Vreemdelingenrecht

Bewaring ex artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van de Vw. Gegrond. Verlenging ophouding…

Rechtbank Den Haag, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
NL26.66244
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32758
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring ex artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van de Vw. Gegrond. Verlenging ophouding onrechtmatig. De door de minister aangevoerde belangen wegen niet op tegen de ernst van het geconstateerde gebrek, te weten het meer dan vijf uur onrechtmatig voortduren van de ophouding. De rechtbank is daarom van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.66244


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De maatregel van bewaring is van meet af aan onrechtmatig. Eiser krijgt daarom een schadevergoeding en een vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 november 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de ophouding ten onrechte is verlengd. De ophouding was gebaseerd op artikel 50a van de Vw. Op grond van dit artikel is verlenging niet mogelijk. De verlenging is hiermee onrechtmatig. Eiser is van 31 oktober 2026 16:15 uur tot en met 1 november 2026 12:47 uur opgehouden. Dat is in totaal 20 uur en 32 minuten, waarvan de voor de nacht bestemde tijd van 00:00 tot 09:00 uur niet wordt meegeteld. Eiser is daarmee in totaal 11 uur en 32 minuten opgehouden, waarvan 5 uur en 32 minuten onrechtmatig. De minister op de zitting erkent dat hiermee sprake is van een ernstig gebrek.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling maakt een gebrek dat kleeft aan een vrijheidsontneming de daarop aansluitende bewaring alleen onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen van eiser.

5. In het kader van deze belangenafweging stelt de minister zich op het standpunt dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. De minister wijst er allereerst op dat de ophouding van in totaal 11 uur en 5 minuten voor een gedeelte van 5 uur en 5 minuten onrechtmatig is geweest. Daarnaast is de minister van mening dat de verlenging van de ophouding aan eiser zelf te wijten is. Eiser had de dag voorafgaand aan het gehoor een liter mondwater opgedronken en slaapmedicatie van iemand anders ingenomen, waardoor het gehoor wegens medische omstandigheden niet kon worden voortgezet. Eiser heeft hiervoor medische zorg gekregen. Verder heeft de minister belang bij de bewaring van eiser, omdat het praktisch niet mogelijk is om de herhaalde asielaanvraag af te handelen als eiser in vrijheid wordt gesteld. Eiser verblijft namelijk niet doorlopend in de HTL en verlaat die locatie regelmatig. Dat bemoeilijkt ook het opstellen van een medisch advies. Eiser is dan niet aanwezig bij afspraken of onttrekt zich aan het toezicht, zij het voor korte periodes. Verder is eiser op 31 oktober 2026 pas in de avond gehoord. Hij zou dan hoe dan ook pas een dag later naar het detentiecentrum zijn overgebracht en had ook dan een nacht in een politiecel moeten verblijven. De minister wijst er verder op dat eiser niet onwelwillend tegenover bewaring staat en dat hij geen medische of andere redenen heeft aangevoerd die aan bewaring in de weg staan. Ten slotte heeft de minister er belang bij dat eiser in bewaring blijft, omdat op maandag 9 november 2026 een gehoor over de herhaalde asielaanvraag is gepland. De minister acht het van belang dat dit gehoor kan worden afgenomen, zodat op de aanvraag kan worden beslist en de minister niet nodeloos ambtenaren heeft ingepland om eiser te horen.

6. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Dat de verlenging aan eiser te wijten zou zijn, is op zichzelf geen reden waarom de minister belang heeft bij de inbewaringstelling van eiser. Dat geldt eveneens voor hetgeen de minister heeft aangevoerd over het feit dat eiser hoe dan ook een nacht in een politiecel had moeten verblijven; ook dat acht de rechtbank geen belang voor de inbewaringstelling en geen gegronde reden voor verlenging van de ophouding. Ook de praktische bezwaren die de minister daarnaast noemt, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen belangen die zwaarder wegen dan het geconstateerde gebrek. Bovendien heeft eiser, anders dan de minister stelt, wel degelijk bezwaren tegen het verblijf in bewaring naar voren gebracht. Hij heeft op de zitting namelijk verklaard dat hij in het DTC niet op tijd zijn medicatie krijgt en dat hij daar niet wil verblijven, maar naar de HTL wil. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wegen de door de minister aangevoerde belangen niet op tegen de ernst van het geconstateerde gebrek, te weten het meer dan vijf uur onrechtmatig voortduren van de ophouding. De rechtbank is daarom van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen.

7. Het vorenstaande betekent dat de inbewaringstelling van eiser van meet af aan onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 6 november 2026.

9. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen, omdat eiser van meet af aan onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt € 920,- (2 dagen verblijf in een politiecel x € 160,- en 5 dagen verblijf in een detentiecentrum x € 120,-).

10. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op de zitting.

11. Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 920,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Hierna: bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel tot vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Zie ook paragraaf A2/6 van de Vreemdelingencirculaire. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:217). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4927. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.