Vreemdelingenrecht

Beroep gegrond. Asiel Syrië. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste…

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.12012
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31793
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep gegrond. Asiel Syrië. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2026

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.12012

V-nummer: [V-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Oukil),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Samenvatting

1.1.

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

1.2.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Het beroep is gegrond en eiser krijgt gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.

Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedag] 1999. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, B. Lahham als tolk in de Syrisch-Libanese taal en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser wordt nog altijd gezocht voor de militaire dienstplicht door de huidige regering. Eiser vreest jonge mannen die voorheen bij de toenmalige regering aangesloten waren en hem adviseerden om zich bij hen aan te sluiten. Zij hebben zich ook bij de huidige regering aangesloten en omdat eiser destijds is gevlucht, vreest hij dat ze hem bij terugkeer zullen opzoeken. Eiser wil niet dienen bij het leger om onschuldige mensen te vermoorden.

Besluitvorming

4.1.

De minister onderscheidt het volgende asielmotief:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.

4.2.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig.

4.3.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn vrees voor de militaire dienstplicht niet aannemelijk heeft gemaakt. Er is in Syrië namelijk geen sprake meer van een verplichte militaire dienst of rekrutering. Op 8 december 2024 is het regime van Assad gevallen en daarmee is de dienstplicht opgeheven. De vrees voor dienstplicht en rekrutering of voor vervolging is een subjectieve ervaring die niet kan worden beoordeeld op geloofwaardigheid.

4.4.

De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Dat hij uit Syrië komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Dat eiser is aangesproken door een groep jongens die bij de toenmalige regering waren aangesloten en die hem hebben geadviseerd zich bij hen aan te sluiten, leidt ook niet tot een reëel risico op ernstige schade. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk dat dit is gebleven bij een advies, dat ze niet bij hem thuis zijn gekomen, hem niet hebben opgehaald, dat er geen directe dreiging is geuit en dat hij na dit advies niets meer van hen heeft vernomen. Enkele maanden later is hij uit Syrië vertrokken en hij verblijft inmiddels ongeveer meer dan tien jaar buiten het land. In die periode zijn er ook geen aanwijzingen dat deze personen naar eiser hebben gezocht of iets specifiek tegen hem hebben ondernomen. De verwachting dat zij dit bij terugkeer zullen doen is gebaseerd op een vermoeden.

4.5.

De minister stelt voorts dat de primaire oorzaak van de onveiligheid in Syrië de situatie onder het regime van Assad betrof. Vanwege de val van dat regime is die bron van onveiligheid komen te vervallen. Er is geen sprake meer van ernstige repressie van de zijde van het Assad-regime. Hierdoor wordt niet meer aangenomen dat iedere Syriër die terugkeert naar Syrië in beginsel een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister wijst er verder op dat over het algemeen het aantal burgerslachtoffers in Aleppo sinds de machtsovername laag is gebleven, gelet op het aantal inwoners. De minister stelt zich dan ook op het standpunt dat geen sprake is van een situatie zoals is bedoeld in artikel 15, onder c van de Kwalificatierichtlijn. De enkele verwijzing naar het artikel van Vluchtelingenwerk, twee uitspraken van de rechtbank en de gestelde prejudiciële vragen, zonder dat eiser concreet ingaat op de motivering in het voornemen, doet daar niet aan af. Volgens de minister spelen de humanitaire omstandigheden in Syrië geen doorslaggevende rol in de beoordeling van de gradatie van artikel 15c, omdat deze omstandigheden niet of slechts in zeer beperkte mate te wijten zijn aan een thans lopend gewapend conflict.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.

Onjuiste vaststelling van de asielmotieven

6.1.

Eiser voert aan dat de minister de asielmotieven onjuist heeft vastgesteld. Eiser heeft namelijk ook als asielmotieven benoemd: de vrees voor dienstplicht, de vrees voor rekrutering van gewapende groeperingen en de vrees voor vervolging door voormalig Assad-aanhangers. De minister lijkt deze motieven niet te betwisten, maar juist geloofwaardig te achten door deze wel te beoordelen bij de zwaarwegendheid. Eiser voert verder aan dat de minister het onjuiste toetsingskader heeft gebruikt, door de subjectieve vrees te beoordelen als geloofwaardigheidsbeoordeling. De subjectieve vrees had moeten worden beoordeeld bij het onderdeel zwaarwegendheid.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielmotieven die eiser heeft genoemd ten onrechte niet heeft aangemerkt als losse asielmotieven. Dat betekent dat er een zorgvuldigheidsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. Hoewel de minister de beoordeling van deze asielmotieven dus anders had moeten opnemen in het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat de minister inhoudelijk wel voldoende is ingegaan op deze asielmotieven. Eiser heeft niet overtuigend gemotiveerd waarom de motivering van de minister niet klopt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de toets goed verricht. De rechtbank stelt daarom vast dat eiser door het zorgvuldigheidsgebrek niet is benadeeld en ziet aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren.

Nieuw asielmotief

7.1.

Eiser heeft hangende beroep een nieuw asielmotief ingebracht: de vrees voor de huidige Syrische autoriteiten, vanwege een disproportionele bestraffing van het huidige regime. Eiser heeft namelijk via zijn oom vernomen dat hij in Syrië is veroordeeld voor het beledigen van de president. Zijn oom is daarachter gekomen, omdat hij het paspoort van eiser wilde verlengen. Dit werd geweigerd vanwege de strafrechtelijke veroordeling. De veroordeling betreft een incident in september of oktober 2025. Eiser heeft toen de president uitgescholden tijdens een videogesprek met een vriend.

7.2.

Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de enkele verklaring dat eiser gehoord heeft dat hij is veroordeeld voor het beledigen van de president onvoldoende is om te zeggen dat eiser risico loopt op vervolging bij terugkeer. De rechtbank volgt de minister hierin. Het gaat hier, zoals de minister namelijk ook al stelt, om iets dat eiser van horen zeggen heeft. Eiser heeft dit asielmotief niet met stukken onderbouwd en op de zitting is gebleken dat er op dit moment ook geen zicht is op een nadere onderbouwing. Daarbij heeft eiser niet eerder verklaard over dit asielmotief, terwijl hij op de zitting heeft aangegeven dat hij al wist van de (mogelijke) strafrechtelijke veroordeling ten tijde van het nader gehoor. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de minister op te dragen dit nieuwe asielmotief nader te onderzoeken of om dit nieuwe asielmotief zelf te betrekken in haar beoordeling, op grond van de arresten Quotal en Ebilum.

Veiligheidssituatie in Syrië

8.1.

Eiser voert aan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser verwijst naar diverse uitspraken van deze rechtbank waarin is geoordeeld dat er onvoldoende gemotiveerd is dat in Syrië slechts sprake zou zijn van de laagste 15c-gradatie.

8.2.

De minister heeft verwezen naar zijn standpunt dat hij heeft ingenomen in de zaak van de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 11 september 2026.

8.3.

De rechtbank verwijst bij de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie naar dezelfde uitspraken van 11 september 2026. In deze uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat niet inzichtelijk is geworden dat voor heel Syrië wordt uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De situatie is na de val van Assad namelijk nog steeds fragiel en diffuus en van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is onvoldoende gebleken. Verder heeft de minister ten onrechte de zeer slechte humanitaire situatie in Syrië niet betrokken bij de vraag van welk niveau van willekeurig geweld dient te worden uitgegaan. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan en maakt deze tot de hare. Dat de minister in hoger beroep is gegaan tegen voornoemde uitspraken, maakt het oordeel niet anders.

Conclusie en gevolgen

9.1.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië. Het beroep is dus gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. De minister moet een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

9.2.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit van 2 maart 2026;

  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, en Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447. Uit deze arresten volgt dat de rechtbank een nieuw asielmotief dat in de beroepsfase voor het eerst naar voren wordt gebracht kan betrekken bij de beoordeling, op de naar het oordeel van de rechtbank meest geschikte wijze. Zittingsplaats Haarlem, uitspraak van 11 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:23822), zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, uitspraak van 11 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:24023), zittingsplaats Roermond, uitspraak van 29 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:25445), zittingsplaats Rotterdam, uitspraak van 23 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7137) en zittingsplaats Amsterdam, uitspraken van 11 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:26486 en ECLI:NL:RBDHA:2026:26487). Op grond van de artikelen 3:2 en 4:6 van de Awb.