Vreemdelingenrecht

Verzet – mob – geen procesbelang

Rechtbank Den Haag, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
NL26.32235
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32687
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet – mob – geen procesbelang

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.32235 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van


[opposant] , opposant,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 juli 2026 in het geding tussen

opposant

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 juli 2026 (de aangevallen uitspraak) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard.

Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.

De rechtbank heeft het verzet op 5 november 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Opposant is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Artikel 8:54 van de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.

2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het verzet ontvankelijk is. Volgens vaste rechtspraak ontvalt het procesbelang als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder dat bekend is waar hij verblijft omdat er dan van wordt uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn verzet. Dit is slechts anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dat hij zijn verzet wil handhaven. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

3. Bij brief van 4 november 2026 heeft verweerder medegedeeld dat opposant met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft op 4 november 2026 de gemachtigde van opposant verzocht om kenbaar te maken of hij nog recent contact heeft gehad met opposant en of hij op de hoogte is van zijn verblijfsplaats. Bij bericht van 5 november 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat hij geen contact meer heeft met opposant. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat opposant niet langer prijs stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland en dus geen belang meer heeft bij de beoordeling van het verzet.

4. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het verzet niet inhoudelijk wordt beoordeeld en dat de eerdere uitspraak van 23 juli 2026 in stand blijft.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. ECLI:NL:RBDHA:2026:20759. Algemene wet bestuursrecht. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.