Strafrecht overig
Veroordeling voor het onttrekken van een minderjarige aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over die…
Rechtbank Gelderland, 14 mei 2019
ECLI:NL:RBGEL:2019:2068 · Rechtbank Gelderland · 14 mei 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2019-2068
Zaakgegevens
Op 14 mei 2019 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 14 mei 2019
- Datum publicatie
- 15 mei 2019
- Zaaknummer
- 05/881427-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2068
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het onttrekken van een minderjarige aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over die minderjarige uitoefende. Verdachte heeft samen met een ander zonder toestemming haar dochter meegenomen, die op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij een pleeggezin verbleef. Oplegging van voorwaardelijke werkstraf van 100 uren.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/881427-17
Datum uitspraak : 14 mei 2019
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedatum 1] 1971 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]
raadsman: mr. H. Polat, advocaat te Haarlem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2019 en van 30 april 2019.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 28 juni 2017 tot en met 30 juni 2017 te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 1] , in elk geval in Nederland en/of [land] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, te weten de [naam stichting] , terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, immers heeft verdachte en/of haar mededader in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van de [naam stichting]
-
die [naam 1] opgewacht en/of opgepikt en/of opgehaald aan de [naam school] en/of
-
die [naam 1] verder vervoerd en/of haar vervoer verder verzorgd en/of geregeld en/of
-
onderdak/een slaapplaats geregeld voor die [naam 1]
en aldus voornoemde minderjarige (telkens) buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [naam stichting] gebracht en/of gehouden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
De dochter van verdachte, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] en daarmee minderjarig, is op 6 december 2016 door de rechtbank Noord-Holland voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld. Ook heeft de rechtbank Noord-Holland op 6 december 2016 een machtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken tot 6 maart 2017. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd op 3 februari 2017, en vervolgens weer verlengd op 18 april 2017 tot aan 6 juli 2017. De [naam stichting] is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [naam 1] belast.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden ondanks dat het politieverhoor van verdachte van het bewijs moet worden uitgesloten. Tijdens dit verhoor heeft zij immers wel verhoorbijstand gewenst, maar dat is haar niet verleend. Voorts heeft zij het proces-verbaal van dit verhoor niet zelf ondertekend.
Beoordeling door de rechtbank
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [naam 1] bij hem en zijn vrouw verbleef vanuit jeugdzorg. Hij bracht [naam 1] op 28 juni 2017 naar de [naam school] aan de [adres 2] . Op een gegeven moment huppelde [naam 1] voor hem uit. Hij zag toen dat er een groene auto aan kwam die op het midden van de weg stopte. Een vrouw stapte uit en riep iets. [naam 1] riep toen “Mama” en rende naar de vrouw toe. De vrouw pakte [naam 1] vast en deed haar in de auto. De auto reed toen weg. De vrouw was niet de bestuurder van de auto.
Verdachte en [naam 1] werden op 29 juni 2017 aangetroffen op een camping in [plaats 1] , [land] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [naam 1] op 28 juni 2017 samen met een ander in [plaats 2] heeft opgehaald en meegenomen.
Gelet op voorgaande wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, haar dochter met de auto heeft opgehaald en meegenomen naar [land] . Verdachte had geen toestemming van de [naam stichting] om [naam 1] mee te nemen, wat volgt uit het feit dat deze organisatie aangifte heeft gedaan. Hiermee heeft verdachte [naam 1] dan ook buiten de invloedssfeer van de [naam stichting] gebracht en haar aan het opzicht van de [naam stichting] onttrokken. De rechtbank acht het tenlastegelegde daarom bewezen.
Over het verweer van de verdediging dat het politieverhoor van het bewijs moet worden uitgesloten, overweegt de rechtbank ten overvloede dat dit verweer geen bespreking behoeft nu dit verhoor door de rechtbank niet als bewijs is gebruikt.
3 Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij in of omstreeks de periode van 28 juni 2017 tot en met 29 juni 2017 te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 1] , in elk geval in Nederland en/of [land] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, te weten de [naam stichting] , terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, immers heeft verdachte en/of haar mededader in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van de [naam stichting]
- die [naam 1] opgewacht en/of opgepikt en/of opgehaald aan de [naam school] en/of
- die [naam 1] verder vervoerd en/of haar vervoer verder verzorgd en/of geregeld en/of
- onderdak/een slaapplaats geregeld voor die [naam 1]
en aldus voornoemde minderjarige (telkens) buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [naam stichting] gebracht en/of gehouden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van het onttrekken van een minderjarige aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over die minderjarige uitoefent.
5 De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en subsidiair om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Hiertoe is naar voren gebracht dat verdachte [naam 1] wilde weghalen van haar pleeggezin omdat zij had gehoord dat ze mishandeld werd. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [getuige] dat [naam 1] niet met tegenzin is meegegaan.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 4 maart 2019.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar toen 5-jarige kind aan het opzicht van de [naam stichting] . Zonder toestemming heeft zij samen met een ander haar dochter meegenomen die op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij een pleeggezin verbleef. Zij zijn vervolgens met het kind naar een camping in [land] gegaan. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij door zo te handelen bewust een rechterlijke uitspraak naast zich neer heeft gelegd, terwijl naleving van rechterlijke uitspraken van groot maatschappelijk belang is. Daarnaast gaat het niet aan om zo lichtvaardig om te springen met de emoties van een minderjarig kind dat niet zonder goede redenen uit huis zal zijn geplaatst. De rechtbank acht het dan ook een ernstig feit.
Anderzijds begrijpt de rechtbank dat de beslissing tot uithuisplaatsing van [naam 1] bij verdachte en haar man veel emoties heeft losgemaakt en dat verdachte zeker niet de bedoeling zal hebben gehad om schade aan haar dochter toe te brengen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat kan worden volstaan met een forse waarschuwing in de vorm van een geheel voorwaardelijke werkstraf. De rechtbank acht deze stok achter de deur wel nodig omdat, nu [naam 1] nog steeds uit huis geplaatst is, verdachte ervan moet worden weerhouden wederom een soortgelijk misdrijf te plegen.
8 De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.
9 De beslissing
De rechtbank:
? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;
? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
? veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
? bepaalt, dat deze werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald, te weten:
dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 mei 2019. |
||