Vreemdelingenrecht
Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Rechtbank Den Haag, 6 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32753 · Rechtbank Den Haag · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32753
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- NL26.64466
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32753
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.64466
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn verschenen. Eiser is niet verschenen. Hij heeft voorafgaand aan de zitting een afstandsverklaring ondertekend en daarmee afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Aansluiting tussen heenzending en ophouding
4. Voor zover eiser stelt dat uit het dossier niet blijkt dat hij aaneensluitend vanuit de strafrechtelijke heenzending in de vreemdelingenrechtelijke ophouding is overgegaan, volgt de rechtbank hem daarin niet. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) blijkt dat eiser om 12:07 uur op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw is overgenomen en opgehouden, aansluitend op de strafrechtelijke heenzending op last van de hulpofficier van justitie. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit proces-verbaal te twijfelen. Ook anderszins is uit het dossier niet gebleken dat de ophouding niet aaneensluitend zou zijn geweest.
Rechtsbijstand
5. Eiser betoogt dat de minister het recht op rechtsbijstand heeft geschonden. Hij voert daartoe aan dat geen (juiste) piketmelding is gedaan. Uit dossierstuk ‘melding vreemdelingenpiket HV04” blijkt volgens eiser dat de melding is uitgegaan voor de ophouding en niet voor de inbewaringstelling. Hij wijst erop dat bij piketmeldingen voor een inbewaringstelling gewoonlijk “inbewaring” achter “soort aanvraag” staat, zoals blijkt uit de bijgevoegde piketmeldingen van 2026. Daardoor is de minister volgens eiser ten onrechte met het gehoor begonnen nadat twee uur was gewacht. De verbalisanten hadden bovendien moeten beseffen dat de piketadvocaat de melding als een melding voor de ophouding zou opvatten. Verder heeft de minister volgens eiser onvoldoende gedaan om rechtsbijstand te realiseren. Eiser had uitdrukkelijk om een advocaat verzocht, maar de aangewezen advocaat was telefonisch onbereikbaar. De verbalisanten hebben alleen de voicemail ingesproken en twee uur gewacht. Zij hadden volgens eiser opnieuw contact moeten opnemen met de piketcentrale, ook omdat daar door de verlengde ophoudingstermijn van negen uur voldoende tijd voor was. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2018,, en 21 juli 2021, en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 5 maart 2026. Doordat rechtsbijstand ontbrak, kon eiser zijn persoonlijke omstandigheden en bezwaren tegen de vrijheidsontneming niet naar voren brengen en is hij in zijn verdedigingsbelangen geschaad. Volgens eiser valt de belangenafweging daarom in zijn voordeel uit.
6. De rechtbank is van oordeel dat het recht op rechtsbijstand niet is geschonden. Volgens paragraaf A5/6.5 van de Vc worden de piketcentrale of de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst. Met het gehoor mag zonder advocaat worden begonnen als er binnen twee uur na de verzending van dat bericht geen advocaat aanwezig is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2022 volgt dat de wachttijd aanvangt zodra de minister de piketmelding heeft verzonden. Verder volgt daaruit dat het op de weg van de advocaat ligt om contact op te nemen als zij na acceptatie van de melding niet bij het gehoor aanwezig kan zijn.
Uit de piketmelding en de acceptatiegegevens, blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de melding op 24 oktober 2026 om 13:05 uur heeft ontvangen en dat mr. [naam] de melding om 13:23 uur heeft geaccepteerd. Vervolgens heeft de AVIM-medewerker de advocaat om 13:33 uur gebeld en de voicemail ingesproken met het verzoek om terug te bellen. Daarna is meer dan twee uur gewacht en is om 15:53 uur met het gehoor begonnen. De minister heeft de wachttijd van twee uur in acht genomen en daarmee in overeenstemming met het beleid gehandeld. Anders dan eiser betoogt, was de minister niet gehouden de piketcentrale opnieuw te benaderen. Uit het beleid volgt niet dat de minister na acceptatie van de melding nog nadere pogingen moet doen om de advocaat te bereiken. Het beleid spreekt slechts van het berichten van de piketcentrale of de voorkeursadvocaat. Dat sprake is van een vaste gedragslijn op grond waarvan de minister meer zou moeten doen, is niet gebleken. De AVIM heeft de advocaat bovendien telefonisch benaderd en een terugbelverzoek achtergelaten. Daarmee heeft de minister meer gedaan dan het beleid van hem vraagt.
Dat bij “soort aanvraag” “ophouding” staat en niet “inbewaring”, maakt niet dat de melding niet op de voorgenomen inbewaringstelling betrekking had. De piketadvocaat heeft de melding geaccepteerd en is daarmee bericht over de komst van een gehoor. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de minister hierdoor onzorgvuldig heeft gehandeld of dat een andere vermelding tot een andere uitkomst zou hebben geleid ten aanzien van de bereikbaarheid van de advocaat.
De door eiser aangehaalde uitspraken van de Afdeling en van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, leiden evenmin tot een ander oordeel, omdat in die zaken geen sprake was van een vergelijkbare situatie. Dat eiser door het ontbreken van rechtsbijstand zijn bezwaren niet naar voren heeft kunnen brengen, komt voor zijn rekening en risico. Het stond eiser vrij om tijdens het gehoor zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen. Bovendien heeft eiser in de beroepsprocedure zijn bezwaren alsnog naar voren kunnen brengen. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Bij besluit van 10 maart 2026, aan eiser uitgereikt op 5 juli 2026, is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en eiser is aangezegd dat hij Nederland binnen een maand dient te verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
8. De rechtbank is van oordeel dat de gronden b en r terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor grond b is voldoende dat deze feitelijk juist is. Daarvan is sprake. Eiser heeft op 10 maart 2026 een besluit ontvangen waarin zijn verblijfsrecht is ingetrokken en waarbij hem is aangezegd Nederland binnen een maand te verlaten. Hieraan heeft eiser geen gevolg gegeven. Ook grond r is feitelijk juist en het onderduikrisico is gemotiveerd. Eiser staat niet ingeschreven in de BRP en heeft ook niet anderszins aangetoond te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats. Dat hij al lange tijd bij vrienden woont, zonder dat hij andere adresgegevens heeft overgelegd, is hiervoor onvoldoende.
De rechtbank concludeert dat deze twee gronden al voldoende zijn om de maatregel te dragen en om aan te nemen dat een risico op onderduiken bestaat. De rechtbank laat de beoordeling van de gronden h en s daarom onbesproken.
Lichter middel
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee het onderduikrisico is gegeven. Overigens is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vierde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 28 oktober 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister op de zitting toegelicht dat hij op dezelfde dag het paspoort heeft ontvangen en dat hij een vlucht heeft aangevraagd, waarvan nog geen datum bekend is. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
11. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting naar Polen in algemene zin niet ontbreekt. Niet is gebleken dat de Poolse autoriteiten geen lp’s verstrekken en ook niet dat zij op andere wijze geen medewerking verlenen aan gedwongen terugkeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiser anders over te oordelen
Refoulementbeoordeling
12. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen refoulementsbeoordeling heeft gemaakt. Volgens eiser had de minister hem hier expliciet over moeten bevragen. Dat is niet gebeurd, want de vragen over dit onderwerp in het gehoor zijn niet daadwerkelijk gesteld en staan onbeantwoord in het proces-verbaal.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2026 volgt dat de minister in een maatregel van bewaring die erop is gericht een Unieburger naar een andere lidstaat uit te zetten, geen refoulementsbeoordeling hoeft te maken, tenzij een van de uitzonderingen uit het Protocol (nr. 24) bij het VWEU inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie zich voordoet. Niet gebleken is dat zich in het geval van eiser een uitzondering voordoet. De minister hoefde daarom geen refoulementsbeoordeling te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding om de bewaring op enig moment onrechtmatig te achten.
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.