Vreemdelingenrecht

Statushouder Griekenland De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat de vraag rijst of verweerder met zijn…

Rechtbank Den Haag, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
NL26.46537 tussenuitspraak
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32780
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Statushouder Griekenland

De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat de vraag rijst of verweerder met zijn zelfredzaamheidsbeoordeling in wezen beoordeelt of de statushouder zich kan handhaven in een situatie die in zijn algemeenheid voor statushouders als strijdig met artikel 4 van het Handvest wordt geacht. De beoordeling die verweerder lijkt te verrichten is ‘de statushouder kan zijn rechten niet effectueren tenzij,….De ‘tenzij’ wordt dan ingevuld met een beoordeling van de zelfredzaamheid. De rechtbank overweegt dat ‘zelfredzaamheid’ in dat geval een eufemisme is en in wezen betekent dat verweerder nagaat of de statushouder zich zal weten te redden in een situatie die in zijn algemeenheid niet te verenigen is met artikel 4 van het Handvest.

Verweerder lijkt dit te bevestigen en te redeneren dat als een statushouder zich kan handhaven in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie, er dan geen schending van artikel 4 van het Handvest meer dreigt. Eiser meent dat deze redenering niet opgaat en heeft ook gewezen op artikel 1 van het Handvest dat het grondrecht op eerbiediging van de menselijke waardigheid garandeert.

Omdat dit voor de rechtbank de kern van de zaak is, doet de rechtbank een tussenuitspraak en stelt de rechtbank verweerder in de gelegenheid om onder meer de vraag te beantwoorden of de term ‘zelfredzaam’ betrekking heeft op alle statushouders die niet ‘bijzonder kwetsbaar’ zijn of dat ‘zelfredzame statushouders’ moeten worden beschouwd als een zelfstandige categorie statushouders, naast ‘bijzonder kwetsbare statushouders’ en ‘niet bijzonder kwetsbare statushouders’?

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46537 T


Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 2005, Soedanese nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer],

eiser,

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. T. Tichelaar).

Procesverloop

Eiser heeft op 14 augustus 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag in zijn besluit van 12 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard en eiser opgedragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven.

Eiser heeft op 14 augustus 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.46538).

Eiser heeft op 24 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. Op 2 september 2026 heeft eiser verder aan de rechtbank verzocht om bij verweerder een ongelakte versie van IB 2026/31 op te vragen.

Naar aanleiding van eisers verzoek heeft de rechtbank op 2 september 2026 aan verweerder verzocht om uiterlijk 1 oktober 2026 te reageren op het bericht van eiser en om de ongelakte versie van IB 2026/31 te overleggen. Ook heeft de rechtbank verweerder verzocht om aan te geven of er na het verstrijken van de geldigheid van IB 2026/31 op 28 februari 2026 en voor de publicatie van het IB op 25 augustus 2026 een of meerdere andere informatieberichten tot stand zijn gekomen en daarbij ook in te gaan op de door eiser overgelegde brief van 26 juni 2026.

Op 15 september 2026 heeft eiser nadere gronden van beroep ingediend.

Op 2 oktober 2026 heeft de rechtbank verweerder verzocht om uiterlijk op 9 oktober 2026 te reageren op de door eiser overgelegde brief van 26 juni 2026.

Op 1 oktober 2026 en op 8 oktober 2026 heeft verweerder gereageerd op de verzoeken van

de rechtbank en een briefverweer ingediend.

Op 9 oktober 2026 heeft eiser nadere gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft op 15 oktober 2026 een verweerschrift uitgebracht.

Op 16 oktober 20226 heeft eiser zijn beroepschrift van nadere gronden voorzien en gereageerd op het verweerschrift.

Verweerder heeft op 20 oktober 2026 de rechtbank geïnformeerd de op 18 oktober 2026 door de rechtbank opgevraagde gegevens niet te kunnen verstrekken en verweerder heeft op 21 oktober 2026 de door de Griekse autoriteiten op 8 september 2026 gegeven antwoorden op door verweerder gestelde vragen aan het dossier toegevoegd.

Op 21 oktober 2026 heeft eiser zijn pleitnotities aan het dossier toegevoegd.

De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Na afloop de behandeling van het beroep heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Op 6 november 2026 heeft de rechtbank medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend en de rechtbank een tussenuitspraak zal doen.

Overwegingen

1. De Griekse autoriteiten hebben aan eiser op 30 oktober 2025 de vluchtelingenstatus verleend. Deze status duurt thans voort. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd is om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren en eiser op te dragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven en zijn rechten als statushouder in Griekenland te effectueren.

2. Eiser heeft zich uitgebreid gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verweerder de asielaanvraag inhoudelijk moet beoordelen omdat artikel 4 van het Handvest in de weg staat aan het eiser verplichten om zich naar Griekenland te begeven.

3. Ter zitting hebben beide gemachtigden hun standpunten nader toegelicht en daarbij onder meer gewezen op het Unierechtelijke beoordelingskader, rechtspraak van de Hoven, van de Afdeling en andere zittingsplaatsen, het beleid voor zover dat (vooralsnog) openbaar is gemaakt, statistische gegevens en landgebonden informatie over de positie van statushouders in Griekenland.

4. De rechtbank heeft meerdere rechtsvragen met gemachtigden besproken en in dat verband aan beide partijen meerdere vragen gesteld.

5. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 28 juli 2021 onder meer het navolgende heeft overwogen:

(…)

Conclusie

8. Uit het vorenstaande komt het beeld naar voren dat de Griekse autoriteiten, ondersteund door verschillende ngo's, weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terecht komen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. De staatssecretaris heeft daarom, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet deugdelijk gemotiveerd dat hij ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. Het besluit van 5 oktober 2020 is daarom in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

(…).

6. De Afdeling heeft meermalen naar de uitspraak van 28 juli 2021 verwezen, maar heeft in haar uitspraak van 2 juli 2025 onder meer het navolgende overwogen:

(…)

1.Deze uitspraak gaat over de vraag hoe de minister moet omgaan met asielaanvragen van personen die door een andere lidstaat zijn erkend als vluchteling. In deze zaak was Griekenland de statusverlenende lidstaat. Voor Griekenland kan op dit moment echter niet voor alle categorieën personen die internationale bescherming genieten, van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Er kan namelijk niet worden uitgesloten dat de levensomstandigheden in Griekenland voor bijzonder kwetsbare houders van de vluchtelingenstatus in strijd zijn met artikel 4 van het EU Handvest; vergelijk de arresten van het Hof van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219, punt 92 en Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 85-90, en de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1626.

(…)

7. De rechtbank overweegt dat “het niet deugdelijk motiveren dat ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken.” niet gelijkluidend is aan “Voor Griekenland kan op dit moment echter niet voor alle categorieën personen die internationale bescherming genieten, van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.”

8. De rechtbank heeft dit met partijen besproken omdat de Afdeling in de uitspraak van 28 juli 2021 een oordeel lijkt te geven dat betrekking heeft op alle statushouders en in de uitspraak van 2 juli 2025 een oordeel lijkt te geven waaruit zou volgen dat voor sommige categorieën niet van het interstatelijk vertrouwen kan worden uitgegaan en dat laatste dan impliceert dat voor andere categorieën wél van dit beginsel zou kunnen worden uitgegaan.

9. De rechtbank overweegt, mede gelet op de reactie die beide gemachtigden hebben gegeven, dat de uitspraken van 28 juli 2021 het oordeel van de Afdeling weergeven en dat dit onveranderd is. De rechtbank ziet in de gepubliceerde uitspraken van de Afdeling over “statushouders Griekenland” namelijk geen aanwijzing dat de Afdeling in haar uitspraak van 2 juli 2025 een actuelere beoordeling van de juridische en feitelijke positie van ‘statushouders Griekenland’ heeft verricht.

10. Dit betekent dat de Afdeling heeft geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat verweerder ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken.

11. Verweerder heeft -terecht- aangevoerd dat de Afdeling niet heeft vastgesteld dat er niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft verweerder voorgehouden dat evenwel uit zijn beleid ook niet volgt dat verweerder tracht om te voldoen aan de op 28 juli 2021 gestelde motiveringsvereisten en dat verweerder zich niet op het standpunt lijkt te stellen dat op dit moment ten aanzien van alle statushouders kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

12. Verweerder heeft op 19 oktober 2026 kenbaar gemaakt overdrachten aan Griekenland op grond van Verordening 604/2013 en Verordening 2024/1351 weer ter hand te zullen nemen, welke beslissing overigens is gebaseerd op een nota die op 12 mei 2025 is opgesteld. In IB 2026/44 is vermeld dat ‘op basis van recente informatie geconcludeerd kan worden dat vreemdelingen die het kader van de AMbV worden overgedragen aan Griekenland daar geen reëel risico lopen op schending van artikel 4 HV EU.”

13. De verplichtingen die de lidstaten hebben ten aanzien van vreemdelingen die worden overgedragen op grond van Verordening 604/2013 en Verordening 2024/1351 verschillen echter van de verplichtingen die de lidstaten ten aanzien van statushouders hebben en thans zijn neergelegd in Verordening 2024/1347. De rechtbank heeft verweerder uitdrukkelijk gevraagd of hij meent dat op dit moment ten aanzien van alle statushouders kan worden uitgegaan het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

14. Verweerder heeft om deze vraag te beantwoorden gewezen op het beleid waarin hij aan de hand van de beoordeling van de zelfredzaamheid van een statushouder beoordeelt of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

15. De rechtbank heeft partijen de vraag voorgehouden of de zelfredzaamheids-beoordeling die verweerder verricht een juiste invulling is van de beoordeling die hij moet verrichten als hij wil nagaan of hij een statushouder kan opdragen om zich naar Griekenland te begeven om daar zijn rechten te effectueren.

16. Doorgaans bestaat deze beoordeling uit het wijzen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gevolgd door het standpunt dat elke statushouder gelet op dit beginsel in staat moet worden geacht om zijn rechten te kunnen effectueren, tenzij…. . De ‘tenzij’ heeft dan betrekking op statushouders die bijzonder kwetsbaar zijn en welke kwetsbaarheid gevolgen heeft voor de mate waarin zelfstandig rechten kunnen worden geëffectueerd. Het lijkt er op dat verweerder thans niet uitgaat van interstatelijk vertrouwen en dat betekent dat verweerder er niet zonder meer op vertrouwt dat de Griekse autoriteiten voldoen aan hun verplichtingen jegens statushouders. Verweerder lijkt er evenwel ook van uit te gaan dat van statushouders in beginsel niet kan worden gevergd om zich naar Griekenland te begeven. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 november 2026 voor zover de rechtbank hierin het navolgende heeft overwogen:

(…)

17. Op 11 maart 2025 heeft de Minister van Asiel en Migratie een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk 19637, nr. 224) gezonden waarin onder meer het navolgende is vermeld:

(…)

Griekse statushouders

In juli 2021 concludeerde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat niet deugdelijk gemotiveerd was dat statushouders bij terugkeer naar Griekenland niet in een mensonwaardige situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften. Het in Nederland ingediende asielverzoek van personen die al eerder in Griekenland internationale bescherming verkregen wordt inhoudelijk beoordeeld. Hiervan zijn de zaken uitgezonderd waarbij zelfredzaamheid is vastgesteld. Op verzoek van het Ministerie van Asiel en Migratie is door het Ministerie van Buitenlandse zaken onderzocht wat de actuele situatie is voor statushouders en terugkerende statushouders in Griekenland. Dit rapport is op 3 september 2024 vastgesteld. In juni 2022 is eenzelfde soort feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland gedaan. Ook uit het rapport van september vorig jaar komt naar voren dat statushouders in Griekenland te maken hebben met grote bureaucratische obstakels. Het verkrijgen en met name het verlengen van documenten om toegang te krijgen tot huisvesting, betaalde arbeid, het ontvangen van sociale uitkeringen of het openen van een bankrekening is vaak lastig. Aangezien de benodigde documenten alleen in Griekenland kunnen worden aangevraagd lopen terugkerende statushouders het risico om bij terugkeer dakloos te worden. Het onderzoek geeft geen aanleiding om de huidige werkwijze ten aanzien van Griekse statushouders inhoudelijk te wijzigen. Het blijft zo dat wanneer een Griekse statushouder zelfredzaam wordt geacht en aannemelijk is dat hij in zijn basisvoorzieningen kan voorzien in Griekenland, de persoon kan worden overgedragen naar Griekenland. De IND zal proberen deze beoordeling van zelfredzaamheid eerder in het proces te maken.

(…)

17. De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat gelet hierop de vraag rijst of verweerder met zijn zelfredzaamheidsbeoordeling in wezen beoordeelt of de statushouder zich kan handhaven in een situatie die in zijn algemeenheid voor statushouders als strijdig met artikel 4 van het Handvest wordt geacht. De beoordeling die verweerder lijkt te verrichten is ‘de statushouder kan zijn rechten niet effectueren tenzij,….De ‘tenzij’ wordt dan ingevuld met een beoordeling van de zelfredzaamheid. De rechtbank overweegt dat ‘zelfredzaamheid’ in dat geval een eufemisme is en in wezen betekent dat verweerder nagaat of de statushouder zich zal weten te redden in een situatie die in zijn algemeenheid niet te verenigen is met artikel 4 van het Handvest.

18. Verweerder lijkt dit te bevestigen en te redeneren dat als een statushouder zich kan handhaven in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie, er dan geen schending van artikel 4 van het Handvest meer dreigt. Eiser meent dat deze redenering niet opgaat en heeft ook gewezen op artikel 1 van het Handvest dat het grondrecht op eerbiediging van de menselijke waardigheid garandeert.

19. De rechtbank overweegt dat de vraag opkomt of de wijze waarop verweerder het refoulementrisico beoordeelt verenigbaar is met het Unierecht. Indien de risicobeoordeling die verweerder moet verrichten niet wordt ingekleurd door het interstatelijk vertrouwensbeginsel, resteert een taxatie van de individuele risico’s die na terugkeer zullen worden gelopen. De vraag is echter of verweerder, indien hij er bij wijze van hoofdregel van uitgaat dat die risico’s aan terugkeer in de weg staan, in individuele gevallen mag aannemen dat een statushouder zich in die situatie zal weten te redden. De rechtbank heeft partijen, om deze vraag te verduidelijken, er op gewezen dat ook in oorlogsgebied mensen weten te overleven en dat ook vluchtelingen en subsidiair beschermden in hun land van herkomst hebben weten te overleven, maar dit nog niet betekent dat van hen gevergd kan worden om zich wederom naar dat land van herkomst en in die situatie waarvoor ze zijn gevlucht te begeven indien zij in Nederland om internationale bescherming verzoeken.

20. De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat deze rechtsvraag voor de rechtbank de kern van dit geding is. De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting laten weten welke bespreekpunten in ieder geval aan de orde zullen komen maar heeft partijen deze vraag voorafgaand aan het onderzoek ter zitting niet voorgehouden. De rechtbank heeft partijen daarom gewezen op de mogelijkheid van een tussenuitspraak.

21. Partijen hebben beiden te kennen gegeven een einduitspraak van de rechtbank te willen en zo (sneller) in staat te zijn om de in deze procedure gerezen rechtsvragen en standpunten aan de Afdeling te kunnen voorleggen. De rechtbank begrijpt dat (enigszins), maar dat laat onverlet dat de rechtbank eerst zelf op grond van een volledig onderzoek de gegrondheid van het beroep en de rechtmatigheid van het besluit moet controleren.

22. De rechtbank acht het daarom toch aangewezen om met name verweerder in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de in deze procedure gerezen rechtsvragen. Indien in hoger beroep blijkt dat verweerder pas voor het eerst argumenten aandraagt die de rechtbank nu relevant acht om bij de uitspraak te betrekken, is de rechtbank niet in staat om de rol als eerstelijns rechter ten gronde in te vullen. De rechtbank wil dus zoveel mogelijk argumenten van verweerder in deze procedure verzamelen, zodat gemachtigde van eiser niet alleen bij de Afdeling maar ook en eerst in deze procedure daarover een standpunt kan en moet innemen en de rechtbank alle standpunten kan betrekken bij haar uitspraak.

23. De rechtbank wijst er reeds nu op dat een verwijzing van verweerder naar het arrest van 7 juli 2026 van het EHRM in de zaak D.O. AND L.A. v. SWEDEN niet zal volstaan om de vragen van de rechtbank te beantwoorden. Artikel 4 van het Handvest biedt minimaal de bescherming die artikel 3 van het EVRM biedt. Op grond van Verordening 2024/1347 hebben de statusverlenende lidstaten evenwel concrete verplichtingen jegens statushouders die -wellicht- niet in dezelfde omvang voortvloeien uit het EVRM en/of niet op dezelfde wijze worden betrokken bij de beoordeling of een statushouder kan worden opgedragen om zich naar de statusverlenende lidstaat te begeven. Eiser heeft dit terecht benoemd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat hoewel het refoulementverbod absoluut is, de rechtspraak van het Hof van Justitie die ziet op een verduidelijking van richtlijn 2008/115 meer bescherming tegen refoulement lijkt te bieden dan de EHRM-jurisprudentie. De rechtbank heeft partijen ook de vraag voorgelegd of en op welke wijze moet worden betrokken in hoeverre de Griekse autoriteiten aan hun verplichtingen jegens statushouders voldoen. Verweerder wijst namelijk op de mogelijkheid om hulp te vragen aan ngo’s. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat statushouders zijn aangewezen op ngo’s om te kunnen voorzien in basale levensomstandigheden reeds een indicatie is dat statushouders zich niet tot de Griekse autoriteiten kunnen wenden, althans dat dit tevergeefs zal zijn. Verweerder wijst ook op mogelijkheden voor eiser om zich te bewegen ‘in het informele circuit’, wat er op lijkt te duiden dat verweerder van eiser verwacht dat hij ‘zwart’ gaat werken of ‘illegaal’ gaat huren.

24. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om schriftelijk te reageren op de navolgende vragen en zal eiser daarna in de gelegenheid stellen om schriftelijk te reageren op het standpunt van verweerder. De rechtbank overweegt dat de standpunten waarschijnlijk bepalend zijn voor de beslechting van het geschil, maar geeft partijen ook mee dat de rechtbank niet uitsluit dat zij een nadere verduidelijking van het Unierecht door het Hof noodzakelijk zal achten om, afhankelijk van de reacties van partijen, een einduitspraak te kunnen doen.

25. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om de navolgende vragen schriftelijk te beantwoorden:

  • Gaat verweerder op dit moment te aanzien van Griekenland uit van interstatelijk vertrouwen bij de beoordeling of statushouders kunnen worden opgedragen om zich naar Griekenland te begeven?

  • Gaat verweerder er op dit moment van uit dat in beginsel van statushouders thans niet kan worden gevergd om zich naar Griekenland te begeven?

  • Heeft de term ‘zelfredzaam’ betrekking op alle statushouders die niet ‘bijzonder kwetsbaar’ zijn of moeten ‘zelfredzame statushouders’ worden beschouwd als een zelfstandige categorie statushouders, naast ‘bijzonder kwetsbare statushouders’ en ‘niet bijzonder kwetsbare statushouders’?

26. Verweerder heeft zich in een van de verweerschriften op het standpunt gesteld dat verweerder ook na de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021 steeds bevoegd is geweest om statushouders op te dragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. De rechtbank heeft verweerder op 18 oktober 2026 verzocht om na te gaan hoeveel besluiten er na 28 juli 2021 zijn genomen waarin een statushouder is opgedragen om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven en deze informatie te verstrekken per jaar en voor zover deze informatie betrekking heeft op het jaar 2026, om in deze informatie inzichtelijk te maken hoeveel besluiten zijn genomen vóór 12 juni 2026. Verweerder heeft op 20 oktober 2026 laten weten dat het aanleveren van deze gegevens door het Business Informatie Centrum (BIC) dat dergelijke cijfers en rapporten opstelt, meer tijd kost. De rechtbank heeft verweerder ter zitting verzocht deze cijfers te verstrekken indien deze beschikbaar komen voordat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank verzoekt verweerder deze cijfers alsnog te overleggen omdat deze cijfers het door verweerder gevoerde beleid en name het moment waarop is beslist dat van statushouders -weer- kan worden gevergd om zich naar Griekenland te begeven inzichtelijk zal maken.

27. Na ontvangst van de schriftelijke reactie zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om, indien gewenst, te reageren. De rechtbank zal daarna de voortgang van de procedure bepalen.

28. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

-stelt verweerder in de gelegenheid om uiterlijk binnen vier weken na heden de in overweging 25 genoemde vragen te beantwoorden en de in overweging 26 genoemde informatie te verstrekken;

- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van de reactie en informatie van verweerder schriftelijk te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damoiseaux, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 november 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open maar kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegelijk met het beroep tegen de einduitspraak.

ECLI:NL:RVS:2021:1626, zie ook de uitspraak van diezelfde dag, ECLI:NL:RVS8:2021:1627. ECLI:NL:RVS:2025:2865. IB 2026/44 Nota hervatten Dublin overdrachten Griekenland van Directoraat-Generaal Migratie, Directie Migratiebeleid, Asiel, Opvang en Terugkeer, 12 mei 2025. ECLI:CE:ECHR:2026:0707DEC003003324.