Strafrecht overig

Officier van justitie niet-ontvankelijk in beroep omdat de wet niet voorziet in een beroepsmogelijkheid voor…

Rechtbank Gelderland, 2 juli 2021

Zaakgegevens

Op 2 juli 2021 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
2 juli 2021
Datum publicatie
9 juli 2021
Zaaknummer
21/379
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2021:3585
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Officier van justitie niet-ontvankelijk in beroep omdat de wet niet voorziet in een beroepsmogelijkheid voor de officier van justitie tegen beslissing van de rechter-commissaris tot afwijzing van de bewaring in het kader van de Uitleveringswet.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Rechtbanknummer : 21/379

Lurisnummer : UTL-I-2021017717

Zittingsdatum : 25 juni 2021

BESLISSING van de Rechtbank Gelderland, meervoudige kamer voor strafzaken, zittinghoudende te Arnhem, in de zaak van:

naam: [opgeëiste persoon] , hierna te noemen: opgeëiste persoon,

geboren op : [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende : [adres] .

Procedure

Op 7 juni 2021 is de opgeëiste persoon op verzoek van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (de VS) voorlopig aangehouden met het oog op de door die autoriteiten gewenste uitlevering. Op 7 juni 2021 is zijn inverzekeringstelling bevolen.

Na een vordering van de officier van justitie tot het verlenen van een bevel tot bewaring heeft de rechter-commissaris op 11 juni 2021 de vordering tot bewaring afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het vluchtgevaar. De officier van justitie heeft tegen deze beschikking op 15 juni 2021 hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting

Ter zitting zijn gehoord de opgeëiste persoon, de raadsvrouw mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. B. Veelders.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat de Uitleveringswet en toepasselijke verdragen geen bepaling bevatten over de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot afwijzing van de vordering tot bewaring. De wetgever heeft deze situatie niet voorzien. De Uitleveringswet is gebaseerd op vertrouwen. Dit betekent dat op het moment dat de Amerikaanse autoriteiten een verzoek tot uitlevering doen en zij aangeven dat sprake is van vluchtgevaar, Nederland hieraan voldoet. Het is niet aan de Nederlandse rechter-commissaris om in deze fase van het proces een inhoudelijke toetsing te hanteren.

Door het uitleveringsverzoek en de forse gevangenisstraf die boven het hoofd van de opgeëiste persoon hangt, is het vluchtgevaar een gegeven. Daar komt voor de opgeëiste persoon bij dat hij methodes heeft om te reizen in combinatie met het ernstige strafbare feit waarvan hij wordt verdacht en wereldwijd mensen daarbij zijn betrokken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de Uitleveringswet en de toepasselijke verdragen geen bepaling bevatten over de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot afwijzing van de vordering tot bewaring. De vraag of de rechter-commissaris zijn bevoegdheid verkeerd heeft gebruikt, kan daarom niet worden getoetst. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het beroep ongegrond te verklaren en meer subsidiair de bewaring te schorsen. Hiertoe is aangevoerd dat het vluchtgevaar onvoldoende is gemotiveerd. De opgeëiste persoon is student, woont thuis en is ook op deze zitting verschenen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon er belang bij om in Nederland te blijven, aangezien hij dan bij uitlevering een aantal garanties krijgt.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van hoger beroep door de officier van justitie tegen de beschikking van de rechter-commissaris tot afwijzing van de bewaring in het kader van de Uitleveringswet. De Uitleveringswet betreft een gesloten systeem en artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering ziet uitdrukkelijk alleen op de afwijzing van vorderingen krachtens dat wetboek. De wetgever heeft wel geregeld dat beroep van de officier van justitie tegen een beslissing tot schorsing openstaat, maar niet tegen een beslissing tot afwijzing van de bewaring. Voor zover de officier van justitie heeft willen betogen dat de rechter-commissaris door te beslissen als hij deed, buiten het toepassingsgebied van artikel 15 van de Uitleveringswet is getreden en dat in zoverre toch hoger beroep open staat, wordt dit gepasseerd omdat het open stellen van rechtsmiddelen waarin de wet niet voorziet, in strafzaken buiten de rechtsvormende taak van de rechter ligt. Bovendien ziet de officier van justitie er aan voorbij dat blijkens artikel 15 van de Uitleveringswet de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie de bewaring “kan” bevelen en niet dat hij de bewaring “beveelt”, zodat niet gezegd kan worden dat hij buiten het toepassingsgebied is getreden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beslissing is aldus gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter, mr. M.E. Snijders en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Rokette, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2021.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.