Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4520

Op 5 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.12928, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4520. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.12928
Datum uitspraak:
5 March 2026
Datum publicatie:
6 March 2026

Indicatie

Verblijfsvergunning regulier, 8 EVRM, Suriname, vrijstelling mvv-vereiste op medische gronden, familie- en gezinsleven, bijkomende elementen van afhankelijkheid, privéleven, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.12928

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walther),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: J.A.A. Willems).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij mevrouw [referent] (referent). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat de afwijzing van de aanvraag van eiser in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser krijgt dus gelijk in deze procedure. Dit oordeel betekent echter niet dat eiser nu een vergunning krijgt; de minister moet een nieuwe beoordeling maken. Hierna legt de rechtbank precies uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Referent is de tante van eiser en heeft een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Eiser heeft op 3 november 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel om bij referent te verblijven.

4. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 2 januari 2024 afgewezen. Met het besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

6. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, referent en de gemachtigde van de minister. Ook waren de drie dochters van referent aanwezig.

7. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

8. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Gelet op het in beroep overgelegde formulier ziet de rechtbank aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft daarom geen griffierecht te betalen.

Het bestreden besluit

9. De minister legt aan de afwijzing van de aanvraag van eiser het volgende ten grondslag. Eiser heeft geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en eiser komt volgens de minister niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Hiertoe overweegt de minister dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid omtrent pleegkinderen (Voetnoot 1) en dat niet is gebleken dat er aanleiding is om eiser vanwege zijn gezondheidssituatie vrij te stellen van het mvv-vereiste. Ook is volgens de minister de hardheidsclausule niet van toepassing op de situatie van eiser.

10. Verder heeft de minister aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, zodat hij ook niet om die reden in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Hoewel eiser en referent hun familierechtelijke relatie hebben aangetoond, overweegt de minister dat er tussen hen geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tussen eiser en referent is volgens de minister namelijk geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. In dit kader werpt de minister tegen dat referent al in juli 2021 naar Nederland is gekomen en eiser pas op 15 september 2022. In de tussenliggende periode woonden zij dus niet samen. Ook ten aanzien van de periode vóór 2021 overweegt de minister dat niet is aangetoond dat eiser en referent een hechte gezinsband hadden. Zij woonden immers niet structureel samen en zij hebben niet aangetoond dat eiser werd opgevoed door referent of dat de band tussen eiser en referent sterker was dan de band tussen eiser en zijn moeder en broer. Bovendien had referent een eigen gezinsleven met haar partner en haar dochters, onafhankelijk van eiser. Ook financiële afhankelijkheid acht de minister onvoldoende aangetoond zowel voor de periode in Suriname als voor de periode in Nederland. Tenslotte is de minister van mening dat eiser als meerderjarige oud genoeg is om voor zichzelf te zorgen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij specifieke zorg nodig heeft en dat hij daarvoor afhankelijk zou zijn van referent. Ook de enkele stelling dat eiser nog veel sturing en begeleiding nodig heeft, is niet onderbouwd met medische of sociale rapportages en is daarom onvoldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. De minister concludeert dat er tussen eiser en referent geen sprake is van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft in dit kader daarom geen belangenafweging gemaakt.

11. Ten slotte is de minister van oordeel dat uitzetting van eiser ook niet in strijd is met het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Hoewel de minister aanneemt dat eiser privéleven heeft opgebouwd in Nederland, valt de door de minister gemaakte belangenafweging in het nadeel van eiser uit. Gelet op het voorgaande, concludeert de minister dat er geen reden is om aan eiser een verblijfsvergunning te geven en dat dit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank

12. Het is niet tussen partijen in geschil dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. Aan de orde is de vraag of eiser van het mvv-vereiste vrijgesteld had moeten worden.

Vrijstelling mvv-vereiste op medische grond

13. Eiser voert aan dat hij vrijstelling van het mvv-vereiste zou moeten krijgen om medische redenen. Eiser ervaart psychische klachten als gevolg van traumatische ervaringen tijdens zijn turbulente en onveilige jeugd in Suriname. Eiser kan echter nog geen bewijs overleggen van een behandeling, omdat hij nog niet verzekerd is in Nederland. Wel heeft eiser in beroep een uitdraai van het huisartsjournaal van 26 november 2025, een brief van het schakelteam [plaats 1] van 22 oktober 2025 en een brief van het wijkteam [plaats 1] van 16 september 2025 overgelegd.

14. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden. (Voetnoot 2) De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiser tijdens de hoorzitting verklaarde dat het goed gaat met zijn gezondheid en dat er ten tijde van het bestreden besluit geen medische informatie was overgelegd, waardoor ook geen aanleiding bestond voor een onderzoek door Bureau Medische Advisering (BMA). De stukken die eiser in beroep heeft overgelegd, hebben (gedeeltelijk) betrekking op de medische situatie van eiser ná het bestreden besluit. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geheel onmogelijk was om vóór het betreden besluit (een begin van) bewijs van zijn medische omstandigheden te overleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen in afwachting van een medisch advies. De beroepsgrond slaagt niet.

Vrijstelling mvv-vereiste vanwege schending met artikel 8 van het EVRM

15. Verder is in geschil of eiser van het mvv-vereiste vrijgesteld had moeten worden omdat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. (Voetnoot 3) De rechtbank bespreekt dat hieronder afzonderlijk voor het privéleven en het familie- en gezinsleven van eiser.

Privéleven

16. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uitzetting niet in strijd is met het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser betoogt dat hij inmiddels volledig geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving. Hij volgt een opleiding en wil daarna werken in de ouderenzorg, waarmee hij een positieve bijdrage zal leveren aan de Nederlandse maatschappij. De minister heeft de belangenafweging in het kader van privéleven ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Dit betekent dat de minister eiser ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste.

17. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uitzetting niet in strijd is met het recht op respect voor privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft aangenomen dat eiser privéleven heeft opgebouwd in Nederland, maar heeft geconcludeerd dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan eisers belang. De minister heeft in het kader van deze belangenafweging van belang mogen vinden dat eiser sinds 15 september 2022 in Nederland is, maar dat hij nooit een verblijfsvergunning heeft gehad. De minister heeft verder terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiser een opleiding volgt en stage heeft gelopen, maar de minister heeft niet ten onrechte overwogen dat dit inherent is aan een langer verblijf in Nederland. Verder heeft de minister terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiser als minderjarige naar Nederland is gekomen en op het moment van het besluit op de aanvraag jongvolwassen was. Ten slotte heeft de minister in het nadeel van eiser mogen meewegen dat er geen objectieve belemmeringen zijn die maken dat eiser niet in Suriname kan wonen, dat eiser inmiddels meerderjarig is en dat er vanuit mag worden gegaan dat eiser ook in Suriname nog privéleven heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Familie- en gezinsleven

18. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en referent een familierechtelijke relatie hebben. Referent is de tante van eiser. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er tussen hen sprake is van beschermenswaardig familieleven.

19. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiser en referent geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser meent dat er, anders dan de minister stelt, wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en referent. Eiser betoogt dat referent al sinds zijn geboorte betrokken was bij zijn opvoeding. Eiser heeft zijn vader nooit gekend en zijn moeder was niet in staat om voor hem te zorgen vanwege psychische en lichamelijke problemen. Referent nam daarom de moederrol op zich en nam eiser bij haar in huis. Van zijn vierde tot zijn negende verbleef eiser in een kindertehuis. Ook gedurende deze periode bleef referent eiser bezoeken, voorzag zij hem van kleding en schoolspullen en tijdens schoolvakanties logeerde eiser bij haar. Na de jaren in het kindertehuis woonde eiser officieel bij zijn biologische moeder, maar in de praktijk verbleef hij veel bij referent. Eiser was niet veilig bij zijn moeder vanwege haar psychische problemen en haar gewelddadige partner. In 2021 vertrok referent naar Nederland. Eiser bleef achter met de dochters van referent, maar onderhield nauw contact met referent en bleef afhankelijk van haar financiële steun. Op 15 september 2022 is eiser, samen met de dochters van referent, naar Nederland gekomen om bij referent te wonen. Eiser is zowel in Suriname als in Nederland altijd volledig afhankelijk geweest van de financiële steun van referent. Naast de samenwoning en de financiële steun, heeft de minister ook de emotionele afhankelijkheid tussen eiser en referent onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken. Dit betekent dat de minister eiser ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste.

20. Ter onderbouwing van het bovenstaande heeft eiser onder meer de volgende stukken overgelegd:

een notariële akte van 31 oktober 2023 getiteld ‘voogdij volmacht’ waaruit blijkt dat eisers moeder instemt met zijn verblijf bij referent;

schriftelijke verklaringen van [persoon1] , [persoon2] en [persoon3] (de dochters van referent) van februari 2024 waarin zij bevestigen dat eiser altijd onderdeel van hun gezin is geweest;

schriftelijke verklaring van 2 februari 2024 van familielid [persoon4] waarin zij de hechte band tussen eiser en referent beschrijft;

brief van 22 januari 2025 van de directie van het kindertehuis [naam] in Suriname waarin wordt bevestigd dat eiser, samen met zijn broer, vanaf augustus 2009 tot augustus 2014 in het kindertehuis woonde en gedurende die periode door referent werd bezocht en (financieel) ondersteund en waarin is vermeld dat referent in 2014 heeft gevraagd ‘om de jongens bij haar te houden’;

brief van 11 november 2025 van de directeur van kindertehuis [naam] , mw. [persoon5] , waarin wordt bevestigd dat eiser, vanaf augustus 2009 tot augustus 2014 woonde in de [naam] aan de [adres] te [plaats 2] , Suriname;

uittreksel uit het Handelsregister van [plaats 2] , Suriname, van 10 juli 2025 waarin [persoon5] als voorzitter van de [naam] te [plaats 2] is vermeld;

verklaring van de Surinaamse politie van 28 oktober 2025 waarin is vermeld dat de moeder van eiser aangifte tegen haar partner heeft gedaan ter zake mishandeling en bedreiging;

betalingsbewijzen waaruit volgt dat referent het NS abonnement voor eiser betaalt en het zomerkamp voor eiser betaald heeft;

WhatsApp-gesprekken, onder andere tussen eiser en referent, en tussen leerkrachten van eiser en referent over school-gerelateerde zaken;

bankafschriften van eiser over de periode maart tot oktober 2025;

betaalbewijzen van overboekingen tussen Nederland en Suriname in 2022;

verklaring van MBO College [plaats 1] over de opleiding die eiser volgt;

foto’s van eiser samen met referent en haar dochters.

21. De rechtbank stelt voorop dat tussen meerderjarige familieleden sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid om familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het moet gaan om bijkomende elementen van afhankelijkheid die de normale emotionele banden overstijgen. (Voetnoot 4) Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat deze beoordeling van feitelijke aard is, waarbij de minister een brede beoordeling moet maken waarin hij alle individuele omstandigheden van de vreemdeling betrekt. (Voetnoot 5) Het is aan de betrokken vreemdeling om deze individuele omstandigheden te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen. De rechtbank dient het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en individuele omstandigheden volledig te toetsen. De minister heeft bij de weging van de aangevoerde elementen beoordelingsruimte en dus toetst de rechtbank dit terughoudend.

22. De rechtbank stelt vast dat eiser minderjarig was op het moment van de aanvraag, maar (net) meerderjarig ten tijde van het besluit op de aanvraag. Tussen partijen is niet in geschil dat het peilmoment voor de beoordeling van het familieleven het moment van het primaire besluit is, en dat de jonge leeftijd van eiser betrokken moet worden bij de beoordeling.

23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit niet op het standpunt kunnen stellen dat tussen eiser en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en daarmee van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank legt dat hierna uit.

23.1.

De minister heeft niet aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet heeft aangetoond waar hij voor zijn komst naar Nederland heeft gewoond. Ook mocht de minister niet stellen dat de daartoe overgelegde stukken geen objectiveerbare bewijsstukken zijn en dat daarom geen waarde kan worden gehecht aan deze documenten. De minister dient alle feiten en omstandigheden, waaronder begrepen informele en officiële documenten, in samenhang te beoordelen. Ten aanzien van de verklaring van de directie van het kindertehuis overweegt de rechtbank als volgt. Dat referent bij de zorg voor eiser betrokken bleef toen hij in een kindertehuis woonde, wordt met de brief van het kindertehuis onderbouwd. Eiser heeft in beroep een verklaring gegeven voor de omstandigheid dat referent eerst (tijdens de hoorzitting) verklaarde niet aan bewijsstukken van het kindertehuis te kunnen komen, maar na de hoorzitting alsnog een brief heeft overgelegd. Eiser stelt in dit verband dat het kindertehuis inmiddels geprofessionaliseerd is en een deugdelijke administratie heeft. De huidige directrice, schrijver van de brief, is de dochter van de toenmalige directrice. Zij was destijds ook al bij het kindertehuis betrokken toen eiser daar werd opgevangen. Zij wist dus van de situatie van eiser. De data heeft zij onder meer kunnen terughalen aan de hand van een oude schoolrapport van de broer van eiser (die gelijktijdig in het tehuis verbleef) waarop onder het kopje ‘gezien door de ouders’ de naam en handtekening van [persoon5] is vermeld. Daartegenover heeft verweerder niets gesteld dat afbreuk doet aan de inhoud van de verklaring en verweerder heeft de verklaring ook niet verder laten onderzoeken. Ten aanzien van de niet officieel geregelde voogdij overweegt de rechtbank als volgt. In dit specifieke geval werpt de minister ten onrechte aan eiser tegen dat de voogdij van referent over eiser nooit officieel is geregeld. Referent heeft hiervoor namelijk een verklaring gegeven die de rechtbank niet onaannemelijk acht in het licht van de situatie van de biologische moeder. Ter zitting verklaarde referent dat zij wel degelijk geprobeerd heeft om officieel voogd te worden, maar dat het moeilijk was doordat de moeder van eiser dan mee moest naar de notaris en zij haar afspraken nooit na kwam. Eenmaal in Nederland werd eiser al snel meerderjarig, waardoor het ook in Nederland niet meer gelukt is om voogdij officieel te regelen.

23.2.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat eiser zijn verklaring dat hij deel uitmaakte van het gezin van referent voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De stukken van het kindertehuis, de politieaangifte en de notariële akte, en de verklaringen van derden en de overige stukken - alle in samenhang bezien – onderbouwen dit. Alles in samenhang bezien biedt het dossier voldoende steun voor de verklaring van eiser dat hij de facto vanaf zijn vroege jeugd door referent werd opgevoed vanwege de psychische problemen van zijn biologische moeder en de onveilige thuissituatie, met uitzondering van een periode tussen zijn vierde en negende levensjaar toen hij in een kindertehuis verbleef. Vanaf zijn negende levensjaar woonde eiser officieel weer bij zijn biologische moeder maar verbleef hij feitelijk vrijwel de hele week bij referent die voor hem als primaire opvoeder en verzorger fungeerde en van wie hij afhankelijk was, ook in financieel opzicht. Vanuit het huis van referent ging hij naar school. De woning van referent was vlakbij het huis van eisers biologische moeder. Als eiser even bij zijn moeder thuis was ging hij meestal meteen weer terug. Referent is als een moeder voor eiser. Tijdens het verblijf van referent in Nederland vanaf juli 2021, is eiser in het gezin blijven wonen bij/met de oudste kinderen van referent. Uit de informatie van de huisarts, het wijkteam en van het schakelteam (Voetnoot 6) kan worden afgeleid dat eiser ondersteuning nodig heeft bij het opbouwen van sociale relaties en dat hij zich door ervaringen tijdens zijn jeugd in een psychisch kwetsbare positie bevindt die zijn dagelijks functioneren en welzijn beïnvloedt. In de brief van het wijkteam is vermeld dat referent daarin een centrale rol heeft.

23.3.

Gelet op het voorgaande en gelet op de (jongvolwassen) leeftijd van eiser, oordeelt de rechtbank dat de minister niet heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent. De minister heeft daarmee ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van familieleven tussen eiser en referent. De beroepsgrond slaagt.

24. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

25. De minister heeft in het bestreden besluit geen belangenafweging gemaakt omdat er volgens hem geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiser en referent. De rechtbank is hiervoor tot het oordeel gekomen dat die conclusie onjuist was. Daarom moet de minister een nieuw besluit nemen en hierbij, uitgaande van het bestaan van familieleven tussen eiser en referent, alsnog een belangenafweging maken en opnieuw beoordelen of eiser in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Dat betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand laat en dat de minister een nieuw besluit moet nemen.

Conclusie en gevolgen

26. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

27. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

28. Omdat de rechtbank het verzoek van eiser om te worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht heeft toegewezen, hoeft verweerder het griffierecht niet aan eiser te vergoeden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 februari 2025;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 5 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B7/3.7.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Voetnoot 2

Zie artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Voetnoot 3

Zie artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw jo. artikel 3.71, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Voetnoot 4

Zie onder meer de uitspraak van het EHRM van 2 september 2022, Azerkane tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816, nr. 64.

Voetnoot 5

Zie de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.

Voetnoot 6

Zie rechtsoverweging 13.