Vreemdelingenrecht

Griffierecht niet betaald – beroep niet-ontvankelijk

Rechtbank Den Haag, 14 september 2026

Zaakgegevens

Op 14 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
14 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
NL26.31125
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:27052
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Griffierecht niet betaald – beroep niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31125


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak buiten zitting.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.

2. Eiser heeft bij de indiening van zijn beroepschrift verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Bij bericht van 4 juni 2026 heeft de griffier eiser verzocht om gegevens over te leggen waaruit de betalingsonmacht blijkt. Eiser heeft op dit verzoek niet gereageerd. Bij bericht van 7 juli 2026 heeft de rechtbank daarom het beroep op betalingsonmacht afgewezen.

3. De griffier heeft op 10 juli 2026 een nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van eiser, waarmee eiser in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief te betalen. Daarbij is in de nota vermeld dat indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig wordt overgemaakt, eiser het risico loopt dat zijn beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald. Verder is niet gebleken dat het verzuim verschoonbaar is.

5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Algemene wet bestuursrecht.