Strafrecht overig

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft een 45-jarige man veroordeeld in verband met het seksueel…

Rechtbank Gelderland, 14 november 2014

Zaakgegevens

Op 14 november 2014 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
14 november 2014
Datum publicatie
13 november 2014
Zaaknummer
05/740029-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2014:7050
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft een 45-jarige man veroordeeld in verband met het seksueel binnendringen van een (destijds) 10-jarig meisje. De man verbleef in het kader van een eerder opgelegde TBS tijdens zijn verloven bij het gezin van het meisje. Het slachtoffer zag de man als een vaderfiguur en haar vertrouwen in verdachte is op een grove wijze beschadigd.

De eerder opgelegde TBS, ook voor zedenmisdrijven, kende de nodige strubbelingen en binnen vijf maanden na de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging heeft de man problemen op zijn werk en in zijn relatie gekregen, is hij fors afgegleden in drugsgebruik en heeft het feit plaatsgevonden. De rechtbank concludeert dat de bestaande TBS-maatregel onvoldoende bescherming heeft geboden. Ter bescherming van de samenleving is van belang dat de behandeling van de man opnieuw wordt bekeken, waarbij de dynamiek van het huidige delict moet worden meegenomen. Gelet hierop heeft de rechtbank de man, naast een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, wederom veroordeeld tot de maatregel van TBS met dwangverpleging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/740029-14

Data zittingen : 13 juni 2014, 5 september 2014 en 31 oktober 2014

Datum uitspraak : 14 november 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

adres : [geboorteplaats],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats],

raadsman : mr. F.P. Holthuis, advocaat te 's-Gravenhage.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegestane vordering tot wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 februari 2014 te Nijmegen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, terwijl die [slachtoffer] lag te slapen, die [slachtoffer] heeft wakker gemaakt en/of haar heeft gezegd haar mond open te doen en/of haar heeft gezegd dat ze erop moest zuigen alsof het een lolly was en/of haar hoofd heeft vastgepakte, en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 februari 2014 te Nijmegen, met [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en gehouden.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 31 oktober 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.P. Holthuis, advocaat te 's-Gravenhage.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [slachtoffer], vertegenwoordigd door [betrokkene 1].

De officier van justitie, mr. C.Y. Huang, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1, primair, tenlastegelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1, subsidiair, tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit. Daartoe heeft zij, kort samengevat, aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) betrouwbaar zijn en in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij dit feit ontkend. De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit en heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat onvoldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Alle bewijsmiddelen vinden hun grondslag in één bron, te weten [slachtoffer]. Voorts zijn de verklaringen van [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar, nu deze zeer wel mogelijk beïnvloed zouden kunnen zijn door derden.

Beoordeling door de rechtbank

Verklaringen [slachtoffer]

[slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], heeft op 1 maart 2014 verklaard dat zij op woensdag (rechtbank: 27 februari 2014) te Nijmegen ging slapen op haar slaapkamer en rond 05:00 wakker werd omdat [verdachte] (rechtbank: verdachte) naar haar kamer kwam. Hij zei: “doe je mond open”. Dit deed zij en toen kwam er iets in. [slachtoffer] zei (later) tegen haar moeder dat het een duim was, maar eigenlijk was het iets anders.

Op 2 maart 2014 heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte, nadat hij [slachtoffer] had wakker gemaakt zei: “sssst stil maar, doe je mond maar open”. Dit wilde [slachtoffer] niet. Toen kwam hij hard tegen een (oogkapje op een) wond van [slachtoffer] op haar ogen aan. Verdachte zei: ”zuig er maar op als een lolly”. Daarbij legde verdachte [slachtoffer]’s hoofd naar achteren. Toen ging de piemel erin en begon verdachte te hijgen; ‘heel erg, als een hartaanval’. [slachtoffer] wist wel dat het geen duim was, omdat het vies smaakte (kleverig, harig en dik). [slachtoffer] had ooit voor de grap op de duim van verdachte gezogen, dan proefde ze gewoon huid; ‘een duim smaakt naar niets’.

Hierna wilde [slachtoffer] gaan slapen, maar kon dit niet omdat ze bang was. [slachtoffer] ging daarom naar beneden, gevolgd door verdachte, waarop [slachtoffer] tegen haar moeder vertelde dat verdachte een duim in haar mond had gedaan. [slachtoffer] heeft in eerste instantie aan haar moeder verteld dat het een duim was, omdat verdachte erbij was en ze het eng vond om te vertellen dat het een piemel was. Daarom heeft ze het pas gezegd toen ze weg zijn gegaan, naar de vriendin van haar moeder [betrokkene 2], aldus de verklaringen van [slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] voldoende betrouwbaar zijn om deze voor het bewijs te kunnen gebruiken. Haar verklaringen zijn vrij gedetailleerd en op hoofdlijnen consequent. Niet is gebleken dat de verklaringen van [slachtoffer] op deze hoofdlijnen zouden zijn beïnvloed door derden. Verder zijn de verschillende verklaringen van [slachtoffer] op zichzelf, in onderling verband bezien, consistent en logisch.

De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring dat [slachtoffer] als eerste heeft aangegeven dat zij de gebeurtenis op haar slaapkamer zou hebben gedroomd. Zowel [slachtoffer] als [betrokkene 1] (de moeder van [slachtoffer]) hebben verklaard dat verdachte zelf, in reactie op de verklaring van [slachtoffer] dat hij op haar kamer was geweest, heeft gezegd dat ze dit gedroomd moet hebben.

Ondersteunende bewijsmiddelen

De rechtbank ziet zich, gezien het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en het gevoerde verweer, voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer] door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient daarbij het volgende kader voorop te staan.

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Verklaringen van [betrokkene 1] (moeder van [slachtoffer])

Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte op woensdagnacht (rechtbank: 27 februari 2014) om 3.30 uur thuis kwam en zwaar onder invloed van cocaïne was. Getuige [betrokkene 1] was boos op verdachte. Verdachte is aan de tafel gaan zitten en heeft nog twee biertjes genomen. Daarna ging hij naar bed. Om 5.15 uur kwam [slachtoffer] naar beneden. Vervolgens heeft [slachtoffer] verteld dat verdachte op haar kamer was, hij hard op haar wond drukte, zij niet mocht kijken, zij haar mond open moest doen en dat verdachte een grote dikke duim in haar mond deed. Later (tijdens een gesprek onderweg naar [betrokkene 2]) vertelde [slachtoffer] dat dit een piemel was. Ze moest erop zuigen als een lolly. Daarbij heeft verdachte het hoofd van [slachtoffer] naar achteren gedaan. Later kwam verdachte ook naar beneden. Nadat hij met het verhaal van [slachtoffer] werd geconfronteerd, zei verdachte dat [slachtoffer] het wel zou hebben gedroomd en is terug naar bed gegaan. [slachtoffer] ontkende het te hebben gedroomd. Getuige viel het gedrag van [slachtoffer] op. Toen het gebeurd was, was ze heel stil en spierwit en zat ze helemaal tegen getuige aan. Later op de ochtend werd ze juist super druk. Toen getuige en [slachtoffer] met elkaar spraken over het gebeuren, zag getuige dat [slachtoffer] wit ‘wegtrok’ en dat ze tranen in haar ogen had, daarna pakte ze getuige gelijk vast. Getuige heeft niet het idee dat er vaker iets heeft gespeeld, omdat ze dit anders wel aan [slachtoffer] had gemerkt. [slachtoffer] was supergek op verdachte en vond hem de geweldigste papa die ze zich kon wensen. Verdachte was lief voor haar en Mandy (de zus van [slachtoffer]). Nu wil [slachtoffer] niet meer dat verdachte thuis komt.

Verklaringen getuige [getuige] (reclasseringswerker)

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op de avond van 27 februari 2014 contact heeft gehad met [betrokkene 1] en dat hij daarbij [slachtoffer] via de telefoon te spreken kreeg. [slachtoffer] vertelde hem dat verdachte die nacht in haar kamer was gekomen. Ze moest rustig blijven liggen en haar mond open doen. [slachtoffer] vertelde dat ze eerst dacht dat ze een duim in haar mond kreeg, maar dat ze die duim wel heel groot vond. Verdachte zou tegen [slachtoffer] hebben gezegd dat ze moest doen alsof het een lolly was. Hierna vertelde [slachtoffer] dat ze dacht dat verdachte zijn piemel in haar mond had gedaan. Getuige [getuige] heeft [slachtoffer] in dit gesprek gevraagd of ze kon vertellen wat er vannacht was gebeurd. Hierop vertelde ze het als een waterval, al huilend en stotterend.

Getuige [getuige] heeft voorts verklaard dat harddrugsgebruik een risicofactor voor verdachte is. Ten tijde van de index-delicten waarvoor verdachte TBS heeft gekregen (meerdere verkrachtingen) was verdachte ook onder invloed van (hard-)drugs.

Na de aanhouding op 28 februari 2014 is bij verdachte een urinecontrole afgenomen. Bij deze test scoorde verdachte erg hoog. Verdachte heeft aan getuige verteld dat hij twee dagen lang cocaïne gebruikt had.

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft onder andere verklaard dat hij een terugval had in cocaïnegebruik. Het ging de periode voor 27 februari 2014 niet zo geweldig en de relatie en het wonen bij [betrokkene 1] en de kinderen ging voor verdachte te snel.

Op 27 februari 2014 kwam verdachte om een uur of 3.00 thuis, nadat hij aardig wat cocaïne had gebruikt. Toen hij thuis kwam, had hij een ruzie met [betrokkene 1]. Na even te hebben gepraat, ging hij ongeveer tussen 4.00 en 4.30 uur naar bed. Op enig moment die nacht is hij weer naar beneden gegaan, waar [slachtoffer] en [betrokkene 1] ook waren. [slachtoffer] heeft toen verteld dat verdachte op haar kamer was en werd hem verweten dat hij iets in haar mond had gedaan. Er werd besproken dat dit een droom zou zijn geweest. [slachtoffer] kwam niet vaker op dergelijke tijdstippen uit bed.

Eerdere veroordeling

Bij arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 17 juli 2000 is verdachte veroordeeld onder meer ter zake van het (oraal) verkrachten van drie vrouwen tot een gevangenisstraf en tot de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. In dat arrest heeft het gerechtshof overwogen (op grond van een psychologische rapportage) dat sprake is van persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte en dat verdachte in sociaal opzicht inadequaat te noemen is. Obsessieve gedachten en fantasieën over het vernederen en verkrachten van vrouwen lijken centraal te staan. Wanneer verdachte, naar hij zegt om spanningen te beheersen, in drugsgebruik vlucht, is echter door dat gebruik een verdere ontremming van agressieve en seksuele impulsen het gevolg.

Nadere bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat de (betrouwbare) verklaringen van [slachtoffer] in voldoende mate worden ondersteund door de hiervoor weergegeven verklaringen. Hierbij is met name van belang dat [slachtoffer] binnen korte tijd na de gebeurtenis op haar slaapkamer, hierover heeft verklaard tegenover haar moeder en verdachte. Haar moeder heeft toen direct een verandering in het gedrag van [slachtoffer] en in haar houding ten opzicht van verdachte opgemerkt. [slachtoffer] is bij haar verklaringen gebleven, ondanks pogingen van verdachte om het voorval als een droom af te doen.

Voorts is van belang dat de verklaringen van [slachtoffer] passen in het tijdsverloop zoals verklaard door haar moeder en door verdachte zelf. Immers, verdachte en [betrokkene 1] hebben verklaard dat [slachtoffer] reeds op bed lag, verdachte rond 4.00/4.30 uur naar bed ging, waarna [slachtoffer] om ongeveer 5.00 uur naar beneden kwam, gevolgd door verdachte. Hierdoor had verdachte ook de tijd en de gelegenheid tot het plegen van het delict en was hij ook in de nabijheid van [slachtoffer].

Tot slot kan de rechtbank niet voorbij gaan aan de parallellen met de eerdere door verdachte gepleegde strafbare feiten. Het is zeer opvallend dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van (orale) verkrachtingen terwijl hij onder invloed was van harddrugs, welke hij innam ter regulering van spanningen. Verdachte heeft in de huidige zaak, waarbij hij ervan wordt verdacht wederom een wederrechtelijke orale seksuele handeling te hebben gepleegd, verklaard dat er spanningen waren, waarop hij een terugval kreeg in cocaïnegebruik. Op de bewuste nacht was verdachte onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Dat thans sprake is van een minderjarig slachtoffer, in plaats van meerderjarige slachtoffers, kan aan de overige parallellen niet afdoen.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 27 februari 2014 te Nijmegen, met [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handeling(en) heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en gehouden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de periode van voorarrest. Tevens dient de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

Naast het primaire verweer strekkende tot vrijspraak, heeft de verdediging het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Echter, er bestaat geen noodzaak tot het opleggen van die maatregel. De belangen van de veiligheid van de samenleving worden behartigd door de reeds eerder opgelegde en thans nog lopende maatregel van terbeschikkingstelling. Op dit moment is bij de bevoegde rechtbank aanhangig een vordering tot hervatting van de dwangverpleging. Daarnaast is een hernieuwde terbeschikkingstelling complicerend. Derhalve dient te worden afgezien van het opleggen van een hernieuwde maatregel van terbeschikkingstelling.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

? het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 29 september 2014;

? reclasseringsadviezen d.d. 28 februari 2014 en 3 oktober 2014;

? een rapportage van psychiatrisch onderzoek, opgesteld door drs. [psychiater 1], psychiater, d.d. 16 april 2014;

? een schrijven van psycholoog drs. [psycholoog 1], d.d. 13 april 2014;

? een NIFP rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 7 oktober 2014;

? een rapportage van psychiatrisch onderzoek, opgesteld door drs. [psychiater 2], forensisch psychiater, d.d. 13 augustus 2013;

? een rapportage van psychologisch onderzoek, opgesteld door [psycholoog 2],
GZ-psycholoog, d.d. 31 juli 2013;

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een 10-jarig meisje seksueel misbruikt door zijn geslachtdeel in haar mond te brengen. Door deze handelingen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Dit is des te kwalijker nu het slachtoffer mede aan de zorg van verdachte was toevertrouwd. Het slachtoffer zag verdachte als een vaderfiguur en haar vertrouwen in verdachte is op een gruwelijke wijze beschadigd. Verdachte heeft onder invloed van cocaïne – waarvan hij wist dat hij het niet mocht gebruiken en wat de gevaren daarvan waren - zijn eigen lustgevoelens en spanningen op het slachtoffer botgevierd, zonder rekening te houden met wat dat voor haar en haar naasten betekende. Het slachtoffer en haar naasten zullen hiervan gedurende langere tijd psychische nadelen ondervinden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Zoals reeds opgemerkt, is verdachte eerder veroordeeld ter zake van meerdere (orale) verkrachtingen, waarvoor hij onder andere de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd heeft gekregen. Een behandeling binnen deze setting gedurende twaalf jaren heeft verdachte niet kunnen weerhouden dit delict te plegen. Zodoende heeft verdachte laten zien nog immer een gevaar voor de samenleving te vormen.

De rechtbank acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voor de afdoening van de onderhavige zaak de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. Tevens ziet de rechtbank, gelijk de vordering van de officier van justitie, aanleiding aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

In voormeld psychiatrisch rapport van 13 augustus 2013 (opgesteld ten behoeve van een verlenging van de terbeschikkingstelling) is het volgende opgenomen: “In beschrijvende zin kan er (bij verdachte) worden gesproken van een persoonlijkheidsstoornis vanwege het structureel gedisfunctioneerd hebben op meerdere levensgebieden. Deze persoonlijkheidsstoornis kenmerkt zich door antisociale (beperkte agressie- en impulsregulatie en lacunaire gewetensfunctie), narcistische (basale onzekerheid) en borderline (vooral chronisch negatief zelfgevoel en leegte) kenmerken. Naast de persoonlijkheidsstoornis kan er in beschrijvende zin worden gesproken van verslavingsproblematiek (cocaïneafhankelijkheid, in gedeeltelijke remissie; cannabisafhankelijkheid, grotendeels in remissie; en alcoholmisbruik, in volledige remissie) en fetisjisme.

Betrokkene is vermoedelijk drugs -vooral cocaïne- gaan gebruiken om zijn frustraties in het dagelijks leven te verdragen en vermoedelijk om zijn intense seksuele behoeften te reguleren. De cocaïne werkte echter tegengesteld aan wat de bedoeling was, namelijk ontregeling in plaats van demping van intense seksuele gevoelens en frustraties.

Indien de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege nu zou worden opgeheven en onderzochte niet zou kunnen terugvallen op de huidige klinische voorziening, dan wordt de kans op een nieuw seksueel delict op de korte termijn als laag en op de langere termijn als verhoogd ingeschat en de kans op een nieuw vermogensdelict zowel op de korte als de langere termijn als groot. De verwachting is dan dat bij beëindiging van de TBS betrokken moeite zal hebben om zich zelfstandig te handhaven, terug zal vallen in vooral cocaïnegebruik om zo zijn frustraties te kunnen verdragen, criminele activiteiten zal ondernemen om zijn cocaïnegebruik te bekostigen, relatieproblemen zal krijgen vanwege zijn cocaïnegebruik en uiteindelijk vanwege zijn oplopende frustraties en behoeften opnieuw een vrouw zou kunnen verkrachten.”.

In voormeld psychologisch rapport van 31 juli 2013 (opgesteld ten behoeve van een verlenging van de terbeschikkingstelling) is het volgende opgenomen: “ bij betrokkene is sprake van een milde persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische kenmerken (hoofddiagnose), een parafilie NAO (seksuele opwinding bij glimmende panty’s) en afhankelijkheid van cocaïne (onder toezicht in remissie). Het risico op (seksueel) gewelddadig gedrag is op korte termijn laag en op de lange termijn zonder tbs-kader en afhankelijk van destabiliserende factoren als verlies van werk en relatie, krenking hierin en bij cocaïnegebruik hoog. Het risico op seksueel gewelddadige delicten wordt binnen een situatie van voorwaardelijke beëindiging waarin stabiliserende factoren als werk en relatie aanwezig zijn, er voldoende controle is op middelengebruik en betrokkene een vaste begeleider heeft om zijn problemen bespreekbaar te maken als laag geschat op de korte termijn. Dit risico neemt toe als betrokkene cocaïne gaat gebruiken. Het risico op verwervingscriminaliteit is op de korte termijn en lange termijn hoog als betrokkene cocaïne gaat gebruiken.”

In voormeld PBC-rapport is het volgende opgenomen: ‘ Eerdere onderzoekers stelden vast dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, van een parafilie en van afhankelijkheid van verschillende middelen.

Vanwege betrokkenes weigering is het niet mogelijk geweest te onderzoeken waar het accent binnen de persoonlijkheidsproblematiek ligt. Het gaat hoe dan ook om langdurig aanwezige, ernstige en chronische problematiek die is vastgesteld door eerdere onderzoekers. De gebrekkige aanpassing aan wat een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan is, werd ook in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde gezien. Het is niet te verwachten dat deze problematiek in de afgelopen maanden is veranderd in dusdanige mate, dat geen sprake meer is van een stoornis.

Betrokkene lijdt in ieder geval aan cocaïne-afhankelijkheid waarbij hij de grip kan verliezen op zijn functioneren, zowel privé als maatschappelijk. Hierbij is betrokkene ook onbetrouwbaar geworden naar de reclassering.”

Vanwege de weigering door verdachte van medewerking aan het onderzoek door het PBC, konden de onderzoekers geen advies formuleren over een vorm van begeleiding dan wel behandeling van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1?, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mede gezien de ernst van het begane feit en de voorafgegane veroordelingen, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Het verweer dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen reeds door de bestaande maatregel van terbeschikkingstelling worden behartigd, volgt de rechtbank niet.

Allereerst overweegt de rechtbank dat een hernieuwde oplegging van de maatregel niet complicerend is. Artikel 38l, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt immers dat een terbeschikkingstelling vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter beschikking wordt gesteld.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit voornoemde PBC-rapport naar voren komt dat de behandeling van veroordeelde in het kader van de terbeschikkingstelling de nodige strubbelingen heeft gekend. De dwangverpleging van veroordeelde is in oktober 2013 voorwaardelijk beëindigd. Binnen vijf maanden heeft de door de psychiater in zijn rapport van 13 augustus 2013 omschreven dynamiek zich voorgedaan. Zo had verdachte problemen met zijn werk en zijn relatie, is hij wederom afgegleden in fors drugsgebruik en heeft het hier bewezenverklaarde plaatsgevonden. Verdachte heeft, tegenover de psychiater bij het PBC, verklaard dat hij natuurlijk niet had moeten terugvallen in cocaïne gebruik. Hij vond het echter lastig om stiefvader te zijn. Uit verliefdheid op [betrokkene 1] heeft hij zichzelf overvraagt. Het verblijven bij [betrokkene 1] en haar twee kinderen (van wie één met ADHD) voor vier nachten in de week was niet simpel: ‘Ik wisselde de ene gevangenis in voor de andere”, aldus verdachte.

Het bestaande resocialisatietraject heeft dan ook onvoldoende bescherming geboden. Gelet hierop acht de rechtbank het ter bescherming van de maatschappij van belang dat bij aanvang van de behandeling na het uitzitten van de gevangenisstraf opnieuw beoordeeld wordt welke behandeling verdachte op dat moment nodig heeft, waarbij de delictdynamiek van het onderhavige feit dient te worden betrokken. De rechtbank kiest er daarom voor een nieuwe terbeschikkingstelling op te leggen.

In het voorgaande ligt tevens de motivering besloten voor het oordeel dat de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen meebrengen dat verdachte van overheidswege dient te worden verpleegd.

Het bewezenverklaarde delict is een misdrijf dat gericht is tegen of een gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam een persoon.

6A. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.521,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met uitzondering van de vergoede kosten voor de vervanging van kleding en beddengoed, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar. De opgevoerde materiële kostenposten staan in voldoende rechtstreeks verband met het thans bewezenverklaarde strafbare feit. Niet onredelijk is dat het slachtoffer van een strafbaar feit als hier aan de orde kleding en beddengoed, die aan het strafbare feit doen herinneren, van de hand doet. Deze schade komt redelijkerwijs voor rekening van verdachte (art. 6:98 Burgerlijk Wetboek; hier na: BW). De gevorderde materiële schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Zij is in fysieke zin door verdachte aangetast in haar persoon. Daarnaast is met de aard van de onrechtmatige gedraging aantasting in haar persoon op andere wijze gegeven, gelet op de schending van haar persoonlijke integriteit die met het bewezenverklaarde gepaard is gegaan. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 BW, is voldaan. De daardoor veroorzaakte schade is aan verdachte toe te rekenen. Rekening houdend met de aard en de ernst van de schadeveroorzakende gedraging, de gevolgen ervan en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen acht de rechtbank toekenning van het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding billijk.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 27 februari 2014. Bij het bepalen van de vervangende hechtenis zal de wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten. De vergoeding voor proceskosten blijft bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel buiten beschouwing.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 1.521,00 (éénduizend vijfhonderd éénentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.521,00 (éénduizend vijfhonderd éénentwintig euro) ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal van dit bedrag hechtenis wordt toegepast voor de duur van 25 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.M. van Gorp (voorzitter), mr. C.M.E. Lagarde en mr. E. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 november 2014.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Nederland Oost, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL[dossiernummer], gesloten op 30 april 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van voorbereiden studioverhoor, p. 42. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 45. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 48. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 49. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 48 en 49. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 51. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 45 en 46. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 47. Proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer], p. 45. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 1], p. 26. Onder andere: Hoge Raad 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 1], p. 28. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 1], p. 26 en 27. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 1], p. 29. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 1], p. 30. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 54 en 55. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 68. Verklaringen van verdachte afgelegde ter terechtzitting d.d. 31 oktober 2014.