Vreemdelingenrecht
Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – voortvarend handelen – beroep ongegrond –…
Rechtbank Den Haag, 6 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32718 · Rechtbank Den Haag · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32718
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- NL26.64447
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32718
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – voortvarend handelen – beroep ongegrond – geen pkv.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.64447
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 24 oktober 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert indien a) een onderduikrisico bestaat of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb, zich voordoen.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat onderduikrisico bestaat.
3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden terecht zijn tegengeworpen en, voor zover nodig, voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Voortvarend handelen
5. Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De uitzetting is gepland op 30 oktober 2026. Eiseres is van mening dat de uitzetting eerder kon plaatsvinden, omdat België dichtbij is gelegen. Zij voert aan dat detentie op grond van artikel 5 van het EVRM zo kort mogelijk moet duren en uitzetting op de snelste manier moet geschieden. Ook verwijst eiseres in dit verband naar artikel 4 van de Notawisseling tussen de Nederlandse en de Belgische Regering, waaruit volgt dat verwijdering van Belgische onderdanen uit Nederland op vormloze wijze geschiedt.
6. Op 26 oktober 2026 heeft verweerder een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. Vervolgens is op 27 oktober 2026 aangekondigd dat de Dienst Terugkeer en Vertrek voornemens is om haar uit te zetten. De uitzetting van eiseres is gepland op 30 oktober 2026. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende handelingen heeft verricht om de uitzetting te bespoedigen en voldoende voortvarend heeft gewerkt aan het vertrek van eiseres.
Ambtshalve toetsing
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 november 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.