Strafrecht overig
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd nu de aangifte…
Rechtbank Gelderland, 23 januari 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:302 · Rechtbank Gelderland · 23 januari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2015-302
Zaakgegevens
Op 23 januari 2015 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 23 januari 2015
- Datum publicatie
- 22 januari 2015
- Zaaknummer
- 05/820249-14
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2015:302
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd nu de aangifte niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Meervoudige kamer
Parketnummer: 05/820249-14
Uitspraak d.d.: 23 januari 2015
Tegenspraak
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats], [adres].
Raadsman: mr. A. Bijl, advocaat te Leerdam.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
9 januari 2015.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 juli 2013 te Lievelde, gemeente Oost Gelre, opzettelijk
mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) (met gebalde
vuist) in/op/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel
heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hij heeft de bewezenverklaring gebaseerd op de aangifte en de verklaring van getuige [getuige].
Standpunt van de verdachte / de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft geslagen. [slachtoffer] heeft verdachte later omschreven als de ‘brancardpersoon’. Verdachte heeft echter verklaard dat hij niet op een brancard heeft gelegen. De raadsman meent dat [slachtoffer] zijn verklaring (te) zwaar heeft aangezet en/of dat hij het gebeurde onvoldoende goed heeft waargenomen. Ten aanzien van de verklaring van [getuige] heeft de raadsman opgemerkt dat de persoon aangeduid als ‘A’ een andere persoon is dan de ‘brancardpersoon’.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit niet bewezen. Zij overweegt daartoe dat de aangifte niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund. De verklaring van getuige [getuige] kan naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs nu [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat persoon ‘A’ [slachtoffer] met de vuist heeft geslagen. Uit de stukken komt naar voren dat een ander dan verdachte is aangeduid als persoon ‘A’. De rechtbank overweegt verder dat onduidelijk is of verdachte de door [slachtoffer] bedoelde ‘brancardpersoon’ is, waarbij van belang is dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij vanuit de clean area op een vierwielig voertuig met stoeltjes is afgevoerd naar de ambulancepost en dat hij pas daar op een brancard is gestapt, welke verklaring niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Nu niet kan worden bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft geslagen, dient hij van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Beslissing
De rechtbank:
? verklaart niet bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door mrs. Van Lookeren Campagne, voorzitter, Kropman en Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 januari 2015.