Personen- en familierecht
Afwijzing spoedvoorziening vots. De situatie was op 8 augustus rustig en de medewerker kraamzorg had geen…
Rechtbank Den Haag, 9 augustus 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:8112 · Rechtbank Den Haag · 9 augustus 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/personen-en-familierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2022-8112
Zaakgegevens
Op 9 augustus 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 augustus 2022
- Datum publicatie
- 15 augustus 2022
- Zaaknummer
- C/09/633524 / JE RK 22-1673
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8112
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing spoedvoorziening vots. De situatie was op 8 augustus rustig en de medewerker kraamzorg had geen zorgen op basis van die observatie.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/633524 / JE RK 22-1673
Datum uitspraak: 9 augustus 2022
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing spoedvoorziening voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak naar aanleiding van het op 9 augustus 2022 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,hierna te noemen: de Raad,
betreffende:
- [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de man]
hierna te noemen: de vader,
en
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] .
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.
Feiten
-
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd.
-
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
-
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven feitelijk bij de vader en de moeder.
Verzoek
Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met toepassing van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek strekt ook tot toepassing van het bepaalde in artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Beoordeling
Op grond van de informatie zoals gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen is naar het oordeel van de kinderrechter geen sprake van een situatie dat de behandeling van het verzoek ter zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De reden daarvoor is dat de moeder op [geboortedag 2] 2022 is bevallen en er blijkens de informatie van de jeugdbescherming goed contact was tussen de moeder en de vader. De ouders verblijven bij de oma vaderszijde en de moeder, vader en oma zullen de verzorging van de kinderen op zich nemen. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt en er is kraamzorg ingezet. De situatie was op [geboortedag 2] rustig en de medewerker kraamzorg had geen zorgen op basis van die observatie.
Daarom zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van:
17 augustus te 14:00 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
-
de Raad voor de Kinderbescherming;
-
de vader;
-
de moeder;
-
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland als informant;
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2022. |
||
|
Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
||