Vreemdelingenrecht

Asiel. AMB-verordening. Frankrijk. Toegang tot opvanggerelateerde hulp. Discretionaire bevoegdheid. Belang…

Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
26 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL 26 56364
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31636
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Asiel. AMB-verordening. Frankrijk. Toegang tot opvanggerelateerde hulp. Discretionaire bevoegdheid. Belang van het kind. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56364


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer: [V-nummer]

mede namens haar minderjarige kind [minderjarige]

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

In het besluit van 17 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2026 op een zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Zij heeft op 25 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eiseres via Frankrijk illegaal het grondgebied van de Europese Unie is binnengekomen. Op 8 juni 2026 hebben de Franse autoriteiten het verzoek om eiseres terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat overdracht aan Frankrijk in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In Frankrijk is sprake van gebrekkige toegang tot juridische, sociale en opvanggerelateerde hulp. Eiseres verwijst hierbij naar de rapportages van AIDA over Frankrijk van mei 2025 en mei 2026. Ook verwijst zij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23149. Eiseres is de alleenstaande moeder van een minderjarig kind. Overdracht is daarom ook in strijd met de belangen van het kind zoals gewaarborgd door artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Daarnaast heeft eiseres medische problemen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij het overzicht van haar medische journaalregels van 18 juni 2026 overgelegd. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte geen gebruik gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om haar asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen vanwege humanitaire redenen. Ondanks het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van de nieuwe Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV, 2024/1351) moet de rechtbank dit kunnen toetsten vanwege het recht op een doeltreffend rechtsmiddel.

4. Op de zitting van 14 oktober 2026 heeft verweerder op de beroepsgronden gereageerd. Ten aanzien van Frankrijk mag ervan uit worden gegaan dat eiseres en haar kind na overdracht adequaat zullen worden behandeld. Tegen de door eiseres aangehaalde uitspraak van zittingsplaats Haarlem loopt hoger beroep, en in een latere uitspraak is die zittingsplaats van zijn oordeel teruggekomen (uitspraak van 10 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26799). Daarnaast wordt niet voldaan aan de vereisten van IND-werkinstructie 2026/17 voor het starten van een medisch onderzoek, en staat de AMBV niet toe dat de rechtbank ingaat op de beroepsgrond over de discretionaire bevoegdheid. Het belang van het kind is niet in het geding omdat het kind met de moeder samenblijft en verwacht mag worden dat Frankrijk de rechten van het kind waarborgt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel de lidstaat is die verantwoordelijk is voor het behandelen van de asielaanvraag van eiseres. Wel moet gelet op de beroepsgronden worden beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om desondanks van overdracht van eiseres en haar kind aan Frankrijk af te zien.

6. Ten aanzien van Frankrijk mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de lidstaten van de Europese Unie er over en weer vanuit mogen gaan dat de Europeesrechtelijke normen worden nageleefd, waaronder die over de opvang van asielzoekers. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4827, en naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25556. Hierin zijn de door eiseres aangehaalde AIDA-rapporten meegewogen. Er is dan ook geen grond om te oordelen dat overdracht van eiseres en haar kind aan Frankrijk in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM.

7. Uit de door eiseres overgelegde medische journaalregels blijkt niet dat zij momenteel een medische behandeling ondergaat. Hieruit blijkt slechts dat zij slecht slaapt en het advies heeft gekregen om overdag actiever te zijn, later naar bed te gaan en een kruidengeneesmiddel te gebruiken. Evenmin kan worden afgeleid dat de overdracht van eiseres aan Frankrijk op zichzelf zal leiden tot ernstige en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheid zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 16 februari 2017 in de zaak CK, ECLI:EU:C:2017:127. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk niet beschikt over de voor haar noodzakelijke medische voorzieningen, dan wel dat Frankrijk niet bereid is om deze aan haar te verstrekken.

8. Anders dan partijen veronderstellen, kan de rechtbank in deze zaak, gelet op artikel 84 van de AMBV, toetsen of verweerder op goede gronden geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag van eiseres vanwege humanitaire redenen onverplicht in behandeling te nemen. In deze zaak is de verantwoordelijke lidstaat namelijk vastgesteld vóór inwerkingtreding van de AMBV. Op deze beroepsgrond is dan ook artikel 17 van de Dublinverordening van toepassing, alsmede het beleid van verweerder daarover zoals dat ten tijde van het claimakkoord was opgenomen in onderdeel C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Eiseres beroept zich in dit kader op eerdere traumatische ervaringen in Frankrijk, zonder dit nader te onderbouwen. Voor zover de situatie in Frankrijk door verweerder al is beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan dit niet nogmaals in dit kader aan de orde komen. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717. Daarnaast is van belang dat eiseres niet naar Frankrijk terugkeert als illegale asielzoeker, maar als Dublinclaimant ten aanzien van wie de Franse autoriteiten expliciet akkoord zijn gegaan met overdracht. Dit volgt uit het arrest van het HvJEU van 29 februari 2024 in de zaak X, ECLI:EU:C:2024:195. Verder kan in de medische situatie van eiseres op grond van wat hiervoor is overwogen geen humanitaire omstandigheid worden gezien. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om zijn discretionaire bevoegdheid te gebruiken.

9. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27252, is aan het HvJEU de prejudiciële vraag voorgelegd of het sinds de inwerkingtreding van de AMBV in zaken als deze nog mogelijk is om een zelfstandig beroep te doen op de belangen van het kind. Voor zover dit mogelijk zou moeten worden geacht ondanks de formulering van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de AMBV, leidt dat in deze zaak niet tot een ander oordeel. Het bestreden besluit leidt er namelijk niet toe dat het kind van eiseres van zijn moeder wordt gescheiden. Daarnaast zijn de autoriteiten van Frankrijk gebonden aan de rechten van het kind en is niet aannemelijk gemaakt dat zij die ten aanzien van het kind van eiseres niet zullen naleven.

10. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit blijft in stand.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 oktober 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.