Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening, verweerder verzet zich niet tegen toewijzing. De voorzieningenrechter…

Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.48691
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29554
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening, verweerder verzet zich niet tegen toewijzing. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.48691

V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1998, van Nepalese nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Heringa),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel “humanitair niet-tijdelijk” afgewezen.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden en de werking van het uitgevaardigde inreisverbod te schorsen tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

De voorzieningenrechter doet met toestemming van partijen uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Het griffierecht

1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De minister heeft bij brief van 2 oktober 2026 meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.

4. Nu de minister zich niet verzet tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen, in de zin dat het de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten en dat de werking van het uitgevaardigde inreisverbod wordt geschorst tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist . In het geval het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.

5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het de minister wordt verboden om verzoeker uit te zetten en dat het uitgevaardigde inreisverbod wordt geschorst tot vier weken nadat op het verzoekschrift is beslist;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht.