Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van
eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van
artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) afgewezen.
Eiser heeft tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 24 november 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL21.18394.
Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft met de uitspraak van 5 april 2022 (met zaaknummer NL21.18393) het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft met de uitspraak van 24 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3059, het hoger beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 24 november 2021 vernietigd.
Bij besluit van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Eiser heeft op 3 oktober 2024 beroepsgronden en op 29 juli 2025 aanvullende gronden ingediend.
Verweerder heeft op 29 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit.
Hij is in 1999 met zijn vader naar Nederland gekomen. Op 21 maart 2007 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Op 27 juni 2013 is deze verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 7 januari 2012. Op 16 januari 2018 is aan eiser een inreisverbod opgelegd van 2 jaar. Eiser heeft het grondgebied van de EU na oplegging van het inreisverbod niet verlaten. Wel heeft hij vervolgens enkele verblijfsrechtelijke procedures gevoerd. Deze procedures hebben niet geleid tot rechtmatig verblijf.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is
van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook niet wordt vrijgesteld van
het zogenoemde mvv-vereiste. Verweerder heeft zich daarbij mede gebaseerd op het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 17 juli 2024. Niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn vader, [persoon A]
, tevens referent. Er is daarom geen sprake van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verder is er volgens verweerder wel sprake van privéleven in de zin van dit artikel, maar valt de belangenafweging in het nadeel van eiser uit. Uitzetting van eiser is dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Er bestaat ook geen aanleiding voor vrijstelling van het mvv-vereiste op basis van de hardheidsclausule. Daarnaast voldoet eiser niet aan het paspoortvereiste en is er geen reden voor vrijstelling daarvan. Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser komt ook niet in aanmerking voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, omdat het is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid terwijl dit de minister van Asiel en Migratie had moeten zijn.
2.1.
Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit staat vermeld dat dit is genomen namens de staatssecretaris. Dit is een gebrek. De gemachtigde van verweerder heeft echter op de zitting te kennen gegeven dat verweerder de bestreden besluiten voor zijn rekening neemt. Verder is niet in geschil dat het bestreden besluit is genomen door een ambtenaar die daartoe op grond van mandaat bevoegd was. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad. Gelet op dit alles acht de rechtbank aannemelijk dat eiser niet is benadeeld en passeert zij dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588).
2.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Vrijstelling van het mvv-vereiste
3. Uit paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat de IND op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afwijst wegens het ontbreken van een geldige mvv als:
• het voor de vreemdeling gelet op zijn gezondheidssituatie niet verantwoord is om te reizen; of
• als er binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste in verband met zijn gezondheidssituatie. De rechtbank licht dat hierna toe.
3.2.
De beslissing van verweerder om eiser niet vrij te stellen van het mvv-vereiste vanwege zijn gezondheidssituatie, is gebaseerd op het advies van het BMA van 17 juli 2024. In dit BMA-advies staat dat eiser volgens de informatie van zijn behandelaars lijdt aan niersteenvorming, verminderde visus van het linkeroog en langdurige psychische klachten. Verder is vermeld dat eiser voor zijn oogproblematiek oogdruppels gebruikt en jaarlijks wordt gezien door een oogarts, dat deze behandeling mogelijk van blijvende aard is en dat bij het uitblijven van behandeling de oogdruk zal toenemen, wat op langere termijn ertoe kan leiden dat de nog aanwezig restvisus verder afneemt en mogelijk zelfs volledig verdwijnt of beperkt wordt tot lichtperceptie. Voor het overige zijn geen gevolgen te verwachten. Voor de niersteenvorming en psychische klachten vindt thans geen behandeling (meer) plaats. Het BMA concludeert dat bij uitblijven van de behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie wordt verwacht omdat geen sprake is van aandoeningen waaruit overlijden, ADL-afhankelijkheid of gedwongen behandeling of opname krachtens de wet verplichte of Wet zorg en dwang wordt verwacht. Verder concludeert het BMA dat eiser kan reizen, waarbij geen medische voorziening noodzakelijk is.
3.3.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is een advies van het BMA een deskundigenadvies waar verweerder in principe van uit mag gaan. Verweerder heeft wel de plicht om zich ervan te vergewissen dat het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Wanneer verweerder heeft voldaan aan de vergewisplicht, is het vervolgens aan eiser om de juistheid van het advies van het BMA te betwisten, bijvoorbeeld met een contra-expertise of door concrete aanknopingspunten aan te dragen voor twijfel aan de juistheid van het advies (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:21).
3.4.
Het BMA heeft het advies gebaseerd op informatie van eisers behandelaars. Gelet op de in het advies weergegeven informatie van de behandelaars en de beantwoording van de vragen door het BMA kan de rechtbank verweerder volgen in het standpunt dat bij het uitblijven van behandeling op korte termijn geen medische noodsituatie wordt verwacht. Eiser heeft niet met een contra-expertise onderbouwd dat de conclusie van het BMA onjuist is of anderszins concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het BMA-advies naar voren gebracht. In beroep heeft eiser weliswaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn visus aan het linkeroog zeer beperkt is, maar hieruit volgt niet dat zijn medische situatie anders was dan waar het BMA van uit is gegaan of sinds het opstellen van het BMA-advies is verslechterd. Het betoog van eiser dat verweerder het BMA-advies voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit aan hem had moeten voorleggen, volgt de rechtbank niet. Eiser licht niet toe waar hij dit op baseert en wat dit voor hem had uitgemaakt. Het advies is, zoals verweerder terecht opmerkt in het verweerschrift, gebaseerd op informatie van de behandelaars van eiser. Verder heeft eiser in beroep de mogelijkheid om medische stukken van zijn behandelaars dan wel een contra-expertise over te leggen om het BMA-advies te weerspreken. Ten aanzien van het betoog van eiser dat het BMA-advies incompleet is omdat het BMA niet heeft betrokken dat eiser ADL-afhankelijk is en mantelzorg ontvangt van zijn geloofsgenoten, en dat verweerder op dit punt nader advies had moeten inwinnen bij het BMA, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder merkt terecht op dat het aan eiser is om met stukken te onderbouwen dat hij afhankelijk is van mantelzorg van zijn vader dan wel derden. Uit het BMA-advies volgt dat ADL-afhankelijkheid één van de punten is die het BMA in zijn onderzoek en advies heeft betrokken. Het BMA concludeert immers dat daarvan (de rechtbank begrijpt: ook) bij het uitblijven van behandeling geen sprake zal zijn. Daarmee is het al dan niet afhankelijk zijn van mantelzorg voldoende in het BMA-advies betrokken. Verweerder hoefde dus hierover geen nader advies te vragen aan het BMA. Dit geldt ook in beroep, nu eiser ook in beroep geen stukken heeft overgelegd die aannemelijk maken dat hij afhankelijk is van mantelzorg.
3.5.
Verweerder stelt zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt dat mag worden uitgegaan van de conclusies van het BMA in het advies van 17 juli 2024. Hieruit volgt dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiser vanwege zijn gezondheidstoestand bij terugkeer naar Azerbeidzjan een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. Omdat geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht, hoefde verweerder ook geen onderzoek te doen naar de behandelmogelijkheden voor eiser in Azerbeidzjan. De rechtbank gaat in het kader van deze beroepsgrond daarom niet in op de (medische) hulp die eiser stelt nodig te hebben en de vraag of die zorg voor eiser feitelijk toegankelijk is in Azerbeidzjan. Het beroep van eiser op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381, en van 1 oktober 2019, in de zaak Savran tegen België, ECLI:CE:ECHR:2019:1001JUD005746715, kan ook niet slagen, reeds omdat niet uit medische stukken blijkt dat eisers gezondheidssituatie qua ernst vergelijkbaar is met die welke in de arresten aan de orde was.
3.6.
Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat verweerder eiser om medische redenen had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste niet. De rechtbank merkt daarbij op dat als de medische situatie van eiser verergert, hij een nieuwe aanvraag kan indienen.
4. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste, nu zijn uitzetting in strijd is met zijn recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daartoe voert eiser aan dat verweerder zich onvoldoende realiseert dat eiser en zijn vader maar beperkte mogelijkheden hebben om elkaar te zien, maar dat zij binnen die mogelijkheden wel blijk geven van wederzijdse zorg. Zo heeft eiser zorg voor zijn vader geregeld, onderhouden zij zo veel mogelijk contact met elkaar en bezoekt eiser zijn vader zo vaak als mogelijk. Dat zijn vader niet altijd de telefoon opneemt wanneer eiser belt, komt door zijn situatie en is niet omdat hij geen behoefte heeft aan contact met eiser. Verder beroept eiser zich op het arrest van het EHRM van 10 december 2024, in de zaak Martinez Alvarado, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021.
4.1.
Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als de banden tussen hen zijn aan te merken als “further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties” (zie bijvoorbeeld paragraaf 64 van het arrest van het EHRM van 2 september 2020, in de zaak Azerkane, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816). Volgens het EHRM bestaat dus familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen meerderjarigen buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.2., volgt dat verweerder een brede beoordeling moet maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Hij mag in die beoordeling niet slechts betrekken of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, maar hij moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Verweerder mag bij deze beoordeling zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Dit laatste volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, onder 3.2. Geen van deze factoren is op zichzelf, noch in combinatie met andere factoren, per definitie voldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te tonen. Steeds zullen alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen.
4.2.
Verder volgt uit de voormelde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, onder 5.3., dat het aan de betrokken vreemdeling is om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder alle van betekenis zijnde relevante feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling heeft betrokken.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat zij begrijpt dat eiser en zijn vader, die enkel elkaar nog als familieleden hebben, meer invulling willen geven aan hun familieleven en dat dit door hun gezondheidssituatie, woonsituatie en de afstand tussen hun woonplaatsen slechts in beperkte mate mogelijk is. De beoordeling betreft echter een feitelijke toets. Beoordeeld moet worden of de feitelijke situatie (en niet de gewenste situatie) maakt dat sprake is van beschermingswaardig familieleven. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank licht hierna toe waarom.
4.5.
Ten aanzien van de (factoren) gezondheid en zorgafhankelijkheid heeft verweerder
de aangevoerde omstandigheden terecht niet aangemerkt als bijkomende elementen van afhankelijkheid. Vaststaat dat eiser zijn vader feitelijk niet vaak bezoekt (volgens de verklaring van eiser op de hoorzitting in bezwaar ongeveer eenmaal per 3 à 4 weken). Dat eiser zorg voor zijn vader heeft geregeld en dat zij zich om elkaar bekommeren, maakt niet dat de hiervoor genoemde banden worden overstegen. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader zorg- en hulpbehoevend is van eiser en dat hij voor deze hulp uitsluitend van eiser afhankelijk is. Dat eiser zorg voor zijn vader heeft geregeld, is onvoldoende om tot deze conclusie te komen. Eisers vader verblijft in [locatie] in het [naam opvang] , een opvangvoorziening voor dak- en thuislozen met ernstige psychiatrische en verslavingsproblematiek. Niet is gebleken dat eisers vader niet kan functioneren zonder de (fysieke) hulp van eiser.
4.6.
Over de (factor) emotionele afhankelijkheid (en samenwonen) overweegt de rechtbank als volgt. Het is, zoals verweerder ook heeft betrokken, begrijpelijk dat eiser en zijn vader veel steun bij elkaar vinden, aangezien beiden zich in een moeilijke situatie bevinden. De rechtbank deelt echter met verweerder het oordeel dat hieruit niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder stelt terecht dat eiser en zijn vader elkaar weinig zien en daarnaast slechts telefonisch contact hebben. Dat eisers vader vanwege zijn moeilijke situatie niet altijd telefonisch bereikbaar is en het telefonisch contact daardoor beperkt wordt, maakt dit niet anders. Het gaat in de beoordeling immers om de feitelijke situatie. Hoewel eiser en zijn vader gezamenlijk uit Azerbeidzjan naar Nederland zijn gevlucht, is niet gebleken dat zij, toen zij niet meer samenwoonden, zich niet zelfstandig (ten opzichte van elkaar) hebben weten te handhaven. Hoewel begrijpelijk is dat referent na een geweldsincident behoefte heeft aan contact met eiser, maakt dit niet dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
4.7.
Verweerder heeft zich, gelet op het voorgaande, ook in onderlinge samenhang bezien, terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en dat het besluit daarom niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat verweerder eiser niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb heeft hoeven vrijstellen van het mvv-vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste vanwege zijn recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder kent onvoldoende gewicht toe aan het feit dat eiser al sinds zijn zevende jaar in Nederland verblijft. Hij is hier opgegroeid, heeft hier onderwijs gevolgd en zijn vader verblijft eveneens in Nederland. Eiser heeft gedurende een aantal jaren rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Ten onrechte stelt verweerder dat de verdere opbouw van eisers privéleven voor zijn eigen rekening en risico komt. Eiser heeft immers gemotiveerd waarom hij Nederland niet kan verlaten. Daarnaast kent verweerder ten onrechte doorslaggevend gewicht toe aan de beperkte periode die eiser als jong kind in Azerbeidzjan heeft verbleven. Dit weegt namelijk niet op tegen de vele jaren die hij in Nederland heeft doorgebracht. Dat eiser wordt tegengeworpen dat hij zich in Azerbeidzjan zal kunnen handhaven omdat hij zich ook in Nederland heeft kunnen handhaven zonder de Nederlandse taal te spreken, gaat volgens eiser niet op aangezien hij toen een kind was en zijn vader voor hem zorgde. Verweerder heeft, gelet op de ernstige gezondheidsproblemen van eiser en eisers etnische achtergrond, onvoldoende gemotiveerd dat eiser in Azerbeidzjan in staat is om een nieuw bestaan op te bouwen. Daarnaast heeft verweerder de gezondheidstoestand van eiser en de gevolgen daarvan voor de uitzetting niet deugdelijk onderzocht en betrokken. Eiser doet tot slot een beroep op het EHRM-arrest in de zaak Savran.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat verweerdereen ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van een vreemdeling bij voortzetting van privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid (arrest van 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 39). Verweerder moet alle voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling betrekken. Daarbij is een belangrijke overweging of een vreemdeling zijn privéleven in Nederland opbouwt, terwijl die vreemdeling zich ervan bewust is dat zijn verblijfsstatus maakt dat de voortzetting van zijn privéleven vanaf het begin onzeker is (arrest van 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragrafen 57, 58 en 60). Als dat het geval is, dan leidt afwijzing van een aanvraag van die vreemdeling om aan hem verblijf toe te staan alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van het EVRM. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3812. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ zoals hiervoor vermeld. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken en in het kader van zijn belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan de banden van eiser met Azerbeidzjan zoveel gewicht moet worden toegekend en waarom er van uit moet worden gegaan dat eiser zich bij terugkeer naar Azerbeidzjan kan handhaven en daar een bestaan kan opbouwen. Eiser (thans 34 jaar oud) is op zevenjarige leeftijd naar Nederland gekomen en heeft dus maar een beperkt deel van zijn leven in Azerbeidzjan gewoond. Niet in geschil is dat eiser niet van Azerbeidjaanse afkomst is en de Azerbeidzjaanse taal (Azeri) niet spreekt, maar een gemengde etnisch Armeense afkomst heeft, Armeens spreekt, Armeens christelijk is opgevoed en christen is (terwijl in Azerbeidzjan vrijwel de gehele bevolking moslim is). Eiser behoorde destijds in Azerbeidzjan tot een minderheidsgroep en volgens eiser werd de periode voorafgaand aan zijn vertrek naar Nederland gekenmerkt door angst en geweld. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit alles aannemelijk dat eiser in de zeven jaar dat hij (als jong kind) in Azerbeidzjan heeft gewoond, slechts zeer beperkte banden heeft opgebouwd met Azerbeidzjan. De rechtbank vindt het standpunt van verweerder in het primaire besluit, dat eiser wordt geacht gewend te zijn aan de cultuur en de gewoontes in Azerbeidzjan nu hij zijn eerste levensjaren daar heeft doorgebracht, dan ook onvoldoende gemotiveerd. In het bestreden besluit zwakt verweerder dit standpunt af door te stellen dat het aannemelijk is dat eiser ‘enigszins bekend is met de taal en gewoontes’ in Azerbeidzjan, maar zonder daarbij duidelijk te maken wat die wijziging betekent voor de banden van eiser met Azerbeidzjan en het gewicht dat daaraan moet worden toegekend en hoe dit dan weegt in het geheel van de belangenafweging. De rechtbank overweegt verder dat de mate waarin eiser banden heeft met Azerbeidzjan ook doorwerkt in de beantwoording van de vraag of eiser zich bij terugkeer naar Azerbeidzjan zal kunnen handhaven en daar een bestaan kan opbouwen. Bovendien voert eiser in het kader van die vraag terecht aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het etnisch conflict in de regio, de omstandigheid dat in Azerbeidzjan thans nagenoeg geen etnisch Armeniërs en personen van gemengde afkomst meer wonen en dat mensen van gemengde afkomst zich ‘low profile’ houden, maar dit voor eiser niet mogelijk is. Eiser wijst er daarbij onder meer op dat hij zal worden uitgezet naar Azerbeidzjan waardoor er direct aandacht voor hem zal zijn, hij uitsluitend Nederlands en Armeens spreekt, niet bekend is met de dagelijkse gang van zaken in Azerbeidzjan en bovendien visueel gehandicapt is. Verder voert eiser aan dat hij niemand kent in Azerbeidzjan en gezien zijn gemengde etnisch Armeense afkomst, religie en zijn medische omstandigheden niet snel hulp, werk en inwoning zal kunnen krijgen. De steun en hulp die hij thans ontvangt van zijn familie, vrienden en geloofsgenoten (bijvoorbeeld voor vervoer naar zijn vader en afspraken, of bij paniekaanvallen) zal daar niet mogelijk zijn. Meer in het bijzonder voert hij nog aan dat, gezien zijn afkomst en religie, medische hulp voor hem niet toegankelijk zal zijn. Verweerder overweegt hierover dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Azerbeidzjan een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 februari 2018 waarin is geoordeeld dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn geloof of etnisch gemengde afkomst niet naar Azerbeidzjan kan terugkeren. Ook stelt verweerder in het verweerschrift en op de zitting dat asielgerelateerde gronden niet worden getoetst in deze reguliere aanvraag en dat de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg enkel in het kader van artikel 64 van de Vw aan de orde kan komen (indien een medische noodsituatie zou ontstaan). Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder echter de door eiser aangevoerde huidige algemene situatie in Azerbeidzjan voor etnisch Armeniërs en mensen van gemengde afkomst, in samenhang met eisers gezondheidssituatie, ook te betrekken in de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM, naast en in samenhang met de overige door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Ook die feiten en omstandigheden zijn immers van betekenis voor de vraag in hoeverre eiser een bestaan zal kunnen opbouwen in Azerbeidzjan en verweerder moet alle aangevoerde relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging betrekken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het voor eiser niet onmogelijk zal zijn om zich bij terugkeer naar Azerbeidzjan aan te passen aan het leven aldaar. Verweerder lijkt zich er geen rekenschap van te geven dat ‘het leven aldaar’ voor etnisch Azerbeidzjanen anders is dan voor eiser die van een gemengde etnisch Armeense afkomst is en Armeens christelijk is opgevoed. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat het besluit inzake eisers privéleven niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
5.3.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom bij eiser geen toepassing is gegeven aan de vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb.
6. Eiser betoogt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet beschikt over een geldig paspoort omdat hij in Azerbeidzjan als (gemengd) etnisch Armeniër niet aan een identificerend document kan komen. Eiser wijst in dit verband op de Kamerbrief van de minister van Justitie en Veiligheid van 26 oktober 2015 (TK 19 637, vergaderjaar 2015-2016, nr. 2072).
6.1.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Het beleid van verweerder voor de toepassing van deze bepaling is neergelegd in paragraaf B1/4.2 van de Vc.
In artikel 3.72 van het Vb is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Vw wordt afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet voldoet aan het paspoortvereiste. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder deugdelijk gemotiveerd heeft besloten dat eiser niet wordt vrijgesteld van dat vereiste. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Hieronder wordt uitgelegd waarom de rechtbank dat vindt.
6.3.
De rechtbank overweegt dat uit de Kamerbrief van de minister van Justitie en Veiligheid van 26 oktober 2015 volgt dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeniër betreft en dat om die reden is besloten van etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan niet langer te eisen dat zij (onder andere) een geldig Azerbeidzjaans paspoort overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het paspoortvereiste in het geval van eiser wel kan worden tegengeworpen, terwijl dit bij andere etnische Armeniërs uit Azerbeidzjaan – die zich materieel gezien in een vergelijkbare situatie als eiser bevinden – niet langer wordt geëist. Het standpunt van verweerder dat de Kamerbrief ziet op etnisch Armeniërs in een naturalisatieprocedure, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheid heeft namelijk geen invloed op vraag of eisers nationaliteit door de Azerbeidzjaanse autoriteiten zal worden erkend en eiser al dan niet in staat is om aan een paspoort te komen. De rechtbank volgt verweerder evenmin in zijn standpunt dat eiser eerst zelf een poging had moeten ondernemen om aan een paspoort te komen. Verweerder was immers bekend met de omstandigheid dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten in het algemeen geen paspoort verstrekken aan etnisch Armeniërs. Het onder deze omstandigheid van eiser verlangen dat hij eerst zelf een poging onderneemt, heeft naar het oordeel van de rechtbank weinig praktische meerwaarde.
6.4.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.72 van het Vb. De beroepsgrond slaagt.
Hardheidsclausule en artikel 4:84 van de Awb
7. Eiser doet een beroep op de hardheidsclausule en artikel 4:84 van de Awb.
7.1.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 5.2 en 6.3 gaat de rechtbank thans niet op deze beroepsgrond in. De rechtbank verwijst naar wat hierna onder 10 wordt overwogen.
8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op wat onder 3.4. en 3.5 is overwogen, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek wegens medische redenen op grond van artikel 64 van de Vw.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het bestreden besluit is, gezien de rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3, en 6.3 en 6.4, gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.
10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het in beginsel aan verweerder is om te beoordelen of eiser aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste voldoet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat, gelet op de aard van de gebreken, de wijze waarop die moeten worden hersteld en de aard en vorm van een eventuele vervolgprocedure bij een nieuw ongunstig besluit voor eiser, niet valt in te zien dat eiser op die manier eerder uitsluitsel krijgt in zijn zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen binnen een termijn van acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar binnen voormelde termijn. Verweerder moet alle door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, betrekken bij de beoordeling of eiser op grond van het recht op privéleven bedoeld in artikel 8 van het EVRM moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Ook dient verweerder opnieuw te beoordelen of hij het paspoortvereiste tegenwerpt aan eiser. Indien verweerder opnieuw tot de conclusie komt dat eiser op een of beide punten niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste, dient verweerder te beoordelen of alle door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding zijn de hardheidsclausule dan wel artikel 4:84 van de Awb toe te passen.
Griffierecht en proceskosten
11. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep tegen het bestreden besluit heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.