Vreemdelingenrecht
Artikel 56. Geen beroep tegen plaatsing. Recht op rechtsbijstand, zorgvuldigheid.
Rechtbank Den Haag, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21284 · Rechtbank Den Haag · 30 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21284
Zaakgegevens
Op 30 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.36306
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21284
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 56. Geen beroep tegen plaatsing. Recht op rechtsbijstand, zorgvuldigheid.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36306
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel) van 6 juni 2026 waarbij de minister aan eiser een maatregel van beperking van de vrijheid van beweging heeft opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De minister heeft eiser door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel verplicht om zich met ingang van 6 juni 2026 op te houden in een deel van de gemeente Hoogeveen, te weten binnen de op de bij het besluit gevoegde plattegrond aangegeven gebieden. Volgens de minister vordert het belang van de openbare orde het opleggen van de maatregel op grond van artikel 56 van de Vw. Ter zake wordt verwezen naar het plaatsingsbesluit van het COa van 6 juni 2026 en de incidenten die daarin zijn vermeld. De minister is niet gebleken van omstandigheden die in de weg staan aan het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel.
De oplegging van de bestreden maatregel hangt samen met het plaatsingsbesluit van het COa van 6 juni 2026 om eiser in de HTL te Hoogeveen te plaatsen. Dit zijn twee samenhangende, maar afzonderlijke besluiten. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit van het COa. Gelet hierop ligt de plaatsing van eiser in de HTL door het COa niet voor ter toetsing en gaat de rechtbank uit van de rechtmatigheid van dit besluit.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat de minister bij het nemen van het besluit onzorgvuldig heeft gehandeld. In het gehoor is aan eiser alleen meegedeeld dat het plan bestaat om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Vervolgens zijn twee vragen gesteld: of er medische redenen aan de kant van eiser dan wel persoonlijke of andere beletselen zijn die maken dat van het opleggen van de maatregel zou moeten worden afgezien. Eiser stelt zich op het standpunt dat door deze wijze van vragen stellen het voor hem niet duidelijk was wat de gevolgen waren van het door hem gegeven antwoord. Te meer nu direct na het antwoord al de beslissing kwam van de hoormedewerker. Eiser is verder vooraf niet gewezen op de mogelijkheid zich ter zake van dit gehoor te laten bijstaan door een advocaat, noch gewezen op het recht voorafgaand aan het gehoor met een advocaat te overleggen. Onder die omstandigheden is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en kan het niet in stand blijven.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. De grond slaagt niet. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiser is uitgelegd dat het voornemen bestaat om hem de vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en dat hij daarom gehoord wordt. In dit kader zijn twee vragen aan eiser gesteld en de minister heeft de medische en persoonlijke omstandigheden van eiser ook betrokken bij het opleggen van de maatregel. De rechtbank ziet niet in hoe deze werkwijze onzorgvuldig is. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de vragen onduidelijk waren voor eiser en evenmin is gebleken dat eiser niet de ruimte heeft gekregen om te kunnen verklaren. Van een onzorgvuldig voorbereid besluit is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake, te meer nu eiser ook in beroep niet concreet heeft kunnen maken op welk punt hij onvoldoende heeft kunnen verklaren of wat de minister ten onrechte niet heeft meegewogen.
Tot slot overweegt de rechtbank dat haar niet is gebleken van enige rechtsregel die de minister ertoe verplicht om eiser voorafgaand aan het gehoor te wijzen op eventuele rechtsbijstand. Dat dit niet is gebeurd, vormt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit hierom niet in stand kan blijven. Nu eiser ook daadwerkelijk in beroep is gegaan, is niet gebleken dat hij op enig moment is verstoken van zijn recht op gratis rechtsbijstand.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor en proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.