Vreemdelingenrecht
Bewaring ex artikel 59 eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Rechtbank Den Haag, 6 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32756 · Rechtbank Den Haag · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32756
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- NL26.64510
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32756
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring ex artikel 59 eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.64510
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L. Ploeger ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. De minister heeft weliswaar zijn inspanningsverplichting geschonden, maar de belangenafweging valt in zijn voordeel uit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 25 oktober 2026 op grond van artikel 59 eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser en een tolk zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De gemachtigde van eiser is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Inspanningsverplichting
4. Eiser betoogt dat de minister zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Volgens hem blijkt niet dat de minister al voor de inbewaringstelling voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt.
Uit recente rechtspraak van de Afdeling volgt dat de datum van het strafrechtelijke vonnis geldt als het moment vanaf wanneer de minister via de ketenpartners bekend is, of bekend wordt geacht, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Bij een detentie van 30 dagen of korter moet de minister uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis (of na de dag waarop de executie van een eerder opgelegde gevangenisstraf feitelijk is begonnen) een eerste voorbereidingshandeling verrichten. Daarbij moet hij rekening houden met de feiten en omstandigheden van het geval.
De rechtbank stelt vast dat de strafrechtelijke detentie van eiser op 4 oktober 2026 is aangevangen en op 25 oktober 2026 is geëindigd. Zij heeft daarmee 22 dagen geduurd. Gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak moest de minister uiterlijk op 13 oktober 2026 een eerste voorbereidingshandeling verrichten. Op de zitting heeft de minister erkend dat hij dit niet heeft gedaan en dat hij zijn inspanningsverplichting daarmee heeft geschonden. De rechtbank gaat daar ook van uit.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2026, volgt dat een schending van de inspanningsverplichting niet zonder meer betekent dat de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig is. Er moet dan een belangenafweging plaatsvinden. Daarbij spelen onder meer een rol de duur van de schending, de duur van de vreemdelingenbewaring, de mate waarin de minister voortvarend handelt, de mogelijkheden om op korte termijn terugkeer te realiseren en de mate waarin de vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek.
De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van de minister uitvalt. De minister heeft weliswaar te laat een eerste voorbereidingshandeling verricht, want hij heeft pas op 29 oktober 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd, maar de schending is beperkt. Zij heeft 16 dagen geduurd, gerekend vanaf 13 oktober 2026. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat eiser zijn uitzetting in het verleden heeft gefrustreerd door meermaals met onbekende bestemming te vertrekken. Ook heeft hij meerdere keren aangegeven dat hij niet terug wil naar Algerije. Daar komt bij dat er een reële mogelijkheid is dat eiser op korte termijn kan worden uitgezet, gelet op het feit dat er kopieën van zijn identiteitsdocumenten beschikbaar zijn en de minister op 29 oktober 2026 heeft verzocht om teruggave van de originelen, die in handen zijn van de Duitse autoriteiten. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de schending van de inspanningsverplichting er niet toe leidt dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 27 februari 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, met uitzondering van grond q, ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb aanwezig. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 van het Vb neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een onderduikrisico bestaat.
Ten aanzien van grond q is de rechtbank van oordeel dat de maatregel niet motiveert waarom deze grond wijst op een onderduikrisico en dat die grond daarom niet aan eiser kan worden tegengeworpen.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee het onderduikrisico is gegeven. Overigens is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister sinds de inbewaringstelling voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op 29 oktober 2026, de derde dag van de inbewaringstelling, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister op de zitting toegelicht dat hij op 29 oktober 2026 bij de Duitse autoriteiten heeft verzocht om het rijbewijs en het paspoort van eiser naar Nederland te sturen.
Zicht op uitzetting
9. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Dat uitzetting volgens eiser niet aan de orde kan zijn omdat hij een lopende asielaanvraag in Duitsland heeft, wordt niet gevolgd. Op de zitting heeft de minister bovendien toegelicht dat de asielprocedure van eiser in Duitsland is afgerond en dat hem ook in Duitsland een terugkeerbesluit is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
11. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.