Vreemdelingenrecht

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens en…

Rechtbank Den Haag, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.51835 en NL26.51836
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31806
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister, die de rechtbank verweerder noemt, heeft niet goed gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser meerderjarig zou zijn geweest op het moment van zijn asielaanvraag. Zo is de leeftijdsschouw niet inzichtelijk en concludent. Ook heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom hij uitgaat van de leeftijd die de Italiaanse autoriteiten hebben geregistreerd. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet van de leeftijd die de Zwitserse autoriteiten hebben geregistreerd kan worden uitgegaan, en daarmee van de minderjarigheid van eiser ten tijde van de asielaanvraag. Ook heeft verweerder ten onrechte de homo- of biseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig geacht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.51835 (beroep) en NL26.51836 (verzoek om voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M. Terpstra)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).

Samenvatting

1. De rechtbank heeft deze zaak op zitting behandeld en doet nu uitspraak. De rechtbank geeft hieronder een samenvatting van de uitspraak.

1.1.

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister, die de rechtbank verweerder noemt, heeft niet goed gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser meerderjarig zou zijn geweest op het moment van zijn asielaanvraag. Zo is de leeftijdsschouw niet inzichtelijk en concludent. Ook heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom hij uitgaat van de leeftijd die de Italiaanse autoriteiten hebben geregistreerd. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet van de leeftijd die de Zwitserse autoriteiten hebben geregistreerd kan worden uitgegaan, en daarmee van de minderjarigheid van eiser ten tijde van de asielaanvraag. Ook heeft verweerder ten onrechte de homo- of biseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft asiel aangevraagd op 9 juli 2024. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond met het bestreden besluit van 31 augustus 2026.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij niet kan worden uitgezet naar Ivoorkust voordat op het beroep is beslist.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Ivoriaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Eiser woonde in Ivoorkust met zijn ouders in bij familie van zijn vader. Na het overlijden van zijn vader werd zijn moeder door zijn vaders familie er vals van beschuldigd hem te hebben vermoord. Eisers moeder is toen vertrokken en eiser is achtergebleven bij zijn oom en tante. Zij hebben hem mishandeld en uiteindelijk is eiser uit huis gezet. Hij is toen op straat beland. Eiser werd toen geholpen door een man, [naam 2] , met onderdak, kleren en eten in ruil voor seks. Hij heeft eiser gedrogeerd om seks met hem te hebben. Eiser geeft aan gevoelens voor zowel vrouwen als mannen te hebben, maar ervaart een blokkade door zijn moeder en zijn religie (Islam). Volgens eiser vermoeden mensen in Ivoorkust dat hij homoseksueel is omdat hij omging met [naam 2] . Eiser vreest voor negatieve reacties hierop als hij terug zal keren. Eiser stelt daarnaast dat er een keer aangifte tegen hem is gedaan omdat hij sliep onder de tafel van een vrouw.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas de volgende asielmotieven:

  1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. Problemen vanwege gestelde seksuele geaardheid;

  3. Problemen met de familie van eisers vader;

  4. Problemen met de vrouw van de tafel.

4.1.

Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst gedeeltelijk geloofwaardig. Uit de leeftijdsschouwen door de AVIM en de IND blijkt dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. Uit onderzoek is gebleken dat eiser in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum 3 februari 2006 en in Zwitserland met de geboortedatum 1 januari 2007. Eiser heeft wisselend verklaard over hoe deze leeftijdsregistraties tot stand zijn gekomen. Ook heeft hij verklaard dat hij in het bezit is van een geboorteakte, maar heeft hij deze niet overgelegd. Hierdoor kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Eisers problemen vanwege zijn gestelde seksuele geaardheid vindt verweerder ook niet geloofwaardig. Uit de verklaringen van eiser wordt niet duidelijk wat zijn geaardheid is en de relatie met [naam 2] kan volgens verweerder niet worden meegewogen, nu het niet ging om een romantische relatie.

4.2.

Verweerder laat de geloofwaardigheid van eisers problemen met de familie van zijn vader en de vrouw van de tafel in het midden en heeft enkel de zwaarwegendheid van deze asielmotieven beoordeeld. Volgens verweerder leiden deze asielmotieven niet tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming.

Heeft verweerder eisers gestelde minderjarigheid terecht ongeloofwaardig gevonden?

5. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij meerderjarig is. Eiser is door de AVIM op 9 juli 2024 als evident minderjarig aangemerkt. Het aanmeldgehoor met leeftijdsschouw door de IND vond pas vier maanden later plaats, terwijl in de puberale fase fysieke kenmerken in die tijdsperiode kunnen veranderen. Daarnaast voert eiser aan dat er bij het aanmeldgehoor met leeftijdsschouw een voogd aanwezig had moeten zijn. Eiser verwijst daarvoor naar overweging 72 van general comment 6 van het Vluchtelingenverdrag en considerans 25 en 29 van de Procedurerichtlijn. Eiser stelt dat de conclusie van de schouw ook onvoldoende is gemotiveerd. De gestelde uiterlijke kenmerken, het gestelde gedrag en de gestelde gedragingen passen juist bij een minderjarige leeftijd. Ook moet worden betrokken dat er geen voogd aanwezig was en er geen mogelijkheid was tot het indienen van correcties en aanvullingen. Nu de AVIM eiser als evident minderjarig heeft beoordeeld en verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd waarom er bij de schouw door de IND twijfel was over eisers minderjarigheid, was er geen vervolgonderzoek naar de leeftijdsregistraties in andere lidstaten nodig. Subsidiair voert eiser aan dat het onderzoek naar de leeftijdsregistraties in andere lidstaten onvolledig is. Verweerder heeft in Italië en Zwitserland geen navraag gedaan naar de totstandkoming van de leeftijdsregistratie. Daarnaast volgt uit het arrest Darboe en Camara van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat de presumptie van minderjarigheid moet worden aangehouden zolang verweerder deze niet heeft weggenomen door middel van multidisciplinair leeftijdsonderzoek. Eiser heeft tevens bij ieder gehoor een foto van zijn geboorteakte getoond en de voogd van Nidos heeft contact opgenomen met verweerder om het document te overhandigen. Dit werd niet nodig geacht omdat vooralsnog werd uitgegaan van minderjarigheid. Ten slotte voert eiser (meer subsidiair) aan dat er in Zwitserland een medisch onderzoek naar zijn leeftijd is verricht waaruit is gebleken dat eiser ten minste 16.1 jaar was, terwijl onduidelijk waarop de leeftijdsregistratie in Italië is gebaseerd. Verweerder had daarom in ieder geval van de Zwitserse leeftijdsregistratie moeten uitgaan.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser opgegeven geboortedatum ongeloofwaardig is. Volgens verweerder zijn er voldoende procedurele waarborgen geboden. Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat bij het aanmeldgehoor en de schouw de voogd niet in de gelegenheid gesteld hoeft te worden om aanwezig te zijn, omdat dit alleen bij het nader gehoor is vereist. Subsidiair stelt verweerder dat er dagelijks lijsten met gehoren naar Nidos worden gestuurd, waardoor de voogd wel degelijk in de gelegenheid is gesteld om aanwezig te zijn. Uit de leeftijdsschouwen van de AVIM en de IND bleek dat er twijfel was over de door eiser opgegeven leeftijd. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de tweede schouw uitgebreider gemotiveerd had kunnen worden, maar dat dit slechts een onderdeel is van de leeftijdsvaststelling. Als dit al een motiveringsgebrek is, is eiser volgens verweerder daarom niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de leeftijdsregistraties van eiser in Italië en Zwitserland. Deze komen niet overeen met elkaar en met de geboortedatum die eiser in Nederland heeft opgegeven. Het gaat om respectievelijk 3 februari 2006 (Italië) en 1 januari 2007 (Zwitserland). Eiser is bevraagd naar de omstandigheden waaronder die registraties hebben plaatsgevonden. Over de Italiaanse leeftijdsregistratie heeft eiser enerzijds verklaard dat hij niet meer weet welke datum hij in Italië heeft opgegeven en dat hij niet meer weet waar deze datum op gebaseerd is. Anderzijds heeft hij verklaard dat de Italiaanse autoriteiten hem een geboortedatum hebben toegekend. Ook over de Zwitserse leeftijdsregistratie heeft eiser verklaard dat de autoriteiten hem een geboortedatum hebben toegekend. Verweerder weegt in eisers nadeel dat eiser stelt een Zwitserse brief te hebben waarop de geboortedatum [geboortedatum 2] staat, maar deze niet heeft overgelegd. Verweerder weegt ook in eisers nadeel dat eiser stelt in Zwitserland een kopie van een geboorteakte te hebben overgelegd met de geboortedatum [geboortedatum 1] , maar dat dit geen aanleiding is geweest voor de Zwitserse autoriteiten om de geregistreerde geboortedatum te wijzigen en dat eiser hier geen verklaring voor heeft. Eiser heeft de geboorteakte niet overgelegd en hij heeft zijn verklaringen niet gecorrigeerd met de correcties en aanvullingen. Verweerder gaat uit van de leeftijdsregistratie in Italië, omdat de Italiaanse registratie het dichtst bij het moment van eisers vertrek uit zijn land van herkomst dateert. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de Zwitserse autoriteiten weliswaar een medisch onderzoek hebben verricht, maar dat daaruit ook niet eenduidig is gebleken dat eiser minderjarig is.

Toetsingskader

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet onverkort van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen en verweerder niet zonder meer mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Verweerder zal de leeftijd van een vreemdeling moeten beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht en met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Daarbij zal verweerder steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht aan een bepaalde registratie wordt toegekend en waarom. Ook zal verweerder alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Verweerder moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en/of verklaringen van voogden van Nidos, betrekken. Het voorgaande is ook neergelegd in WI 2025/1. Verweerder moet uitgaan van het vermoeden dat een vreemdeling minderjarig is als die vreemdeling dat stelt en verweerder daaraan twijfelt. Het is dan aan verweerder om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. Verweerder zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als verweerder na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal verweerder dat moeten motiveren.

Procedurele waarborgen

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende procedurele waarborgen heeft geboden voor de wijze waarop de leeftijd van eiser is vastgesteld. De Afdeling oordeelde in haar uitspraak van 9 oktober 2024 dat de rechten van het kind niet alleen gaan over de inhoudelijke beoordeling van verzoeken waarbij kinderen zijn betrokken, maar ook over het bieden van specifieke waarborgen voor de wijze waarop de leeftijd van een gestelde minderjarige moet worden bepaald. Uit artikel 25, eerste lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat er zo snel mogelijk maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger en zodat de vertegenwoordiger of een juridisch adviseur aanwezig is bij het persoonlijk onderhoud. De presumptie van minderjarigheid inachtnemend, had Nidos dan ook moeten worden uitgenodigd voor het aanmeldgehoor en de schouw. Hoewel verweerder ter zitting heeft gesteld dat dagelijks lijsten met gehoren naar Nidos worden opgestuurd, waardoor zij de mogelijkheid hebben om aanwezig te zijn, heeft verweerder niet onderbouwd dat dit in het geval van eiser daadwerkelijk is gebeurd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op het moment van het aanmeldgehoor van 2 november 2024, voornoemde WI 2025/1 nog niet in werking was getreden. De rechtbank volgt eiser in de stelling dat er nadien geen mogelijkheid meer was tot het indienen van correcties en aanvullingen, aangezien de schouw toen al had plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.

Leeftijdsschouw

5.4.

De rechtbank stelt voorop dat in de eerste leeftijdsschouw door de AVIM is geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. In de tweede leeftijdsschouw door de IND is geconcludeerd dat er twijfel is over eisers minderjarigheid. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de tweede leeftijdsschouw onvoldoende inzichtelijk en concludent is. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2025 geoordeeld dat om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, het van belang is dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de schouw niet concreet zijn verbonden met de observaties. De schouwers leggen in het rapport van het gehoor niet uit waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van eiser hebben geleid tot de conclusie dat er twijfel is over zijn minderjarigheid. In zoverre is er sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank volgt verweerder echter in zijn stelling dat eiser hiermee niet in zijn belangen is geschaad. In haar uitspraak van 22 september 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat, hoewel in die zaak beide schouwen niet inzichtelijk en concludent waren, verweerder met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van de vreemdeling. Daaruit volgt dus dat ook bij een motiveringsgebrek in één of beide schouwen vervolgonderzoek is toegestaan.

Onderzoek naar leeftijdsregistratie in Italië en Zwitserland

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat het vervolgonderzoek onvoldoende is onderbouwd, nu daaruit niet blijkt waarom verweerder is uitgegaan van de leeftijdsregistratie in Italië. In haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat als verweerder uitgaat van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat, hij zorgvuldig moet onderzoeken en deugdelijk moet motiveren welk gewicht hij aan die registratie toekent en waarom. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht hij aan de leeftijdsregistratie in Italië heeft toegekend en waarom hij daar gewicht aan heeft toegekend. Ook heeft hij niet toegelicht waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd. In ieder geval blijkt uit de uitvraag van verweerder dat Italië geen leeftijdsonderzoek heeft gedaan en dat eiser geen documenten heeft overgelegd. Eisers eigen verklaringen over de leeftijdsregistratie zijn niet eenduidig. Alleen al hierom is er sprake van een motiveringsgebrek. Het standpunt van verweerder dat niet van de Zwitserse leeftijdsregistratie is uitgegaan omdat de uitslag van het medisch onderzoek in Zwitserland niet eenduidig is, strookt niet met het kader zoals de Afdeling dat heeft geschetst. Het is immers aan verweerder om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. Bovendien vormde het medisch onderzoek voor de Zwitserse autoriteiten ook geen aanleiding om eiser als meerderjarig te registreren; integendeel, de Zwitserse autoriteiten zijn uitgegaan van de minderjarigheid van eiser. Het enkele feit dat eiser Europa is ingereisd via Italië en dat het moment waarop de Italiaanse autoriteiten zijn leeftijd hebben geregistreerd het dichtst op zijn uitreis uit Ivoorkust zit, vormt in het licht van het voorgaande onvoldoende reden om niet uit te gaan van de Zwitserse leeftijdsregistratie. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat eisers geboortedatum niet 1 januari 2007 is. De rechtbank overweegt ten slotte dat eiser, uitgaande van die geboortedatum, minderjarig zou zijn geweest ten tijde van zijn asielaanvraag.

Heeft verweerder eisers gestelde seksuele geaardheid terecht ongeloofwaardig gevonden?

6. Eiser voert aan dat verweerder zijn seksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft daarbij ten onrechte overwogen dat eiser een volwassen man is. Ook als uitgegaan moet worden van de Italiaanse leeftijdsregistratie, zou eiser ten tijde van het nader gehoor en het aanvullend gehoor bovendien pas 19 jaar oud zijn geweest. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd op basis waarvan mag worden verwacht dat eiser eenduidig over zijn seksuele geaardheid kan spreken. Uit de lichaamstaal en de verklaringen van eiser blijkt dat hij worstelt met het uiten van zijn geaardheid. Wanneer verweerder hem vraagt of hij homoseksueel is, ontkent hij omdat die term te confronterend, expliciet en beperkend voor hem is. Toch heeft hij gevoelens voor mannen. Eiser heeft dit nader toegelicht in een brief naar verweerder van 21 juli 2026. Volgens eiser had verweerder nader onderzoek moeten verrichten. Duidelijk is dat eiser niet heteroseksueel is. Hij twijfelt over de vraag of hij homo- of biseksueel is. Daarnaast had verweerder moeten toetsen of eiser homoseksualiteit zal worden toegedicht door de mensen in zijn wijk. Eiser is namelijk gedurende zes maanden zichtbaar omgegaan met [naam 2] en hij vermoedt dat men weet dat [naam 2] homoseksueel is.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers gestelde seksuele geaardheid ongeloofwaardig is. Omdat eiser onduidelijk is over wat zijn geaardheid is, heeft verweerder geen vertrekpunt om een beoordeling te kunnen maken. Eiser heeft immers wisselend verklaard over of hij aangetrokken is tot mannen en of hij zichzelf als homo- of biseksueel ziet. Ook uit de correcties en aanvullingen wordt niet duidelijk wat zijn geaardheid is. Verweerder volgt dat eiser enige moeite heeft met verklaren, nu hij aan het begin van zijn (ontwikkel)proces zit, onderweg gebeurtenissen heeft meegemaakt en hij moeite heeft met de vereniging van zijn geaardheid met de visies van zijn geloof en zijn moeder. Maar omdat eiser een volwassen man is en zijn seksuele geaardheid volgens hem één van de redenen is dat hij uit Ivoorkust is vertrokken, mag wel van hem worden verwacht dat hij hier eenduidig over kan verklaren. Uit het medisch advies blijkt ook niet dat eiser niet in staat is om over zijn problemen te spreken. Daarnaast had eiser tussen het nader en aanvullend gehoor tijd om zich voor te bereiden. Ten slotte stelt verweerder dat er gaan aanleiding was om toegedichte homoseksualiteit als asielmotief te beoordelen, omdat eisers stelling dat men wist dat hij niet heteroseksueel was op vermoedens is gebaseerd en hij in het aanvullend gehoor op de vraag “Waarom zouden ze jou bij terugkeer nu wel iets aandoen?” niet heeft geantwoord dat mensen hem homoseksualiteit toedichten.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers seksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Uit Werkinstructie (WI) 2019/17 blijkt dat verweerder rekening moet houden met het referentiekader tijdens het gehoor en de geloofwaardigheidsbeoordeling van de gestelde seksuele geaardheid als asielmotief. Het referentiekader bestaat volgens de WI onder andere uit opleiding, culturele achtergrond en levensfase. De rechtbank stelt vast dat verweerder weliswaar het referentiekader van eiser heeft benoemd, maar dat niet is gebleken dat hier in de besluitvorming voldoende rekening mee is gehouden. Verweerder heeft niet toegelicht wat het voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas betekent dat eiser afkomstig is uit Ivoorkust, dat hij gevoelens en schaamte ervoer door zijn moeder en de islam, en dat hij voor het eerst over zijn geaardheid sprak. De enkele overweging dat toch van eiser verwacht mocht worden dat hij persoonlijke verklaringen over zijn geaardheid kan afleggen, omdat dit een van de redenen is waarom hij Ivoorkust heeft verlaten, is daarvoor onvoldoende. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag meerderjarig was. Verweerder kan daarom in de besluitvorming ook niet uitgaan van de constatering dat eiser een volwassen man is. De rechtbank overweegt verder dat het niet van belang is of eiser zich als homo- of biseksueel identificeert. Met de verklaringen dat eiser niet heteroseksueel is, had verweerder al in voldoende mate een vertrekpunt om eisers seksuele geaardheid te kunnen beoordelen. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet getoetst of eiser homoseksualiteit toegedicht zal worden. Dat hij geen romantische relatie had met [naam 2] , neemt niet weg dat eiser heeft verklaard dat men vermoedelijk weet dat [naam 2] homoseksueel is en dat eiser heeft verklaard dat hij gedurende zes maanden met [naam 2] is opgetrokken. De rechtbank kan de stelling van verweerder dat eiser niet zou hebben verklaard te vrezen voor toegedichte homoseksualiteit niet volgen. Op pagina 19 van het aanvullend gehoor beantwoordt eiser de vraag “Denk je dat jouw buurtbewoners jou iets willen aandoen vanwege jouw geaardheid?” namelijk met “Ja.”.

6.3.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat er sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij een nieuw te nemen besluit dient te betrekken dat eiser heeft aangegeven dat hij romantisch contact heeft met een man in Den Haag en ter zitting heeft aangegeven dat hij dit contact kan onderbouwen.

Heeft verweerder eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond kunnen verklaren?

7. Eiser voert aan dat verweerder de aanvraag niet kennelijk ongegrond kon verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat eiser verweerder niet heeft misleid over zijn identiteit. Hij heeft immers geen valse informatie over zijn geboortedatum gegeven.

7.1.

Verweerder stelt dat eiser valse informatie heeft gegeven over zijn geboortedatum. Hiermee heeft hij geprobeerd om als minderjarige de procedure binnen te komen, terwijl ervan uit mag worden gegaan dat hij meerderjarig is.

7.2.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag niet ongegrond kon verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Op basis van de beschikbare informatie kan immers niet worden vastgesteld was eisers geboortedatum is. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser een kopie van een geboorteakte heeft overgelegd waarvan niet bekend is of die vals is. Verweerder kon op basis van deze informatie niet stellen dat eiser hem misleid heeft.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuusrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

8.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

8.2.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt daarom € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 31 augustus 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;’

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Immigratie- en Naturalisatiedienst. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Richtlijn 2013/32/EU. ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717. ECLI:NL:RVS:2024:3992. ECLI:NL:RVS:2024:5364. ECLI:NL:RVS:2024:3992, rechtsoverweging 7.3. Zie onder meer paragraaf 5.3. ECLI:NL:RVS:2024:3992. ECLI:NL:RVS:2025:3801. ECLI:NL:RVS:2024:3992. Vergelijk ECLI:NL:RVS:2026:1012.