Suriname moet om de begrafenis van haar overleden moeder aanwezig te zijn. De moeder van verzoekster wordt op [datum] 2026 begraven. Het terugkeervisum heeft zij nodig om daarna weer terug te kunnen keren naar Nederland. Verweerder heeft geweigerd verzoekster een terugkeervisum te geven. Verzoekster heeft tegen deze weigering bezwaar gemaakt en haar verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Is er voldaan aan het connexiteitsvereiste?
4. Een verzoek om voorlopige voorziening moet voldoen aan het vereiste van connexiteit. Dit betekent dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan hangende een bezwaar – of beroepsprocedure tegen een besluit en dat wat verzoekster met haar verzoek wil bereiken betrekking moet hebben op de inhoud van dat besluit.
De voorzieningenrechter stelt in onderhavige zaak vast dat sprake is van een connexe procedure zodat wordt voldaan aan het vereiste van connexiteit. Verzoekster heeft tegen het afwijzende besluit van 27 juli 2026 namelijk bezwaar ingediend.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. Verzoekster voert in dit kader aan dat het spoedeisend belang daarin is gelegen dat zij zonder een snelle beslissing niet bij de begrafenis van haar moeder aanwezig kan zijn. De begrafenis is op [datum] 2026 en zij dient daarvoor naar Paramaribo te reizen. De reisduur, vluchtboeking, betaling van de leges en het aanbrengen van het visum kosten tijd waardoor niet tot de laatste dag kan worden gewacht. Indien het verzoek niet spoedig wordt behandeld kan zij daarom de begrafenis niet bijwonen en het bijwonen van de begrafenis van een ouder is eenmalig en onherhaalbaar.
7. De voorzieningenrechter volgt verweerder dat het verzochte terugkeervisum niet in de weg staat aan de mogelijkheid om tijdig aanwezig te zijn bij de begrafenis. Verzoekster kan namelijk zonder terugkeervisum naar Suriname afreizen. Voorzover verzoekster heeft trachten te betogen dat de spoedeisendheid is gelegen in een spoedige terugkeer naar Nederland, heeft zij dit belang niet nader toegelicht. In de door verzoekster in haar verblijfsprocedure (zie r.o. 2) ingediende gronden heeft de rechtbank evenmin omstandigheden kunnen aantreffen waarin het spoedeisend belang van terugkeer naar Nederland gelegen zou kunnen liggen. Nu niet is gebleken van onverwijlde spoed zal het verzoek worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: