Strafrecht overig

Jeugdstrafrecht. De verdachte heeft zich als vijftien- en zestienjarige aan negen strafbare feiten schuldig…

Rechtbank Den Haag, 1 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 1 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
1 oktober 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
10/075146-26, 09/238246-25 (ttz. gev.), 09/204198-25 (ttz. gev.), 09/239864-25 (ttz. gev.) en 09/137117-24 (tul)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30031
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. De verdachte heeft zich als vijftien- en zestienjarige aan negen strafbare feiten schuldig gemaakt. De zwaarste strafbare feiten houden in dat de verdachte in het openbaar een geladen vuurwapen op zak had en in een metrostation twee keer heeft geprobeerd om daarmee op een ander te schieten. Verder heeft de verdachte in een geval een slachtoffer bestolen, mishandeld en geprobeerd af te persen. In een ander geval heeft hij een slachtoffer mishandeld en bedreigd. Tot slot heeft hij een politieagent beledigd. Jeugddetentie van 300 dagen, met aftrek van voorarrest, en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 10/075146-26, 09/238246-25 (ttz. gev.), 09/204198-25 (ttz. gev.), 09/239864-25 (ttz. gev.) en 09/137117-24 (tul)

Datum uitspraak: 1 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres],

op dit moment gedetineerd in [instelling] te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 25 juni 2026 (pro forma) en 17 september 2026 (inhoudelijke behandeling).

De officier van justitie in deze zaak is mr. P.T. Verweijen en de raadsman van de verdachte is mr. T. Yilmaz. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

parketnummer 10/075146-26 (hierna: dagvaarding I)

feit 1

- (primair) poging tot moord dan wel doodslag, in vereniging gepleegd, op 11 maart 2026 in Rotterdam, dan wel (subsidiair) bedreiging, in vereniging gepleegd, op 11 maart 2026 in Rotterdam;

feit 2

- het bezit van een vuurwapen en munitie, in vereniging gepleegd, op 11 maart 2026 in Rotterdam;

parketnummer 09/238246-25 (hierna: dagvaarding II)

feit 1
- bedreiging op 22 maart 2025 in Rijswijk;

feit 2
- mishandeling op 22 maart 2025 in Rijswijk;

parketnummer 09/204198-25 (hierna: dagvaarding III)

- belediging van een ambtenaar in functie op 4 juli 2025 in Den Haag;

parketnummer 09/239864-25 (hierna: dagvaarding IV)

feit 1

- poging tot afpersing op 9 september 2025 in Rijswijk;

feit 2

- diefstal door middel van een valse sleutel op 9 september 2025 in Rijswijk;

feit 3

- diefstal op 9 september 2025 in Rijswijk;

feit 4

- mishandeling op 9 september 2025 in Rijswijk.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat de verdachte van het bij dagvaarding I onder 1 (primair) ten laste gelegde medeplegen partieel zal worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van de bij dagvaarding II en de bij dagvaarding IV onder 1 ten laste gelegde feiten bepleit en ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 1 (primair) ten laste gelegde poging tot moord naar voren gebracht dat voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. De rechtbank zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en bij dagvaarding IV onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman voor deze feiten geen vrijspraak bepleit.

3.4

Bewijsoverwegingen

Dagvaarding I, feit 1 (primair)


Inleiding

Op 11 maart 2026 heeft er bij metrostation [station] in Rotterdam een vuurwapenincident plaatsgevonden waarbij de verdachte betrokken is geweest. De verdachte zou daar meerdere keren een vuurwapen hebben doorgeladen, daarmee op [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) hebben gericht en vervolgens de trekker over hebben gehaald. Hierbij zijn geen schoten gelost. Vermoed wordt dat dit komt doordat het vuurwapen van de verdachte op dat moment weigerde. Uit later onderzoek is gebleken dat met dit vuurwapen wel degelijk kogels konden worden afgevuurd. De verdachte wordt daarom verweten dat hij zich aan (het medeplegen van) een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag schuldig heeft gemaakt.

De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij [aangever 1] op het perron van het metrostation tegenkwam, dat hij ruzie met hem had en bang was dat hij zou worden neergestoken. Daarom heeft de verdachte zijn vuurwapen tevoorschijn gehaald om af te schrikken. Vervolgens heeft de verdachte het vuurwapen op [aangever 1] gericht en doorgeladen. De verdachte heeft stellig ontkend dat hij op enig moment de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald.

Heeft de verdachte de trekker overgehaald?

De tijdens het onderzoek ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte over de precieze handelingen die hij met het vuurwapen zou hebben verricht, wijkt af van eerdere verklaringen die hij hierover heeft afgelegd. De verdachte heeft namelijk in eerste instantie, tijdens zijn aanhouding, tegen een verbalisant verklaard dat hij wel met het vuurwapen wilde schieten en dat het vuurwapen had geweigerd. Daarna heeft de verdachte tijdens zijn politieverhoor verklaard dat hij twee keer – één keer op het perron en één keer in de metrowagon – de trekker heeft overgehaald en dat het vuurwapen niet afging. Een dag later heeft de verdachte aan deze verklaring toegevoegd dat hij het vuurwapen eerder thuis had getest en dat hij hierom wist dat het vuurwapen geen kogels zou kunnen afvuren. Tot slot is er, kort na de aanhouding van de verdachte, op sociale media een video aangetroffen, waarop is te horen dat de verdachte over het incident rapt en daarbij zegt dat [aangever 1] geluk heeft gehad dat het vuurwapen van de verdachte niet af is gegaan.

De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting gezegd dat al deze eerdere verklaringen, die erop neer komen dat hij tot twee keer toe de trekker heeft overgehaald, niet kloppen. Volgens hem is de rap gelogen stoerdoenerij. Hij voelde zich tijdens het politieverhoor onder druk gezet om een bekennende verklaring af te leggen. Over de verklaring tijdens zijn aanhouding heeft de verdachte gezegd dat hij dit helemaal niet heeft verklaard.

De rechtbank acht deze uitleg van de verdachte over zijn wisselende verklaringen ongeloofwaardig. Hiertoe overweegt de rechtbank ten eerste dat de processen-verbaal van verbalisanten op ambtseed worden opgemaakt en dat het daarom ervoor dient te worden gehouden dat de hierin opgenomen verklaringen op waarheid berusten, tenzij het dossier aanwijzingen bevat die het tegendeel doen vermoeden. In dit geval is in het betreffende proces-verbaal opgenomen dat een verbalisant meermaals aan de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat hij niet verplicht is een verklaring af te leggen en dat de verdachte desondanks ongevraagd heeft verklaard dat zijn vuurwapen weigerde. Het dossier bevat – los van de latere verklaring van de verdachte – geen aanwijzingen om te vermoeden dat dit proces-verbaal in strijd met de waarheid is opgemaakt en de rechtbank zal daar dan ook niet van uitgaan. Ten tweede hebben zowel medeverdachte [medeverdachte] als een omstander verklaard te hebben gezien dat de verdachte op het perron meer met het vuurwapen heeft gedaan dan dit enkel tevoorschijn te halen. Volgens de medeverdachte heeft de verdachte het vuurwapen op [aangever 1] gericht en daarbij de trekker overgehaald, en volgens de omstander heeft de verdachte toen het vuurwapen doorgeladen. Daarnaast heeft de medeverdachte verklaard dat de verdachte kort daarna tegen hem heeft gezegd dat het vuurwapen weigerde. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen. Ten derde bevat het dossier een filmpje dat door [aangever 1] is gemaakt, waarop – kort gezegd – is te zien dat de verdachte in een metrowagon staat, dat hij een vuurwapen op de filmer richt en dat hij direct daarna zijn blik naar zijn vuurwapen verplaatst en het vuurwapen doorlaadt. Ondertussen is te horen dat de filmer de verdachte belachelijk maakt omdat hij een nepvuurwapen bij zich zou hebben. Hieruit leidt de rechtbank af dat [aangever 1] kennelijk in de veronderstelling was dat het vuurwapen van de verdachte geen schoten kon lossen – wat aansluit op het scenario dat het vuurwapen van de verdachte al een eerste keer op het perron had geweigerd – en dat de verdachte in de metrowagon (wederom) heeft geprobeerd om een gericht schot op hem te lossen en heeft geprobeerd om zijn vuurwapen aan de praat te krijgen.

De rechtbank komt, gelet op al deze aanwijzingen, tot de conclusie dat de verdachte twee keer met een vuurwapen op het slachtoffer heeft gericht en daarbij de trekker heeft overgehaald.

Opzet op de dood

Voor een bewezenverklaring van poging tot moord dan wel poging tot doodslag dient de rechtbank vast te stellen dat de verdachte met zijn handelen opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Daarvan is (in het kader van voorwaardelijk opzet) sprake als de verdachte in de gegeven omstandigheden de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen het slachtoffer zou komen te overlijden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Het schieten op een ander met een vuurwapen kan dodelijk letsel opleveren. Of in een concreet geval een aanmerkelijke kans bestaat op het ontstaan van dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval heeft de verdachte twee keer geprobeerd om met een vuurwapen een schot op een ander te lossen, wat enkel is voorkomen doordat het vuurwapen steeds weigerde. Het is onduidelijk wat de afstand tussen de verdachte en [aangever 1] bij de eerste poging op het perron is geweest, maar uit een video kan wel worden afgeleid dat bij de tweede poging in de metrowagon de verdachte en de filmende [aangever 1] slechts enkele meters van elkaar af stonden. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel is gericht, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard en dus opzet op de dood van [aangever 1] heeft gehad.

Voorbedachte raad

Van voorbedachte raad is sprake als de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank is van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte op pad was om een gewelddadige confrontatie met iemand anders te hebben, en dat hij niet per se naar [aangever 1] op zoek was. Wel had de verdachte al langere tijd ruzie met hem. Hij had rapteksten met dreigementen geschreven, maar daarmee kan nog niet worden vastgesteld dat sprake was van een vooropgezet plan om [aangever 1] van het leven te beroven. Uit de verklaringen van zowel de verdachte als de medeverdachte komt naar voren dat zij [aangever 1] plotseling en onverwacht tegenkwamen en dat deze vervolgens op de verdachte afrende, waardoor de daaropvolgende gedragingen van de verdachte eerder de schijn hebben van het handelen in een min of meer plotselinge gemoedsopwelling. Poging tot moord kan daarom niet worden bewezen.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet komen vast te staan dat de verdachte bij het begaan van het strafbare feit een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met één of meerdere mededader(s) heeft gehad. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Hoewel de medeverdachte ervan op de hoogte was dat de verdachte een gewelddadige confrontatie ging opzoeken en hij bewust met de verdachte hiernaartoe ging reizen, kan niet worden vastgesteld dat hij wist dat de verdachte een vuurwapen bij zich had. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van medeplegen.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de onder 1 (primair) ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen acht.

Dagvaarding II

Inleiding

[aangeefster] (hierna: de aangeefster) heeft aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging (in de dagen na de mishandeling) via Snapchat door de verdachte. De verdachte heeft stellig ontkend de mishandeling te hebben gepleegd. Over de bedreiging heeft hij verklaard dat hij wel ruzie met de aangeefster had, maar dat de door hem verstuurde Snapchatberichten gericht waren aan een vriend van de aangeefster, die op dat moment van haar telefoon gebruikmaakte.

Heeft de verdachte de aangeefster mishandeld?

Ter ondersteuning van de aangifte hebben twee getuigen verklaard erbij te zijn geweest toen de aangeefster door een persoon werd mishandeld. Zij hebben de identiteit van deze persoon niet kunnen vaststellen, omdat de persoon gezichtsbedekkende kleding droeg, maar volgens één van de getuigen had de persoon een korte lengte en een donkere huidskleur. Deze uiterlijke kenmerken komen met de verdachte overeen. Daarbovenop heeft de aangeefster toegelicht dat zij, ondanks de gezichtsbedekkende kleding die de agressor droeg, met honderd procent zekerheid heeft waargenomen dat het de verdachte was die haar mishandelde.

De rechtbank is van oordeel dat de aangeefster op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Haar verklaring bevat geen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden die de betrouwbaarheid aantasten en de verklaring komt authentiek en niet aangedikt over. De verklaringen van de getuigen komen in essentie met haar aangifte overeen. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig is, dat deze door de getuigenverklaringen wordt ondersteund en dat daarmee aan de hand van de aangifte kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld.

Waren de berichten aan de aangeefster gericht?

De rechtbank leidt uit de inhoud van de berichten af dat de verdachte tegen de door hem aangesproken persoon (onder andere) heeft gezegd dat hij de flat van die persoon gaat binnenspringen en dat die persoon dingen van hem heeft gestuurd. De aangeefster heeft in haar aangifte benoemd dat zij in een portiekflat woont. De verdachte heeft tijdens de zitting erkend dat hij ruzie met de aangeefster had, omdat zij foto’s van hem had doorgestuurd. Desgevraagd heeft hij verklaard niet te weten of de vriend van de aangeefster in een flat woont. Daarnaast wordt in één van de berichten (een deel van) de voornaam van de aangeefster genoemd. Gelet op al deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de Snapchatberichten aan de aangeefster waren gericht, zoals deze ook heeft verklaard, en dus niet aan een vriend van de aangeefster.

Redelijke vrees door de bedreiging

Voor een bewezenverklaring van bedreiging is vereist dat de verdachte zich zo heeft gedragen dat door zijn handelen bij de ander redelijkerwijs de vrees voor geweld heeft kunnen ontstaan. Niet vereist is dat de ander daadwerkelijk vrees is aangejaagd.

De raadsman heeft hierover aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte dienen te worden gezien als onderdeel van een scheldpartij tussen twee minderjarigen en dat daardoor de uitlatingen niet zo concreet en dreigend van aard waren dat daarmee bij de aangeefster redelijkerwijs de vrees voor geweld heeft kunnen ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat dit wel het geval is, omdat – zoals hiervoor is vastgesteld – de verdachte de aangeefster op 22 maart 2025 daadwerkelijk had mishandeld. Gelet op die omstandigheid konden de dreigende berichten op Snapchat redelijkerwijs de vrees voor geweld bij de aangeefster opwekken.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de ten laste gelegde bedreiging en mishandeling bewezen.

Dagvaarding III

Belediging van een ambtenaar in functie

De verdachte wordt verweten een politieagent te hebben beledigd. De verdachte heeft erkend dat hij, uit onvrede van de manier waarop hij door de politie werd behandeld, in het bijzijn van de politieagent een woedeaanval kreeg en dat hij hierbij heeft gescholden, maar dit schelden was er volgens hem niet op gericht om de politieagent te beledigen.

Het is vaste jurisprudentie dat het roepen van een scheldwoord naar een ander een beledigend karakter heeft, tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen die het beledigende karakter van die uitlating wegnemen (vgl. HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623). Gelet op de aard van de uitlatingen van de verdachte en de context waarbinnen deze zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat deze beledigend waren bedoeld. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte de politieagent heeft beledigd.

Dagvaarding IV, feit 1

Inleiding

[aangever 2] (hierna: de aangever) heeft onder andere aangifte gedaan van een poging tot afpersing door de verdachte. De verdachte zou een machete langs het been van de aangever hebben bewogen en daarbij hebben gezegd dat de aangever € 500,- voor hem moest pinnen en zijn pincode aan hem moest geven, waarop de aangever een onjuiste pincode aan de verdachte zou hebben gegeven. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij niet met de machete heeft gedreigd of om geld heeft gevraagd, maar enkel de machete als grapje aan de aangever heeft getoond en deze ook door de aangever heeft laten vasthouden.

Handelingen van de verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de aangever op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Andere punten van zijn aangifte – de door de verdachte bekende diefstallen en mishandeling – worden door een getuigenverklaring en camerabeelden ondersteund en zijn niet aangedikt. De rechtbank acht daarom de gehele aangifte van de aangever betrouwbaar en geloofwaardig. Daarnaast ondersteunen de door de verdachte bekende diefstallen de vermeende poging tot afpersing in zoverre dat kan worden vastgesteld dat de verdachte die dag op geld van de aangever uit was. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van de verdachte onbetrouwbaar en gaat de rechtbank ervan uit dat de verklaring van de aangever klopt. De rechtbank stelt daarmee vast dat de verdachte een machete langs het been van de aangever heeft gehaald, dat hij daarbij de aangever om € 500,- en zijn pincode heeft gevraagd en dat de aangever vervolgens een onjuiste pincode aan hem heeft gegeven.

Dwang

De raadsman heeft aangevoerd dat het handelen van de verdachte niet een voldoende dreigend karakter had om de aangever tot afgifte van geld of zijn pincode te kunnen dwingen. De rechtbank oordeelt anders. Het is een feit van algemene bekendheid dat, wegens het risico op misbruik, pincodes van bankpassen niet met anderen moeten worden gedeeld. Vanuit deze wetenschap vond de verdachte – om tóch de pincode van de aangever te verkrijgen – het kennelijk nodig om niet enkel naar de pincode van de aangever te vragen, maar hem daarbij ook onder druk te zetten door een machete te tonen. Dit handelen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer erop gericht de aangever tot afgifte van zijn pincode te dwingen, dat het niet anders kan dan dat de verdachte hierop opzet had. De dreiging van de verdachte was bovendien in zoverre effectief dat de aangever zich gedwongen voelde om aan hem een onjuiste pincode te geven. Dat de aangever – die heeft aangegeven zich overrompeld te hebben gevoeld – op enig moment zelf de machete heeft vastgehouden, doet aan het voorgaande niet af.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de ten laste gelegde poging tot afpersing bewezen acht.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

dagvaarding I

1
hij op 11 maart 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven
- een vuurwapen heeft gepakt en
- meermalen de slede van dat vuurwapen naar achteren heeft gehaald en meermalen dat vuurwapen heeft doorgeladen, althans heeft geprobeerd om dat vuurwapen door te laden en
- meermalen dat vuurwapen op die [aangever 1] heeft gericht en
- meermalen heeft geprobeerd om de trekker over te halen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op 11 maart 2026 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Blow type Mini 9 kaliber .32 auto en bijbehorende munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de Categorie III, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber .32 auto, voorhanden heeft gehad;

dagvaarding II
1
hij in de periode van 22 maart 2025 tot en met 26 juni 2025 te Rijswijk, althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen:
- “Steek k jou gwn met me mes”
- “Jij gaat kkr dood”
- “K ga jou doodslaan”
- “Jij gaat kkr pack”
- “K ga jou kkr doden”
- “Jij gaat kkr dede”

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2
hij op 22 maart 2025 te Rijswijk [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] meermaals te slaan tegen het hoofd;

dagvaarding III
hij op 4 juli 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar], brigadier bij de Eenheid Den Haag, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:
- Je kankermoeder,
- Je kankerzus,
- Kankersukkel,
- Kankerpolitie,
- Kankerracist en
- Kankerjood en/of kankerjoden;

dagvaarding IV
1
hij op 9 september 2025 te Rijswijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan [aangever 2] toebehoorde
- een machete langs het been van [aangever 2] heeft gehaald en
- heeft gezegd dat [aangever 2] 500 euro moet gaan pinnen en zijn pincode moet geven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op 9 september 2025 te Rijswijk 50 euro die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de pinpas van [aangever 2] (contactloos) bij de Primera 50 euro af te rekenen;

3
hij op 9 september 2025 te Rijswijk een bankpas, contant geld en een consumptiebon, in elk geval enig goed, die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4
hij op 9 september 2025 te Rijswijk [aangever 2] heeft mishandeld door hem twee keer met gebalde vuist tegen het gezicht of op het lichaam te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straf en maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – kort samengevat – aangevoerd dat er geen aanleiding is voor het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, aangezien er nog alternatieven hiervoor zijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als vijftien- en zestienjarige aan negen strafbare feiten schuldig gemaakt. De zwaarste strafbare feiten houden in dat de verdachte in het openbaar een geladen vuurwapen op zak had en in een metrostation twee keer heeft geprobeerd om daarmee op een ander te schieten. Enkel doordat het vuurwapen weigerde, is de verdachte er niet in geslaagd om daadwerkelijk schoten te lossen. Er is daardoor geen fysieke schade door de verdachte toegebracht, maar hij heeft wel gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders, die van het vuurwapenincident getuige zijn geweest, teweeggebracht.

De aanleiding voor het vuurwapenincident is gelegen in de drillrapomgeving waarin de verdachte zich begaf en de ruzies met anderen die daarbij zijn ontstaan. De rechtbank vindt het bijzonder ernstig en zorgelijk dat de verdachte het kennelijk passend vindt om hierom een vuurwapen op zak te hebben, vervolgens te proberen om daarmee op een ander te schieten – met alle mogelijke gevolgen van dien – en op die manier het recht in eigen hand te nemen.

Verder heeft de verdachte in een geval een slachtoffer bestolen, mishandeld en geprobeerd af te persen. In een ander geval heeft hij een slachtoffer mishandeld en bedreigd. Tot slot heeft hij een politieagent beledigd. Al deze strafbare feiten getuigen van een groot gebrek aan respect voor anderen. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen behoeften en zich niet om de gevolgen voor de slachtoffers bekommerd. Hij heeft bij hen financiële schade, overlast en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Uit de verklaring van de moeder van één van de slachtoffers op de terechtzitting is duidelijk naar voren gekomen dat het gedrag van de verdachte veel verdriet en gevoelens van angst heeft veroorzaakt.

De rechtbank vindt het goed dat de verdachte over enkele strafbare feiten eerlijk is geweest en zijn excuses daarvoor heeft aangeboden, maar daar staat tegenover dat de verdachte een aantal andere strafbare feiten heeft ontkend en daar dus geen verantwoordelijkheid voor heeft genomen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 juni 2026 waaruit blijkt dat de verdachte ook in 2023 en 2024 voor geweldsdelicten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee. Daarnaast is de verdachte op 20 juni 2025 voor een strafbaar feit veroordeeld, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere Pro Justitia-rapporten, waarvan de meest recente op 17 juli 2026 door [naam 1], GZ-psycholoog, en [naam 2], kinder- en jeugdpsychiater, is uitgebracht. Daaruit komt naar voren dat de verdachte een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een normoverschrijdend-gedragsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis heeft. De sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte blijft achter. De genoemde stoornissen hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloed en daarom wordt aangeraden om het bewezen verklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Zonder passende behandeling voor de stoornissen wordt het recidiverisico, ten aanzien van zowel gewelddadige als niet-gewelddadige strafbare feiten, hoog ingeschat. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, omdat enkel binnen dat kader de bij de verdachte passende vormen van begeleiding, behandeling, toezicht en ondersteuning kunnen worden aangeboden.

De rechtbank volgt de conclusies en overwegingen van de deskundigen voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid. De verdachte zal daarom verminderd toerekeningsvatbaar worden verklaard. De rechtbank houdt hier rekening mee bij de op te leggen straf.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van meerdere rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), waarvan de meest recente op 7 september 2026 is uitgebracht. Op de terechtzitting van 17 september 2026 heeft een deskundige van de Raad het advies toegelicht. Volgens de Raad is zonder passende behandeling het risico op het opnieuw plegen van (gewelddadige) strafbare feiten groot. Als risicofactoren ziet de Raad dat de verdachte zelfbepalend gedrag vertoont en zich daardoor al langere tijd niet goed aan afspraken houdt, dat hij een instabiele gezins- en schoolsituatie heeft en dat hij een problematische vrijetijdsbesteding heeft. De verdachte handelt impulsief, blijkt niet van eerdere fouten te leren en legt de schuld vaak bij anderen, in plaats van zichzelf, neer. Gelet hierop, en gelet op de (hiervoor genoemde) stoornissen van de verdachte, is de Raad van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd. Eerder opgelegde straffen en hulpverlening hebben niet tot positieve gedragsverandering van de verdachte geleid en enkel met een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel kan een langdurige en intensieve behandeling met een hoog genoeg beveiligingsniveau worden geboden, waardoor het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in dit geval als enige geschikte optie wordt gezien.

Tot slot heeft een vertegenwoordiger van de jeugdreclassering op de terechtzitting van 17 september 2026 naar voren gebracht het met het advies van de Raad eens te zijn.

De verdachte heeft op zitting aangegeven dat hij het ermee eens is dat hij hulpverlening nodig heeft, maar dat hij niet wil dat een PIJ-maatregel wordt opgelegd. Volgens hem is er niet serieus naar alternatieven gekeken en hij vindt dat hij een laatste kans verdient om te laten zien dat hij zich wel aan een minder ingrijpend behandelkader – van bijvoorbeeld kliniek [kliniek] – kan houden. Hij is ervan overtuigd dat oplegging van een PIJ-maatregel hem niet gaat helpen en dat hij voldoende kan veranderen door in een gesloten instelling, ver van zijn woonomgeving, te worden behandeld.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie van tien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

PIJ-maatregel

Uit artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht volgt dat oplegging van een PIJ-maatregel slechts mogelijk is indien bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en (onder andere) sprake is van veroordeling voor een misdrijf waarop wettelijk een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aan die voorwaarden is in dit geval voldaan.

Daarnaast dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ook aan deze voorwaarde is voldaan: de verdachte is in 2023 en 2024 al voor geweldsdelicten veroordeeld, hij heeft zich wederom aan (zeer) ernstige geweldsdelicten schuldig gemaakt en uit de adviezen van de deskundigen komt naar voren dat sprake is van een hoog recidiverisico. Tot slot volgt uit de adviezen van de deskundigen dat oplegging van de PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte is.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het passend om aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rechtbank begrijpt dat de verdachte het hier niet mee eens is en realiseert zich dat de maatregel een ingrijpend en uiterst middel is. Daarom zal de rechtbank uitleggen waarom zij, net als de deskundigen, van oordeel is dat oplegging van deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte is.

De deskundigen hebben aangegeven dat voor de behandeling van de stoornissen van de verdachte een langdurig en intensief behandeltraject nodig is. Ambulante hulpverlening wordt ontoereikend geacht, omdat de verdachte zich in het verleden vaker niet aan voorwaarden heeft gehouden. Daarom is behandeling binnen een gedwongen kader in een gesloten setting nodig. De door de verdachte voorgestelde alternatieven zijn in feite te kort en onvoldoende intensief om de ontwikkeling van de verdachte op een gewenste manier bij te sturen. De rechtbank wil wel aannemen dat de verdachte oprecht is in zijn voornemen om zich nu wel aan voorwaarden te houden. Het is echter de vraag of hij dat ook echt kan volhouden. De rechtbank twijfelt daaraan, omdat dat in het verleden heel vaak niet gelukt is en omdat hij ondanks eerder opgelegde bijzondere voorwaarden toch nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Een voorwaardelijk kader biedt daarnaast, gelet op het advies van de deskundigen en de langdurige problematiek van de verdachte, onvoldoende mogelijkheden voor een goede en afdoende behandeling. Alleen met de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel kan de verdachte lang en intensief genoeg worden behandeld, het weglooprisico worden ingeperkt en een voldoende hoog beveiligingsniveau worden gegarandeerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de klinische setting die een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel biedt het enige geschikte traject is om de verdachte de nodige behandeling en structuur te bieden.

Omdat de rechtbank de PIJ-maatregel oplegt ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, is verlenging van deze maatregel mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, niet te boven gaat.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 162,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering is namens de verdachte niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De verdachte heeft op de terechtzitting aangegeven de door de benadeelde partij geleden materiële schade te willen vergoeden. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door de bij dagvaarding IV onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 162,-.

Toe te wijzen bedrag

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 162,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door bij dagvaarding IV onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 162,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2]. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8 De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwerpen, genoemd op de beslaglijst van dagvaarding I (bijlage III) en de beslaglijst van dagvaarding IV (bijlage IV), zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijsten genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen – een (omgebouwd) vuurwapen en een machete – zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien een deel van de bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de terechtzitting een vordering aangebracht tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 09/137117-24 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 9 september 2024 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een werkstraf voor de duur van 30 uren (subsidiair 15 dagen jeugddetentie), wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde om gedurende de proeftijd geen strafbare feiten te plegen. De officier van justitie heeft op de terechtzitting geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af. De rechtbank is, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf op dit moment niet opportuun is, omdat er al jeugddetentie en een PIJ-maatregel worden opgelegd.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 266, 267, 285, 287, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 (primair):

poging tot doodslag;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding III:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

ten aanzien van dagvaarding IV, feit 1:

poging tot afpersing;

ten aanzien van dagvaarding IV, feit 2:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van dagvaarding IV, feit 3:

diefstal;

ten aanzien van dagvaarding IV, feit 4:

mishandeling;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 300 (DRIEHONDERD) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 162,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2];

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 162,-vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2], en bepaalt het aantal dagen gijzeling op 0 (nul);

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst van dagvaarding I onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK pistool;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst van dagvaarding IV onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK mes;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 09/137117-24 voorwaardelijk opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Herfkens, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,

mr. C.M. Koole, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

dagvaarding I

1
hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [aangever 1] en/of een tot op heden onbekend gebleven persoon van het leven te beroven
- een vuurwapen heeft gepakt en/of
- meermalen de slede van dat vuurwapen naar achteren heeft gehaald en/of meermalen dat vuurwapen heeft doorgeladen, althans heeft geprobeerd om dat vuurwapen door te laden en/of
- meermalen dat vuurwapen op die [aangever 1] en/of tot op heden onbekend gebleven persoon heeft gericht en/of
- meermalen heeft geprobeerd om de trekker over te halen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] en/of een tot op heden onbekend gebleven persoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- een vuurwapen te pakken en/of
- meermalen de slede van dat vuurwapen naar achteren te halen en/of meermalen dat vuurwapen door te laten, althans te proberen om dat vuurwapen door te laden en/of
- meermalen dat vuurwapen op die [aangever 1] en/of tot op heden onbekend gebleven persoon te richten en/of
- meermalen te proberen om de trekker over te halen;

2
hij op of omstreeks 11 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Blow type/model Mini 9 kaliber .32 auto en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de Categorie III te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber .32 auto voorhanden heeft gehad;

dagvaarding II
1
hij op of omstreeks in de periode van 22 maart 2025 tot en met 26 juni 2025 te Rijswijk, althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, dooe die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen:
- “Steek k jou gwn met me mes”
- “Jij gaat kkr dood”
- “K ga jou doodslaan”
- “Jij gaat kkr pack”
- “K ga jou kkr doden”
- “Jij gaat kkr dede”
- “Broer kom vandaag naar kankerbuiten naar (onverstaanbaar) of ik steek jou kankerdood, kies” en/of
- “Broer ik ga jou kanker dood maken”

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2
hij op of omstreeks 22 maart 2025 te Rijswijk, slachtoffer [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] meermaals, althans eenmaal te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam;

dagvaarding III
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar] brigadier bij de Eenheid Den Haag gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:
- Je kankermoeder,
- Je kankerzus,
- Kankersukkel,
- Kankerpolitie,
- Kut agent,
- Kankerracist en/of
- Kankerjood en/of kankerjoden,
althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

dagvaarding IV
1
hij op of omstreeks 9 september 2025 te Rijswijk heeft gepoogd om, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2], in elk geval aan die [aangever 2] en/of een derde toebehoorde(n):
-een machete langs het been van [aangever 2] te halen en/of
-te zeggen dat [aangever 2] 500 euro moet gaan pinnen en zijn pincode moet geven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
hij op of omstreeks 9 september 2025 te Rijswijk 50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [aangever 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de pinpas van [aangever 2] (contactloos) bij de Primera 50 euro af te rekenen;

3
hij, op of omstreeks 9 september 2025, te Rijswijk een bankpas, contant geld en een consumptiebon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4
hij op of omstreeks 9 september 2025 te Rijswijk [aangever 2] heeft mishandeld, door hem twee keer met gebalde vuist tegen het gezicht en/of op het lichaam te slaan.