Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 6 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32750 · Rechtbank Den Haag · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32750
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- NL26.64211
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32750
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring; volgberoep.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.64211
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. De minister heeft op 30 augustus 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft op 23 oktober 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop op 27 oktober 2026 gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 6 november 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 september 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 4 september 2026.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hij verblijft sinds 21 augustus 2026 in bewaring. De minister heeft op 1 september 2026 een laissez-passer aangevraagd bij de autoriteiten van Marokko, maar pas op 20 oktober 2026 bij die van Algerije. Een presentatie heeft nog niet plaatsgevonden en sinds 4 september 2026 is slechts twee keer gerappelleerd. Verder voert eiser aan dat er geen zicht meer is op uitzetting binnen afzienbare termijn. Hij blijft erbij dat hij uit Marokko afkomstig is en niet uit Algerije. Daarnaast zijn het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening nog bij de rechtbank in behandeling. Volgens eiser moet hij daarom feitelijk als niet verwijderbaar worden beschouwd. Tot slot voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom met een lichter middel niet kan worden volstaan. Gelet op de duur van de bewaring en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor uitzetting op korte termijn had de minister volgens eiser opnieuw moeten beoordelen of de bewaring nog noodzakelijk en proportioneel is. Volgens eiser valt de belangenafweging in zijn voordeel uit en moet de bewaring worden opgeheven.
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister sinds de sluiting van het onderzoek in de vorige procedure op 30 september 2026 en op 20 oktober 2026 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag. Daarnaast heeft de minister op 14 september 2026, 14 oktober 2026 en 15 oktober 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. Dat de minister pas op 20 oktober 2026 ook een lp-aanvraag bij Algerije heeft ingediend, acht de rechtbank begrijpelijk, nu op 15 oktober 2026 uit een taalanalyse is gebleken dat eiser te herleiden is tot de spraakgemeenschap in Algerije, terwijl hij zelf stelt uit Marokko te komen.
De rechtbank overweegt dat in het algemeen zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt en, op de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, waarin de Afdeling nogmaals heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Marokkaanse dan wel de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven dat zij voor eiser geen lp zullen verstrekken. Dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening nog bij de rechtbank in behandeling zijn, leidt niet tot rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw, en daarmee ook niet tot het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Daarbij komt dat op eiser de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting moet verlenen. De rechtbank constateert dat eiser deze medewerking niet voldoende verleent. Zo heeft eiser tijdens de laatste twee vertrekgesprekken aangegeven geen actie te zullen ondernemen om zijn terugkeertraject te versnellen. Dat de uitzetting hierdoor mogelijk meer tijd zal vergen, kan dan ook mede worden verklaard door de houding van eiser.
Verder overweegt de rechtbank dat zij in de eerdergenoemde uitspraak van 10 september 2026 al heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om aan te nemen dat wel met een lichter middel had kunnen worden volstaan of dat de voortduring van de bewaring onevenredig of anderszins niet langer gerechtvaardigd was. Eiser heeft geen concrete gewijzigde omstandigheden aangevoerd. Het enkele feit dat de bewaring langer voortduurt en er nog geen concrete uitzettingsdatum is, maakt niet dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en de opheffing van de maatregel onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.