Vreemdelingenrecht

bewaring, eerste beroep, 59a, eiser heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m van de Vw…

Rechtbank Den Haag, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
NL26.65369
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32721
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring, eerste beroep, 59a, eiser heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m van de Vw, gronden maatregel niet betwist, onderduikrisico, geen lichter middel, voldoende voortvarend en zicht op overdracht, overdracht ingepland maar nog niet zeker door handblessure van eiser, refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.65369


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

van Egyptische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De minister heeft de rechtbank van dit besluit in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3 De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is in bewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wanneer er sprake is van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie

d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de AMbV;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Voortraject

5. Eiser voert aan dat in het pv van staandehouding ten onrechte staat vermeld dat hij rechtmatig verblijf heeft. Het beroep en de voorlopige voorziening gericht tegen het overdrachtsbesluit zijn namelijk ingetrokken. Daarmee is het rechtmatig verblijf geëindigd.

5.1.

De rechtbank volgt eiser niet. Er is sprake van rechtmatig verblijf, omdat eisers asielaanvraag bij overdrachtsbesluit van 31 juli 2026 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Vw en hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de AMbV.

Grondslag

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Zo heeft de minister op 17 juli 2026 een claimverzoek verzonden aan de Zwitserse autoriteiten. Op 20 juli 2026 heeft Zwitserland dit verzoek geaccepteerd.

Gronden

7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat.

Lichter middel

8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet volstand om de overdracht van eiser te verzekeren. De minister heeft in de enkele verklaring van eiser dat hij wil meewerken aan zijn overdracht geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen.

8.1.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische omstandigheden van eiser kenbaar en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft er in de maatregel op gewezen dat in het detentiecentrum zorg aanwezig is en dat die zorg gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid en zicht op overdracht

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werk aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Zo blijkt uit het dossier dat op 29 oktober 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Verder heeft de minister op de zitting aangegeven dat de overdracht van eiser is ingepland voor 6 november 2026, maar dat deze overdracht nog onzeker is. De minister heeft toegelicht dat de arts het niet verantwoord acht om eiser te laten vliegen met een handblessure. Daar staat tegenover dat eiser zelf de keuze kan maken om toch overgedragen te worden aan Zwitserland. In aanvulling hierop heeft de minister aangegeven dat als de geplande overdracht geen doorgang kan vinden, er zo spoedig mogelijk een nieuwe overdrachtsdatum zal worden geregeld.

Refoulementbeoordeling

10. In de uitspraak van 12 februari 2026 gaat de Afdeling in op de gevolgen van het Adrar-arrest voor de minister en de bewaringsrechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit die uitspraak volgt dat de minister voordat de bewaringsmaatregel wordt opgelegd, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet. Tijdens het gehoor moeten de vreemdeling daarom vragen worden gesteld hierover en het resultaat van het onderzoek en de voorbereiding moeten in de motivering van de maatregel worden vastgesteld. In de uitspraak van 12 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister bij een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59a van de Vw geen refoulementbeoordeling hoefde te maken, omdat nog geen overdrachtsbesluit was genomen. De Afdeling heeft erop gewezen dat haar uitspraak van 12 februari 2026 en het Adrar-arrest gaan over de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement in de situatie dat de minister een vreemdeling in bewaring stelt om een terugkeerbesluit uit te voeren (artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn). De Afdeling heeft zich niet uitgelaten over de vraag of een refoulementsbeoordeling moet worden gemaakt in gevallen waarin de minister al een overdrachtsbesluit heeft genomen.

10.1.

Los van de vraag of de minister daartoe verplicht is, oordeelt de rechtbank dat in dit geval wel een refoulementsbeoordeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat de minister op 31 juli 2026 een overdrachtsbesluit heeft genomen. Eiser is tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gevraagd hoe hij tegenover zijn overdracht aan Zwitserland staat en heeft daarop geantwoord dat hij hieraan wil meewerken. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat ten tijde van de oplegging van de maatregel zicht op overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat bestond, omdat uit aanknopingspunten is gebleken dat eiser kan worden overgedragen op grond van de AMbV. Met deze overweging in samenhang met de hiervoor weergegeven verklaringen van eiser, heeft de minister daarom voldoende gemotiveerd aangegeven dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement moet worden afgezien van de overdracht van eiser.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank stelt vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Asiel- en Migratiebeheer verordening. Zie artikel 44 van de AMbV, artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMbV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw. Proces-verbaal. Dit staat in artikel 8, onder m, van de Vw. ECLI:NL:RVS:2026:329. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:NL:RVS:2026:3387. Zie ook het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.