Vreemdelingenrecht

grensdetentie, artikel 6, derde lid Vw, informatiefolder in de onjuiste taal uitgereikt, 6:22 Awb, uit het…

Rechtbank Den Haag, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
NL26.64926
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32742
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

grensdetentie, artikel 6, derde lid Vw, informatiefolder in de onjuiste taal uitgereikt, 6:22 Awb, uit het dossier blijkt voldoende duidelijk op welke wijze de screeningsprocedure is verlopen en welke instanties/ambtenaren daarbij betrokken zijn geweest, onduidelijkheden in de tijdlijn en registratie zijn weggenomen door pv's van bevindingen, gehoor en lichter middel, toegangsgronden en detentiegrond, beroep ongegrond, wel PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.64926


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Pakistaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Procesverloop

1. Bij besluit van 26 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

1.1.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen schadevergoeding, maar wel een vergoeding van zijn proceskosten. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Eiser is op 25 oktober 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. De minister heeft op 26 oktober 2026 het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en heeft aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.

4. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de Screeningsverordening.

4.1.

Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Informatiefolder

5. Eiser voert aan dat in de M19B (het bestreden besluit) is aangekruist dat aan hem een informatiefolder in de taal Urdu is uitgereikt, maar dat het dossier echter uitsluitend informatieformulieren in het Arabisch bevat. Ook is niet gebleken dat de inhoud van de brief mondeling met behulp van een Urdu-tolk is besproken. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat eiser in een taal die hij begrijpt, is geïnformeerd over de juridische en feitelijke gronden van zijn vrijheidsontneming en over de rechtsmiddelen.

5.1.

De rechtbank stelt het volgende vast. Uit het dossier blijkt dat aan eiser een informatiefolder in de Arabische taal is uitgereikt. De minister heeft dit op de zitting bevestigd. Eiser heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat hij de Arabische taal niet machtig is. Dit betekent dan ook dat sprake is van een schending van de informatieplicht uit artikel 5.10 van de Vb en dat aan de maatregel een gebrek kleeft.

5.2.

Dat betekent echter niet de maatregel daarmee onrechtmatig is. Dit is pas het geval als de met de grensdetentie gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Die belangenafweging valt in het voordeel van de minister uit. Daarvoor is van belang dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel met behulp van een beëdigde tolk in de taal Urdu aan eiser de redenen van de maatregel zijn meegedeeld alsook dat de rechtbank in kennis wordt gesteld van de maatregel en dat die kennisgeving geldt als een beroep tegen de maatregel. In het pv van gehoor staat dat eiser de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Verder is eiser van kosteloze professionele rechtsbijstand voorzien. Ondanks de schending van de informatieplicht is eiser dus wel in staat gesteld tegen de vrijheidsontneming rechtsmiddelen effectief uit te oefenen en is niet gebleken dat hij door het ontbreken van de vertaling in zijn belangen is geschaad. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Screeningsprocedure

6. Eiser betoogt dat onduidelijk is op welk tijdstip de screening is aangevangen en beëindigd, welke instantie ieder onderdeel heeft uitgevoerd, welk screeningsformulier aan eiser is verstrekt en op welke grond de vrijheidsontneming gedurende iedere afzonderlijke fase berustte.

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier voldoende duidelijk op welke wijze de screeningsprocedure is verlopen en welke instanties/ambtenaren daarbij betrokken zijn geweest. Ook is de rechtbank van oordeel dat duidelijk is op welk moment de zogenaamde “screening” is geëindigd. Uit artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening volgt dat de screening eindigt op het moment dat onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 7 van deze Verordening worden doorverwezen naar de passende procedure voor internationale bescherming, een procedure die in overeenstemming is met Richtlijn 2008/115/EG of naar de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat in verband met te herplaatsen onderdanen van derde landen. In dit geval is de screening dan ook geëindigd op het moment dat de minister heeft besloten de grensprocedure toe te passen en aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In aanvulling hierop merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening het volledig afronden van de screeningsprocedure overigens geen vereiste is om de asielgrensprocedure te starten.

Tijdlijn en registratie

7. Eiser voert aan dat diverse documenten in het dossier tegenstrijdigheden bevatten. Zo is eisers asielwens met verschillende data aangeduid. Ook staat in één versie dat eiser op 25 oktober 2026 de toegang is geweigerd, terwijl andere stukken vermelden dat de toegang nog niet was geweigerd en dat hij na een weigering nieuwe tickets heeft opgehaald en vervolgens asiel heeft aangevraagd. Daarnaast komt de M19B twee keer in het dossier voor met verschillende digitale ondertekeningstijdstippen. Ook is in de M18A aangekruist dat eiser niet beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument of geldig visum, terwijl hetzelfde dossier een geldig Pakistaans paspoort, een geldig type C-visum en een geldige Emiratische identiteitskaart vermeld. Deze tegenstrijdigheden betreffen niet slechts bijzaken, maar de aanvang en juridische grondslag van de vrijheidsontneming, de volgorde van de toegangsbeslissing en de totstandkoming van de maatregel.

7.1.

De minister heeft op de zitting toegegeven dat het dossier op bepaalde onderdelen onduidelijkheden bevat. In aanvulling hierop heeft de minister verwezen naar het “pv van bevindingen” van 26 oktober 2026 en naar het “pv van bevindingen bij aanvraag asiel” van dezelfde datum. De minister wordt gevolgd in het standpunt dat in deze pv’s de tijdlijn voldoende duidelijk is weergegeven en dat daarmee onduidelijkheden zijn weggenomen. Dat zich in het dossier twee beschikkingen M18A en M19B met verschillende data bevinden heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen gevolgen voor onderhavige detentie. Daarnaast heeft eiser niet aangegeven op welke wijze hij hierdoor in zijn belangen is geschaad.

7.2.

Over de beroepsgrond ten aanzien van eisers paspoort en visum oordeelt de rechtbank als volgt. Het is juist dat de minister in eerste instantie heeft vastgesteld dat eiser aan de grens in het bezit was van een paspoort met een (geldig) C-visum. Tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is echter aan eiser uitgelegd dat hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet, omdat eiser het visum heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het visum is afgegeven. Dat in de M18A is aangekruist dat eiser niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en/of in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt, is dan ook juist.

Het gehoor voorafgaand aan de maatregel en het lichter middel

8. Eiser betoogt dat het pv grotendeels standaardvragen en standaardmotiveringen bevat. Eiser is gevraagd naar medische problemen, familie en andere, spoedeisende, omstandigheden. De kern van de beslissing, namelijk waarom in zijn geval vrijheidsontneming noodzakelijk was en een minder dwingende maatregel niet volstond, is niet inzichtelijk aan hem voorgesteld. De enkele mededeling dat de motivering is meegedeeld aan eiser maakt niet controleerbaar dat sprake was van een daadwerkelijk gehoor en een effectieve mogelijkheid om bijzondere omstandigheden aan te voeren. Ook voert eiser aan dat de motivering dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang feitelijk prijs te geven, een standaardformule is. De relevante individuele omstandigheden van eiser zijn niet herkenbaar gewogen.

8.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 2 september 2026, volgt dat door de minister in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag worden gezien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en dat het bestaan van een onderduikrisico, behalve in het geval de vreemdeling in grensdetentie wordt geplaatst om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, geen vereiste is voor grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de beoordeling of de minister in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de minister van grensdetentie moet afzien.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister, met de aan eiser gestelde vragen, voldoende heeft onderzocht of grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. Eiser is tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn eventuele bezwaren tegen de grensdetentie naar voren te brengen. Zo is aan eiser gevraagd om aan te geven wat voor hem de gevolgen van grensdetentie zijn. In reactie hierop heeft eiser geen bezwaren geuit tegen tijdelijke insluiting. Ook is aan eiser gevraagd of hij medische aandoeningen heeft waarvoor hij (direct) medische hulp nodig heeft en of hij medicijnen gebruikt. Eiser heeft deze vragen ontkennend beantwoord. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de vraag of grensdetentie onevenredig is. De minister heeft terecht in de maatregel overwogen dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, dan ook niet in het standpunt dat onvoldoende sprake zou zijn geweest van een individuele beoordeling.

Toegangsgronden en detentiegrond

9. Eiser voert aan dat de minister verwijst naar het gebruik van een reisvisum voor een ander doel, naar het hebben van onvoldoende middelen en onvoldoende onderbouwing van het verblijfsdoel. Deze omstandigheden onderbouwen volgens eiser niet waarom vrijheidsontneming noodzakelijk is. Een toegangsprobleem mag niet automatisch worden gelijkgesteld aan een noodzaak tot detentie.

9.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend, terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Eiser had namelijk een visum kort verblijf en geen mvv. Het visum is afgegeven voor een ander doel dan eiser voor ogen heeft. Daarnaast is tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel aan eiser gevraagd of hij voldoende middelen van bestaan heeft. Eiser heeft aangegeven dat hij

ongeveer € 2.700,- bij zich heeft. De Kmar-medewerker heeft aan eiser uitgelegd dat hij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij beschikt over inkomen uit arbeid, dan wel een uitkering of inkomsten uit eigen vermogen. Eiser heeft dit niet betwist. Het voorgaande maakt dan ook dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.

Conclusie en gevolgen

10. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Gelet op het geconstateerde in rechtsoverweging 5.2. bestaat er aanleiding om aan eiser een proceskostenveroordeling toe te kennen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor het indienen van een kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op de zitting.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Vreemdelingenbesluit 2000. Proces-verbaal. Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2026:5077. Machtiging tot voorlopig verblijf. Koninklijke Marechaussee. Besluit proceskosten bestuursrecht. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4927. Op grond van het Bpb, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.