Strafrecht overig
Wrakingsverzoek afgewezen. Processuele beslissing en ordemaatregel. Wrakingsverbod opgelegd.
ECLI:NL:RBDHA:2026:16190 · Rechtbank Den Haag · 15 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbdha-2026-16190
Zaakgegevens
Op 15 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 juni 2026
- Datum publicatie
- 16 juni 2026
- Zaaknummer
- C/09/705517 / KG RK 26/817
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16190
Samenvatting
Wrakingsverzoek afgewezen. Processuele beslissing en ordemaatregel. Wrakingsverbod opgelegd.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/38
zaak- /rekestnummer: C/09/705517 / KG RK 26/817
Beslissing van 15 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. A.F. Mandos te Rijswijk,
strekkende tot de wraking van
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 19 mei 2026 (waarbij de rechter fungeerde als politierechter);
- de schriftelijke reactie van de rechter van 22 mei 2026;
- het e-mailbericht van (de advocaat van) verzoeker van 1 juni 2026 met - onder meer - de volgende drie bijlagen:
- Toelichting en aanvulling gronden wrakingsverzoek OM vs [verzoeker] ;
- B-P Gespreksverslagen_[naam benadeelde partij]_20260522;
- B-P Gespreksverslag_VaderTante_20260522.
Op 1 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door mr. A.F. Mandos;
- de rechter.
2 Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 09/244739-25 (hierna te noemen: de hoofdzaak) tegen verzoeker als verdachte.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
‘U bent bevooroordeeld na het horen van het verhaal van de benadeelde partij. Ik was eerder al voornemens u te wraken gelet op de afwijzende beslissing betreffende de gemachtigde van de benadeelde partij, maar ik besloot om het niet te doen. Echter, door mij aan te spreken ontneemt u mij de mogelijkheid om de verklaring van de benadeelde partij met mijn cliënt te bespreken. Het spijt mij dat mijn harde stem storend is, maar het is erg emotioneel voor mijn cliënt en dat neem ik mogelijk over. Er rest mij dan ook niets anders dan het doen van een verzoek tot wraking.’.
Verzoeker heeft de gronden voor het wrakingsverzoek aangevuld en nader toegelicht. Hierbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de rechter ook vooringenomen is omdat hij geen bijzonder curator heeft aangesteld ten behoeve van de benadeelde partij in de hoofdzaak en omdat de rechter [naam] heeft toegestaan in de hoofdzaak de belangen van de benadeelde partij te behartigen.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Ter zitting heeft de rechter de wrakingskamer tevens verzocht te bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling wordt genomen.
3 De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Wrakingsgrond 1
Verzoeker stelt dat de rechter vooringenomen is, omdat hij verzoeker en zijn advocaat verzocht stil te zijn op het moment dat namens de benadeelde partij in de hoofdzaak een slachtofferverklaring werd voorgelezen.
De rechter heeft de bevoegdheid om in het kader van de handhaving van de orde tijdens de zitting de nodige maatregelen te nemen zodat een terechtzitting zonder verstoring kan plaatsvinden. Verzoeker erkent dat hij tijdens het voorlezen van de slachtofferverklaring met zijn advocaat aan het overleggen was. Het stond de rechter dan ook vrij om, in het kader van de handhaving van de orde ter zitting, verzoeker en zijn advocaat te verzoeken op dat moment stil te zijn. Indien verzoeker met zijn advocaat had willen overleggen had het op de weg van (de advocaat van) verzoeker gelegen om schorsing van de zitting te vragen. Gebleken noch aannemelijk is geworden dat de rechter zich heeft laten leiden door andere beweegredenen, dan het handhaven van de orde ter zitting. Er is dan ook geen reden te oordelen dat de rechter vooringenomen of partijdig is, of dat de schijn daarvan gewekt is. Deze wrakingsgrond faalt.
Wrakingsgrond 2
Voorts stelt verzoeker dat de rechter vooringenomen is omdat hij geen bijzonder curator heeft aangesteld ten behoeve van de benadeelde partij in de hoofdzaak (de minderjarige dochter van verzoeker) en omdat de rechter [naam] heeft toegestaan de belangen van de benadeelde partij te behartigen.
Deze wrakingsgrond ziet op een rechterlijke beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig – ook als deze onjuist zou zijn - nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dat kan anders zijn indien de beslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Dat daarvan in dit geval sprake is, is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de (tussen)beslissingen, ook niet toewijsbaar is.
Conclusie
De rechter heeft de wrakingskamer verzocht om een wrakingsverbod op te leggen, daarbij heeft de rechter gewezen op hetgeen is opgenomen in de Toelichting en aanvulling gronden wrakingsverzoek OM vs [verzoeker] (een van de bijlagen bij de e-mail van 1 juni 2026), te weten: ‘Tenslotte moet ik u ook vragen om het wrakingsverzoek ge[g]rond te verklaren gelet [op het feit] dat ik nu noodgedwongen informatie met u en de zittingsrechter deel, welke ik in een ander stadium mogelijk met een andere rechter niet zou delen.’.
Verzoeker heeft in het wrakingsverzoek nieuwe informatie over de inhoud van de hoofdzaak ingebracht. Die informatie is voor de behandeling van het wrakingsverzoek niet relevant gebleken. Gelet op het hiervoor onder 3.7 weergegeven citaat is echter niet ondenkbaar dat het feit dat de rechter kennis heeft van de door verzoeker in het geding gebrachte informatie, waarbij verzoeker aangeeft dit onwenselijk te vinden, tot een nieuw incident leidt in de hoofdzaak in de vorm van een wrakingsverzoek. In combinatie met het feit dat de onderhavige wraking ziet op een procesbeslissing en een ordemaatregel zonder dat daar bijzondere bijkomende omstandigheden aan ten grondslag zijn gelegd, ziet de wrakingskamer hierin aanleiding verzoeker een wrakingsverbod op te leggen. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van verzoeker in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
4 De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. A.F. Mandos;
• de officier van justitie mr. R. Brugman;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, D. Biever en D.M. Drok, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.J. van Rijswijck en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.