Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:6416

Op 24 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.62551, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:6416. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.62551
Datum uitspraak:
24 March 2026
Datum publicatie:
24 March 2026

Indicatie

AA. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd welke waarde gehecht wordt aan de verschillende onderdelen van de leeftijdsbepaling en hoe deze hebben geleid tot de conclusie dat er kan worden uitgegaan van de geboortedatum waaronder eiser in Spanje zou zijn geregistreerd en dus als meerderjarig kan worden aangemerkt. Beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62551

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser,

van Guinese nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Volckmann),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. Evers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. (Voetnoot 1) Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend. Aan eiser is wel een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en moet vertrekken naar Guinee.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren op [ geboortedatum 1] , de Guinese nationaliteit heeft en tot de Jakhanke bevolkingsgroep behoort. Verder heeft eiser verklaard dat zijn vader in [maand en jaartal] is overleden en dat hij vervolgens problemen heeft gekregen met zijn oom van vaderskant. De oom zou hebben gesteld dat eiser een bastaardzoon is en eiste dat eiser uit het ouderlijk huis vertrok. Ook heeft de oom eiser veelvuldig mishandeld en meermaals met de dood bedreigd. Eiser heeft vervolgens een periode noodgedwongen op straat geleefd en is uiteindelijk met behulp van een oom van zijn moederskant in [maand en jaartal] uit Guinee vertrokken. Eiser vreest bij terugkeer naar Guinee dat zijn oom van zijn vaderskant wraak wil nemen of hem wil vermoorden. Ter onderbouwing van zijn identiteit heeft eiser een geboorteakte overgelegd.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

problemen met de oom.

4.1.

De minister acht de nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De identiteit acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn identiteit niet met documenten onderbouwd. De door eiser overgelegde geboorteakte kan niet als bewijs dienen, omdat deze geen foto bevat. Verder vormen eisers verklaringen over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over zijn de leeftijdsregistratie in Spanje en over de verkrijging van zijn geboorteakte. De minister acht de problemen met de oom ook niet geloofwaardig. Eisers verklaringen hierover vormen ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser meermaals wisselend over data verklaard en is zijn asielrelaas in strijd met de gegevens op de overgelegde geboorteakte. De verklaring van eiser dat zijn oom naar hem op zoek is, vindt de minister ongerijmd en enkel gebaseerd op vermoedens.

4.2.

De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet binnen vier weken naar Guinee vertrekken.

5. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting bevestigd dat de minister de tegenwerping dat eiser niet kan toelichten wat de oorzaak is van de problemen met zijn oom in het bestreden besluit heeft laten vallen. Hiermee zijn ook de opmerkingen die de minister in dat kader over het referentiekader van eiser heeft gemaakt komen te vervallen.

Herhaling zienswijze

6. Eiser verwijst naar de zienswijze en verzoekt om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering in het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?

7. Eiser voert aan dat de minister het referentiekader van eiser niet bij de besluitvorming heeft betrokken. De stelling van de minister in het bestreden besluit dat het referentiekader standaard wordt betrokken, is onvoldoende. Dit klemt temeer nu eiser nagenoeg analfabeet is. Eiser heeft slechts één jaar een Koranschool bezocht en dit kan niet worden aangemerkt als regulier onderwijs. Het is hiermee aannemelijk dat de mathematische vaardigheden van eiser niet dan wel gebrekkig zijn ontwikkeld waardoor er imperfecties in zijn verklaringen optreden.

7.1.

De rechtbank overweegt als volgt. De minister dient in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van een vreemdeling. (Voetnoot 2) Dit blijkt ook uit Werkinstructie (WI) 2024/6, waarin staat dat bij de beoordeling van de vijf voorwaarden van de geloofwaardigheidsbeoordeling – voor zover relevant – kenbaar rekening moet worden gehouden met wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling verlangd mag worden. Daarbij speelt het referentiekader van de vreemdeling een rol.

7.2.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft nagelaten om de aspecten die een rol spelen bij het referentiekader kenbaar bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser te betrekken. Uit zowel het voornemen als het bestreden besluit volgt niet op welke wijze de minister rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. De opmerking van de minister in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het voornemen, dat altijd rekening wordt gehouden met het referentiekader is hiertoe onvoldoende. De minister heeft in het voornemen namelijk enkel overwogen dat eiser weliswaar weinig scholing heeft gehad, maar dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat er wel van eiser verwacht mag worden dat hij consistent kan verklaren over wanneer iets is gebeurd. De rechtbank acht deze passage onvoldoende. De minister heeft nagelaten om vervolgens toe te lichten waarom er desondanks van eiser verwacht mag worden dat hij consistent kan verklaren en in hoeverre het referentiekader daarbij is betrokken. Gelet hierop is de geloofwaardigheidsbeoordeling in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.

Heeft de minister de leeftijd van eiser op de juiste wijze vastgesteld?

8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte is uitgegaan van de geboortedatum waarmee eiser in Spanje staat geregistreerd. Eiser wijst op de uitspraken van de Afdeling (Voetnoot 3) van 24 december 2024 (Voetnoot 4) en van 10 december 2025 (Voetnoot 5). Hieruit volgt dat het feit dat de overgelegde geboorteakte geen identificerend document is niet wegneemt dat hierop wel een geboortedatum staat die de verklaringen van eiser daarover ondersteunt. Er had volgens eiser extra zorgvuldigheid mogen worden verwacht bij de leeftijdsbepaling, nu de uitkomst van de leeftijdsschouw bij de AVIM en bij de IND lijnrecht tegenover elkaar staan en de conclusies allebei het predicaat ‘evident’ hebben gekregen. Bovendien zijn de leeftijdsschouwen volgens eiser niet inzichtelijk en concludent.

8.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat eiser heeft verklaard minderjarig te zijn, is het aan de minister om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De minister heeft hiertoe allereerst een leeftijdsschouw uitgevoerd. Uit de schouw van de KMar volgt dat eiser evident minderjarig is en uit de schouw van de IND volgt dat eiser evident meerderjarig is. Gelet op dit verschil heeft de minister geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. De minister heeft vervolgens nader onderzoek gedaan door navraag te doen bij de Spaanse autoriteiten. In de reactie van de Spaanse autoriteiten staat dat eiser daar bekendstaat met de geboortedatum [geboortedatum 2] . Uit de reactie blijkt verder dat er geen documenten aan de registratie ten grondslag zijn gelegd en dat eiser geen asielaanvraag heeft gedaan in Spanje.

8.2.

In haar uitspraak van 9 oktober 2024 (Voetnoot 6) heeft de Afdeling het volgende overwogen:

‘7.2. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Dat betekent dat hij dan van het vermoeden moet uitgaan dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige moet behandelen. De Afdeling wijst ter vergelijking op artikel 25, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, de paragrafen 139-141, 153 en 154 van het hiervoor genoemde arrest Darboe en Camara en de punten 72 en 73 van het eerdergenoemde arrest K en L. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren.

Bij dit onderzoek zal hij ook moeten samenwerken met de vreemdeling. Daarbij moet hij rekening houden met de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, en vreemdelingen bij het ontbreken van bewijsmateriaal onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel geven. Zie artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, en het arrest van het EHRM van 22 februari 2024, M.H. en S.B. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2024:0222JUD001094017, paragrafen 71, 72 en 79.

7.3.

Als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en/of verklaringen van voogden van Nidos, betrekken.’

8.3.

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de presumptie van minderjarigheid is weerlegd.

8.4.

De minister heeft niet zorgvuldig onderzocht en niet voldoende gemotiveerd welk gewicht aan de registratie bij de Spaanse autoriteiten toekomt en waarom. Uit de overgelegde informatie van de Spaanse autoriteiten blijkt niet op basis waarvan en onder welke omstandigheden de registratie heeft plaatsgevonden. Er staat enkel aangegeven dat er geen documenten aan de registratie ten grondslag zijn gelegd en dat eiser geen asielaanvraag heeft gedaan in Spanje. De gemachtigde van de minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat hieruit volgt dat het niet anders kan dan dat de registratie in Spanje is gebaseerd op eigen verklaringen van eiser en dat er daarom vervolgens bij eiser is geïnformeerd onder welke omstandigheden de verklaring is afgelegd. De rechtbank volgt deze stelling niet zondermeer. Dit blijkt immers niet uit de informatie van de Spaanse autoriteiten. Het had op de weg van de minister gelegen om nadere informatie op te vragen over de wijze van registratie in Spanje voordat de minister bij eiser verder kon gaan informeren of hij een plausibele verklaring heeft voor de manier waarop zijn leeftijd in Spanje is geregistreerd. Dit te meer nu eiser van meet af aan heeft aangegeven dat in Spanje een onjuiste geboortedatum is geregistreerd door de autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat het besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

8.5.

Verder heeft de minister ook nagelaten om alle feiten en omstandigheden in samenhang te beoordelen, terwijl deze verplichting wel volgt uit WI 2025/1. De minister heeft in het voornemen gesteld dat alles in samenhang bezien de geboortedatum van [ geboortedatum 1] niet aannemelijk is en dat daarom van de datum van [geboortedatum 2] wordt uitgegaan. De minister heeft daarbij evenwel nagelaten om per meegewogen onderdeel aan te geven op welke wijze dit onderdeel meeweegt en welk gewicht aan elk van die onderdelen heeft gehecht. Zo heeft de minister ten onrechte niet gemotiveerd op welke wijze de tegenstrijdige leeftijdsschouwen van invloed zijn geweest op de vaststelling van de leeftijd van eiser. De stelling van de gemachtigde van de minister op de zitting, dat de vraag of de schouwen voldoende inzichtelijk en concludent zijn niet relevant is nu de schouwen hebben geleid tot nader onderzoek, volgt de rechtbank dan ook niet. De minister heeft ook nagelaten uit te leggen op welke wijze de overgelegde geboorteakte is meegewogen, terwijl uit de genoemde overweging volgt dat hieraan enige waarde is toegekend. Ook dit is relevant in het kader van het in samenhang beoordelen van alle feiten en omstandigheden.

8.6.

Al met al heeft de minister onvoldoende gemotiveerd welke waarde wordt gehecht aan de verschillende onderdelen van de leeftijdsbepaling en hoe deze hebben geleid tot de conclusie dat er kan worden uitgegaan van de geboortedatum waaronder eiser in Spanje zou zijn geregistreerd en eiser dus als meerderjarig kan worden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9.1.

Omdat het beroep op grond van het voorgaande al gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

9.2.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op

€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het betreden besluit van 15 december 2025;

- draagt de minister op om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2073, onder 1.1.

Voetnoot 3

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RVS:2024:5364.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RVS:2025:5822.

Voetnoot 6

ECLI:NL:RVS:2024:3992.