Vreemdelingenrecht
Ambv – overgangsrecht – Slowakije – beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31958 · Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31958
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.37598
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31958
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ambv – overgangsrecht – Slowakije – beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37598
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Inleiding
Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Slowakije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1984 en de Ethiopische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 22 april 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit EU-Vis is namelijk gebleken dat eiser van Slowakije een visum heeft gekregen. Dit visum was geldig van 17 februari tot en met 10 maart 2026. Verweerder heeft gelet daarop Slowakije gevraagd om eiser over te nemen, op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Op 15 juni 2026 is Slowakije hiermee akkoord gegaan.
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit inconsistent is ten aanzien van het toepasselijk recht. Verweerder heeft namelijk overwogen dat de zaak onder het toepassingsbereik van de Ambv valt, terwijl de verantwoordelijkheid van Slowakije is gebaseerd op artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. In dit kader heeft eiser ook een beroep gedaan op de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2026. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om de vertegenwoordigingsregeling in de zin van artikel 8 van de Visumcode te onderbouwen. Verder heeft verweerder ook ten onrechte niet onderzocht of het visum eiser daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat. Volgens eiser heeft hij namelijk niet op basis van zijn Slowaaks visum toegang gekregen tot Duitsland. Verder voert eiser aan dat verweerder het interstatelijk vertrouwensbeginsel onvoldoende individueel heeft gemotiveerd. Eiser wijst hierbij op het AIDA-rapport waaruit volgt dat Slowakije geen individuele garanties kan bieden. Ook heeft verweerder de medische situatie van eiser onvoldoende bij de besluitvorming betrokken; verweerder had moeten onderzoeken of de oogaandoening van eiser in Slowakije adequaat behandeld kan worden. Een onderbreking van het behandeltraject leidt tot een risico van onomkeerbaar zichtverlies. In dit kader wijst eiser eveneens op het AIDA-rapport en op een brief van zijn behandelend oogarts. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Toepasselijk recht
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het bestreden besluit inconsistent is ten aanzien van het toepasselijk recht, omdat de verantwoordelijkheid van Slowakije op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is vastgesteld. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening, maar de Ambv. De Ambv bevat een overgangsbepaling in geval het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd. Op grond van artikel 84, tweede lid, van de Ambv wordt op basis van de in de Dublinverordening vastgelegde criteria bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een dergelijk verzoek. Verweerder heeft dan ook terecht de verantwoordelijkheid van Slowakije vastgesteld aan de hand van de criteria uit de Dublinverordening.
4. In artikel 43, eerste lid, van de Ambv is bepaald wat de draagwijdte is van een beroep onder de Ambv. In de uitspraak van 7 oktober 2026 heeft de Afdeling prejudiciële vragen gesteld over hoe het overgangsrecht zoals bepaald in artikel 84, tweede lid, van de Ambv moet worden uitgelegd. De Afdeling heeft ervoor gekozen om, in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen, een ruime uitleg te geven aan de rechtsbescherming van vreemdelingen. Dit houdt in dat alle aanvragen die vóór
12 juni 2026 geregistreerd zijn, zullen worden beoordeeld aan de hand van de criteria uit de Dublinverordening. Deze criteria zijn naar het voorlopig oordeel van de Afdeling niet beperkt tot de materiële criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat uit hoofdstuk III van de Dublinverordening in het geval van overname, maar omvatten ook de bepalingen over terugname en de discretionaire en procedurele bepalingen. De rechtbank zal het beroep dan ook niet aanhouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen. De rechtbank zal dus toetsen aan de criteria van de Dublinverordening, omdat eisers verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd.
Verantwoordelijkheid Slowakije
5. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening is, wanneer de verzoeker houder is van een geldig visum, de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, tenzij dit visum namens een andere lidstaat is afgegeven op grond van een vertegenwoordigingsregeling als bedoeld in artikel 8 van de Visumcode. In dat geval is de vertegenwoordigde lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
6. Aan eiser is een Schengenvisum afgegeven door ‘the authorities of Czechia representing the autorithies of Slovakia’. Hieruit blijkt dat het visum is afgegeven namens de Slowaakse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Slowaakse autoriteiten hem geen visum hebben verstrekt. Daar komt bij dat Slowakije de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag heeft aanvaard.
7. De stelling van eiser dat hij van dit visum geen gebruik heeft gemaakt bij zijn inreis in Duitsland, heeft verweerder terecht niet gevolgd. Eiser heeft ter zitting slechts gesteld dat hij gebruik heeft gemaakt van andere documenten, maar hij heeft deze stelling niet geconcretiseerd en onderbouwd. Verweerder mocht er dan ook van uitgaan dat het namens Slowakije afgegeven Schengenvisum eiser daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat in de zin van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
8. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht geconcludeerd dat Slowakije de verantwoordelijke lidstaat is voor de asielaanvraag van eiser.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Verweerder mag in beginsel ten opzichte van Slowakije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.
10. Eiser is hierin niet geslaagd. De enkele stelling van eiser dat verweerder een individuele beoordeling moet maken, zonder dat eiser naar individuele omstandigheden heeft verwezen, is daartoe onvoldoende. De verwijzing naar het AIDA-rapport en de stelling dat Slowakije geen individuele garanties kan bieden, is ook onvoldoende om aannemelijk te maken dat in eisers geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daargelaten de vraag of uit het AIDA-rapport daadwerkelijk volgt dat door de Slowaakse autoriteiten geen individuele garanties kunnen worden gegeven, is gesteld noch gebleken dat eiser bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een bijzondere opvangbehoefte heeft en dat Slowakije, zonder aanvullende garanties, mogelijk niet aan die bijzondere opvangbehoefte kan voldoen. Dit betekent dat verweerder niet gehouden is om individuele garanties te vragen aan de Slowaakse autoriteiten. Het betoog van eiser kan daarom niet slagen.
Medische omstandigheden
11. Verder is niet is gebleken dat overdracht van eiser aan Slowakije zal leiden tot een ernstige en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zoals bedoeld in het arrest C.K. Uit de door eiser overgelegde brief van zijn oogarts blijkt dat eiser in mei 2026 een afspraak had op de polikliniek Oogheelkunde, dat een vervolgafspraak voor over zes maanden wordt gemaakt en dat eiser actieve medicatie heeft. Hiermee heeft eiser niet aangetoond dat zijn medische situatie aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren als gevolg van de overdracht. Ook zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor behandeling. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Slowakije niet dezelfde of geen adequate medische behandelmogelijkheden heeft als Nederland. De enkele verwijzing van eiser naar een passage uit het AIDA-rapport waarin staat dat Dublinterugkeerders worden beschouwd als gewone asielzoekers, is daarvoor onvoldoende.
Discretionaire bevoegdheid
12. Tot slot maken eisers individuele omstandigheden niet dat overdracht aan Slowakije onevenredig moet worden geacht. In dit kader heeft eiser in beroep gewezen op zijn medische omstandigheden, maar dit is reeds betrokken bij het bovenstaande. Dit leidt dan ook niet tot het oordeel dat de overdracht van eiser onevenredig hard is. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.