Vreemdelingenrecht
Asiel, einduitspraak na tussenuitspraak (zie ECLI:NL:RBDHA:2025:17124). Vwr heeft de in de tussenuitspraak…
Rechtbank Den Haag, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21633 · Rechtbank Den Haag · 10 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21633
Zaakgegevens
Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.16418
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21633
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel, einduitspraak na tussenuitspraak (zie ECLI:NL:RBDHA:2025:17124). Vwr heeft de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16418
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, aliassen: [alias 1] , [alias 2] en [alias 3] , hierna: eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2025 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens heeft verweerder bepaald dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend en dat hij geen uitstel van vertrek krijgt. Het besluit omvat een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Bij aanvullend besluit van 7 april 2025 heeft verweerder aangegeven dat bij het besluit van 3 april 2025 ook een terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd, maar dat uit het dossier van eiser is gebleken dat hij op 23 november 2020 al een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen, dat nog van toepassing is. Het terugkeerbesluit in het besluit van 3 april 2025 vervalt daarom.
De rechtbank duidt de besluiten van 3 april 2025 en 7 april 2025 hierna samen aan
als het bestreden besluit.
Eiser heeft beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, V. Sharma als tolk en de
gemachtigde van verweerder.
In de tussenuitspraak van 16 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder de geloofwaardigheid van eisers afvalligheid ten onrechte niet heeft beoordeeld.
Op 9 oktober 2025 heeft verweerder eiser aanvullend gehoord. Op 20 november 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen (hierna: aanvullend besluit). Op 8 december 2025 heeft eiser aanvullende gronden ingediend.
Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R.B. Raj. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De tussenuitspraak
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder ten
onrechte de afvalligheid van eiser niet als zelfstandig asielmotief heeft aangemerkt en de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid dus ten onrechte niet heeft beoordeeld.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiser tijdens de procedure van geloof is veranderd en zijn afvalligheid daarom geen apart proces is geweest en dat er een overlap is
geweest tussen de (gestelde) afvalligheid van de islam en de (gestelde) bekering tot het
christendom. Verweerder dient kenbaar te beoordelen of het geloofwaardig is dat eiser afvallig is en bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet verweerder onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, eiser na terugkeer naar Pakistan uiting wil geven aan zijn afvalligheid.
De door verweerder gegeven korte motivering op de zitting van 22 augustus 2025 ging volgens de rechtbank onvoldoende in op de concrete verklaringen van eiser over zijn (gestelde) afvalligheid en is onvoldoende om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiser tot het christendom is bekeerd.
Het aanvullend besluit
3. Op 9 oktober 2025 is eiser aanvullend gehoord over zijn afvalligheid. Bij het aanvullend besluit heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers afvalligheid beoordeeld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers afvalligheid niet geloofwaardig is. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen omdat (1) hij tegenstrijdig verklaart over wanneer hij van de islam is afgestapt, (2) hij wisselend verklaart over de redenen waarom hij aan de islam is gaan twijfelen, (3) hij wisselend verklaart over de reden waarom hij definitief van de islam is afgestapt, (4) hij wisselend verklaart over zijn onderzoek naar de islam, (5) hij tegenstrijdig verklaart over wanneer hij gestopt is met het praktiseren van de islam en (6) hij zijn afvalligheid niet actief praktiseert. Verder is er volgens verweerder ook geen sprake van toegedichte afvalligheid.
Gronden tegen het aanvullend besluit
4. Eiser voert aan dat het aanvullend besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Hij heeft verklaard dat hij de twijfels die hij had niet met anderen kon bespreken in Pakistan. Hij heeft geen afstand genomen van het geloof in Pakistan omdat dat niet kon. Wat de verwijzing naar het gehoor van januari 2023 betreft, merkt eiser op dat dat om een andere stap in zijn proces ging, namelijk de interactie met mensen die niet moslim zijn en de tegenstelling tussen wat eiser over non-moslims heeft geleerd en hoe non-moslims in werkelijkheid zijn. Dat was heel belangrijk voor hem, maar hij zei niet dat er helemaal geen twijfels waren bij hemzelf voordat hij aan zijn reis begon. Hij legt daar uit dat er verschillende thema’s zijn waar hij moeite mee heeft en waarbij hij in zijn reis de bevestiging zag dat de islam daar niet klopt. Hij had het al over het nut van bidden, over homoseksualiteit, het mogen doden van ongelovigen en het moeten luisteren naar je vader en dergelijke en dat impliceert toch dat hij voorafgaand aan zijn reis daar al problemen mee had, nu hij verklaart dat de ervaringen van zijn reis voor hem bevestigden dat dit onjuist was. Ook gaf eiser in het nader gehoor al een voorbeeld van een Korantekst die hij las in Pakistan waaraan hij twijfelde. Hij is vaak gehoord en heeft veel verklaard, maar hij heeft nergens verklaard dat hij voor zijn vertrek geen twijfels had over de islam. Hij heeft slechts verklaard in het gehoor in 2023 dat een bepaald proces zich voltrok door middel van interactie met niet gelovigen en dat dat invloed had op hem. Hier is geen sprake van wisselende verklaringen over zijn proces. Eiser heeft verder verklaard dat hij twijfelde en dat hij daardoor niet in Allah geloofde. Bij twijfel is er nog niet definitief sprake van afscheid van Allah. Op pagina 11 van het gehoor in 2023 staat alleen dat eiser in Pakistan geloofde in God en niet welke periode dat besloeg. Op dezelfde pagina staat dat eiser al twijfels had toen hij uit Pakistan vertrok. Daarnaast is het afstand nemen van Allah en van God iets anders. Bij het een ben je een afvallige en bij de ander een atheïst.
Ook ten aanzien van eisers motieven is er geen sprake van wisselende verklaringen. Er is sprake van een lange periode waarin zich meerdere gebeurtenissen hebben afgespeeld die eiser hebben gevormd. Zo is er eerst de ontevredenheid met het geloof en daarna de tevredenheid met de ongelovigen. Beide ervaringen spelen een rol in het proces. Verweerder stelt dat omdat de verklaringen van eiser over de tijdlijn niet kloppen, deze redenering niet klopt. Daarin kan verweerder niet gevolgd worden.
Ten aanzien van de onderzoeken heeft eiser verklaard YouTube filmpjes te hebben gekeken en onderzoek te hebben gedaan naar de Koran. Er is dus geen sprake van de tegenstelling van wel onderzoek in de ene vorm en geen onderzoek in de andere vorm, maar van onderzoek naar twee verschillende dingen, namelijk naar het schisma van de islam via YouTube en naar de Koran door middel van bestudering van de tekst van de Koran zelf.
Verder stelt verweerder dat het bij terugkeer voor eiser geen probleem is om zijn afvalligheid niet te kunnen uiten en te leven alsof hij een moslim is, omdat hij dat voorheen in Pakistan ook kon doen. Hiermee gaat verweerder onvoldoende in op hetgeen door eiser in de zienswijze is aangevoerd. Eiser was destijds 14 jaar oud en de situatie van een kind van 14 gaat niet op voor de situatie van een volwassen man.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van afvalligheid. Verweerder werpt in dat kader aan eiser tegen dat hij in het gehoor van 7 april 2022 heeft bevestigd dat hij niet aan het geloof twijfelde en dat hij ten tijde van zijn vertrek uit Pakistan een normale relatie met de islamitische god had, dat alles goed ging en hij tevreden was. Hij heeft specifiek aangegeven dat hij op 22 december 2022 van de islam is afgestapt. In het nader gehoor van 2023 heeft eiser verklaard dat zijn twijfel over de islam pas begon toen hij uit Pakistan vertrok, terwijl uit het aanvullend gehoor van 9 oktober 2025 volgt dat hij op zijn veertiende (toen hij nog in Pakistan woonde) van de islam is afgestapt. Eiser heeft in het aanvullend gehoor van 9 oktober 2025 namelijk verklaard dat hij toen begon te twijfelen aan Allah en dacht “dit is gewoon een verzonnen iets”. Hij heeft verder verklaard: “Ik geloofde er niet in. Ik geloofde toen dat er geen Allah bestond. Wat er stond: Allah zegt dit, Allah zegt dat, ik geloofde daar niet in”. Ook heeft eiser verklaard dat het moment dat hij de Koran in zijn eigen taal kon lezen juist zijn twijfels over de islam bevestigde. Op pagina 10 van het aanvullend gehoor bevestigt eiser ook dat hij twee jaar voorafgaand aan zijn vertrek uit Pakistan zonder religie leefde. Aan eiser is gevraagd hoe lang hij in Pakistan heeft geleefd als niet gelovige, waarop hij heeft geantwoord: “Twee jaar”. Op de vraag hoe het voor hem was in de twee jaren voorafgaand aan zijn vertrek om zonder religie te leven heeft hij verklaard: “Die waren goed. Mentale rust, Ik voelde me tevreden dat ik van de onnodige verplichtingen af was”. Eiser heeft dus verklaard dat hij geen twijfels had in Pakistan, maar ook dat hij wel twijfels had, dat hij ten tijde van zijn vertrek uit Pakistan nog geloofde, maar ook dat hij op een gegeven moment in Pakistan niet in Allah geloofde en al twee jaar als niet gelovige in Pakistan had geleefd. Verweerder stelt zich daarom terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van afvalligheid.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat zijn verklaringen over zijn motieven een geheel vormen. Eiser heeft eerst verklaard dat hij in Pakistan nog niet twijfelde aan de islam en dat zijn twijfels over wat hij in de Koran las pas na zijn vertrek uit Pakistan begonnen. Verweerder wijst er op dat eiser heeft verklaard dat hij in Nederland zag dat alle mensen gelijk zijn, ongeacht hun geloof. Ook heeft hij aangeven dat hij buiten Pakistan niet door moslims werd geholpen maar door andersgelovigen, terwijl hij vanuit de islam geleerd had dat andersgelovigen slecht zijn. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij in Pakistan dingen las in de Koran waar hij het niet mee eens was en dat hij op zijn veertiende daarover ging twijfelen, zoals de verplichting om vijf keer per dag te bidden, de ideologie van de Jihad en de positie van vrouwen binnen de islam. Mede gelet op de tegenstrijdigheid in de tijdlijn stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over de motieven waardoor hij is gaan twijfelen aan de islam. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser hiermee geen inzicht heeft gegeven in de daadwerkelijke redenen waardoor hij aan de islam is gaan twijfelen en dat eisers verklaringen dan ook niet samenhangend en aannemelijk zijn.
Verweerder stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser geen eenduidig beeld heeft geschetst over het verrichten van onderzoek. Eiser heeft eerst verklaard dat hij onderzoek heeft gedaan naar andere stromingen binnen de islam door middel van het bekijken van video’s op YouTube en later heeft eiser verklaard dat hij geen onderzoek heeft gedaan en zelfstandig tot de conclusie is gekomen dat de koran niet klopt en hij niet meer in Allah gelooft. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij eenduidig verklaart over eventueel onderzoek in het kader van zijn religie.
Nu verweerder niet ten onrechte niet geloofwaardig acht dat eiser afvallig is, is niet gebleken waarom eiser bij terugkeer alsnog in de problemen zou komen als een (toegedichte) afvallige. Verweerder stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat het voor eiser niet moeilijk zal zijn om zich in Pakistan aan te passen dan wel te leven zoals hij dat destijds in Pakistan heeft gedaan.
De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat verweerder in het aanvullend besluit de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen op de zitting en de nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.