Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Met het besluit van 19 november 2023 heeft verweerder aan eiseres, met toepassing van artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een inreisverbod opgelegd voor de duur van één jaar vanwege het overschrijden van de vrije termijn als bedoeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Volgens verweerder heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden aangevoerd en zijn er geen humanitaire of andere redenen om af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Verweerder vindt het opleggen van een inreisverbod niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Beoordeling door de rechtbank
3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 27 februari 2025 op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij het beroep, omdat het inreisverbod op 21 februari 2024 van rechtswege is verlopen en het beroep eiseres niet in een betere positie kan brengen.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel belang heeft bij haar beroep tegen het inreisverbod, ook al is niet in geschil dat deze is uitgewerkt omdat eiseres meer dan twee jaar geleden de Europese Unie heeft verlaten. Artikel 13, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat een onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel moet hebben tegen onder meer een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zonder enig voorbehoud overwogen dat dit doeltreffende rechtsmiddel openstaat om met name de rechtmatigheid van een inreisverbod te betwisten (zie het arrest van 27 april 2023, M.D., ECLI:EU:C:2023:341, punt 107). Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1178) leidt de rechtbank af dat dit ook geldt voor vervallen inreisverboden. Vreemdelingen die geen gevolg geven aan het terugkeerbesluit zouden anders hun inreisverbod wel kunnen betwisten, terwijl vreemdelingen die gevolg geven aan het terugkeerbesluit en zijn vertrokken dat niet zouden kunnen doen.
5. Het beroep tegen het inreisverbod is daarom al ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan de vraag of het beroep eiseres in een betere positie kan brengen, bijvoorbeeld omdat een eerder opgelegd inreisverbod invloed zou hebben bij beslissingen over toekomstige visumaanvragen (zoals eiseres stelt). De rechtbank zal dan ook hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Rechtmatigheid inreisverbod
6. Eiseres is het niet eens met het inreisverbod. Zij heeft eerder een visum gekregen en heeft toen Nederland wel tijdig verlaten. De overschrijding van de geldigheidsduur van het tweede visum is gekomen doordat eiseres zich heeft vergist in het verschil tussen de Iraanse en de Nederlandse kalender. Zij heeft de geldigheidsduur van het visum dus niet bewust overschreden. Dat het om een vergissing gaat blijkt ook uit dat zij haar (retour) vliegticket vooraf had geboekt. Zij heeft dus niet tijdens haar verblijf in Nederland besloten om langer te blijven. Bovendien heeft de wetgever volgens eiseres niet beoogd om kennelijke vergissingen te bestraffen. Daarnaast hebben eiseres en haar dochter – die in Nederland woont – op grond van artikel 8 van het EVRM het recht om elkaar in Nederland te zien. Eiseres wijst ook op de eigen verantwoordelijkheid van verweerder. Verweerder had namelijk bij aankomst van eiseres moeten constateren dat haar vertrekdatum de toegestane verblijfsduur zou overschrijden. Tot slot was eiseres in het bezit van een door Denemarken afgegeven Schengenvisum, wat niet verenigbaar is met het door verweerder opgelegde inreisverbod.
6.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw een inreisverbod kan opleggen aan de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. In het beleid, opgenomen in paragraaf A4/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, staat dat deze bevoegdheid wordt gebruikt ten aanzien van de vreemdeling die de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 van het Vb, met meer dan drie dagen heeft overschreden.
6.2.
Tussen partijen staat vast dat eiseres buiten de geldigheidsduur van haar visum in Nederland heeft verbleven. Aan eiseres is een visum afgegeven dat geldig was van 21 juni 2023 tot 4 oktober 2023. Eiseres heeft van 5 september 2023 tot 21 oktober 2023 in Nederland verbleven. Hiermee heeft zij de toegestane verblijfsduur met 17 dagen overschreden.
6.3.
De rechtbank vindt dat verweerder eiseres het inreisverbod heeft kunnen opleggen. Hoewel de rechtbank het op zich niet onaannemelijk vindt dat eiseres zich heeft vergist in de datum waarop haar visum verliep, is onvoldoende onderbouwd dat dit aan het opleggen van een inreisverbod aan de weg had moeten staan. Het was namelijk de verantwoordelijkheid van eiseres om zich op de hoogte te stellen van de voorwaarden die golden voor haar verblijf in het Schengengebied. Dat verweerder bij aankomst van eiseres in Nederland had moeten vaststellen dat haar verblijf de geldigheidsduur van haar visum zou overschrijden, volgt de rechtbank gelet op die eigen verantwoordelijkheid van eiseres ook niet. Ook de stelling dat de wetgever niet zou hebben beoogd bij kennelijke vergissingen een inreisverbod op te leggen, leidt niet tot een ander oordeel omdat eiseres niet nader heeft onderbouwd waar dit uit blijkt. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat eiseres eerder in Nederland heeft verbleven, zodat van haar mocht worden verwacht dat zij bekend was met de wijze waarop het aantal toegestane verblijfsdagen wordt berekend. Dat Denemarken, ondanks dat het inreisverbod van 19 november 2023 van kracht was en eiseres gesignaleerd stond in het Schengeninformatiesysteem, aan eiseres een visum heeft verstrekt maakt niet dat verweerder (achteraf bezien) geen inreisverbod aan haar had mogen opleggen. Het was aan Denemarken om te constateren dat sprake was van een inreisverbod en daar eventueel gevolgen aan te verbinden. Dat Denemarken dit niet heeft gedaan, betekent niet dat het inreisverbod onrechtmatig was.
6.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft in dat verband in aanmerking mogen nemen dat niet is gebleken van een beschermenswaardig familieleven dat in de weg staat aan het inreisverbod. Hoewel eiseres een dochter heeft met de Nederlandse nationaliteit, is deze dochter meerderjarig en is niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het inreisverbod terecht is opgelegd. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.