Strafrecht overig

veroordeling voor het plegen van ontuchtige handelingen met een 10-jarige jongen en het vervaardigen…

Rechtbank Gelderland, 31 januari 2023

Zaakgegevens

Op 31 januari 2023 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Zutphen
Datum uitspraak
31 januari 2023
Datum publicatie
31 januari 2023
Zaaknummer
05-194287-21
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2023:477
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

veroordeling voor het plegen van ontuchtige handelingen met een 10-jarige jongen en het vervaardigen, verwerven en in bezit hebben van kinderpornografie

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/194287-21

Datum uitspraak : 31 januari 2023

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. B.P.J. van Riel, advocaat in Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 november 2022 en 17 januari 2023.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2021 te ’s-Heerenberg en/of Wekerom, althans in Nederland, met [benadeelde partij] , geboren op 14 juni 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het die [benadeelde partij] (via twitch en/of een livestream en/of de webcam) te bewegen zijn (eigen) geslachtsdeel te laten tonen en/of zichzelf af te trekken, althans zijn geslachtsdeel te betasten;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 21 april 2020 tot en met 9 april 2021 te Wekerom, althans in Nederland, een aantal afbeeldingen/multimediafiles, danwel één of meerdere gegevensdragers bevattende die afbeeldingen/multimediafiles, van (telkens) (een) seksuele gedraging(en) waarbij (een) persoon/personen is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken, die (kennelijk) de leeftijd van 18 jaar nog niet had(den) bereikt, één of meerdere van die afbeelding(en)/multimediafile(s) heeft vervaardigd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking

van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of poseert in een omgeving en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (99.jpg, 100.jpg, Sven/20210215_140709.jpg, Daniel/inmage0.jpg, Nieuwe

map/OIPER3NK7WW.jpg, vindplaats procesdossier p. 40, aanvullend proces-verbaal 2208301330.AMB).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde foto’s heeft verworven en in bezit gehad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 1-5;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 16-36;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 januari 2023.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 40-41;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 januari 2023.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de afbeeldingen heeft vervaardigd, verworven en in bezit gehad.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2021 te ’s-Heerenberg en/of Wekerom, althans in Nederland, met [benadeelde partij] , geboren op 14 juni 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het die [benadeelde partij] (via twitch en/of een livestream en/of de webcam) te bewegen zijn (eigen) geslachtsdeel te laten tonen en/of zichzelf af te trekken, althans zijn geslachtsdeel te betasten;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 21 april 2020 tot en met 9 april 2021 te Wekerom, althans in Nederland, een aantal afbeeldingen/multimediafiles, dan wel een of meerdere gegevensdragers bevattende die afbeeldingen/multimediafiles, van (telkens) (een) seksuele gedraging(en) waarbij (een) persoon/personen is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken, die (kennelijk) de leeftijd van 18 jaar nog niet had(den) bereikt, één of meerdere van die afbeelding(en)/multimediafile(s) heeft vervaardigd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking

van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of poseert in een omgeving en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (99.jpg, 100.jpg, Sven/20210215_140709.jpg, Daniel/inmage0.jpg, Nieuwe

map/OIPER3NK7WW.jpg, vindplaats procesdossier p. 40, aanvullend proces-verbaal 2208301330.AMB).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen

feit 2:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De officier van justitie heeft daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zal worden opgelegd. Ten aanzien van de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het online plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde partij] , een 10-jarige jongen. Verdachte heeft een grote inbreuk op de integriteit van [benadeelde partij] gemaakt en [benadeelde partij] een erg nare ervaring in zijn seksuele ontwikkeling bezorgd. Om [benadeelde partij] tot de ontuchtige handelingen te bewegen heeft verdachte gedreigd zelfmoord te plegen, waarmee verdachte een enorme druk op [benadeelde partij] heeft gelegd. De rechtbank neemt verdachte deze vorm van manipulatie van een jong kind bijzonder kwalijk. Verdachte heeft zijn eigen seksuele behoeftes laten prevaleren boven de belangen van [benadeelde partij] . Daarnaast zijn op een usb-stick van verdachte kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen, onder meer screenshots van filmpjes waaruit blijkt dat verdachte vaker ontucht met jonge kinderen heeft gepleegd.

Dat het tenlastegelegde geen incident betrof, volgt ook uit het strafblad van verdachte. Verdachte is in maart 2019 veroordeeld voor een zestal zedenmisdrijven, waaronder het meermaals plegen van seksueel binnendringen van het lichaam van een kind beneden de twaalf jaar, welke feiten hebben plaatsgevonden in 2016, 2017 en 2018. Verdachte heeft toen een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van twee jaar opgelegd gekregen. Hoewel de tenuitvoerlegging van deze PIJ-maatregel in de huidige strafzaak niet gevorderd is, merkt de rechtbank op dat verdachte nog in de proeftijd liep toen hij de onderhavige feiten beging.

De rechtbank constateert dat de genoemde veroordeling verdachte er niet van heeft weerhouden opnieuw ernstige en soortgelijke strafbare feiten te plegen, hetgeen de rechtbank zorgelijk acht.

Uit het psychologisch rapport van 24 mei 2022 volgt dat bij verdachte sprake is van een matig verstandelijke beperking, met een totaal IQ van 53, en een ADHD-stoornis. Uit het rapport blijkt dat verdachte geen seksuele voorkeur laat zien, dus ook geen voorkeur voor jonge kinderen. Contacten met anderen zijn instrumenteel van aard en hebben als doel het hebben van seks. Verdachte kent geen rem op zijn lustgevoelens als gevolg van zijn verstandelijke beperking. Zijn seksuele prikkel is allesoverheersend. Verdachte gaat niet gebukt onder schuld- en of schaamtegevoelens en kan zich niet verplaatsen in anderen of wat hij een ander aandoet. Zijn stoornis heeft het handelen van verdachte beïnvloed ten tijde van het tenlastegelegde. De psycholoog heeft daarom geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusies over. Verdachte wordt daarom in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Uit het psychologisch rapport volgt daarnaast dat sprake is van een hoog tot zeer hoog recidiverisico.

De reclassering heeft in haar rapport van 21 juli 2022 beschreven dat verdachte sinds de huidige verdenking verblijft op een woonvoorziening van ’s Heeren Loo, waar verdachte intensieve een-op-eenbegeleiding ontvangt. Er is continue zicht op verdachte. Omdat desondanks risico’s op seksueel grensoverschrijdend gedrag blijven bestaan, wordt reclasseringstoezicht geadviseerd. Door zowel de reclassering als de psycholoog wordt geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een meldplicht en een ambulante behandeling op te leggen. Het innemen van medicijnen, zoals libidoremmende medicatie, kan onderdeel van de behandeling zijn.

De rechtbank overweegt dat voor de feiten die verdachte heeft gepleegd doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De vraag is echter of in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook passend is. De rechtbank vindt het van groot belang dat voorkomen wordt dat verdachte nogmaals nieuwe slachtoffers zal maken. In dat verband is relevant dat uit de psychologische rapportage blijkt dat verdachte slechts zeer beperkt leerbaar is en continue begeleiding nodig heeft om zijn dag te structureren, sociale interacties te verduidelijken en opkomende spanningen te verminderen. Het hoge recidiverisico moet zoveel mogelijk ingeperkt worden. Een forensisch kader zou daarbij echter risico’s met zich kunnen brengen. Ook de rechtbank acht het voortzetten van verblijf bij ’s Heeren Loo met een-op-eenbegeleiding en continue zicht op verdachte van belang. Ter zitting is gebleken dat verdachte bij ’s Heeren Loo geen toegang tot internet en geen eigen spelcomputers meer heeft en enkel onder toezicht mag gamen. Het recidiverisico wordt hiermee fors ingeperkt. Oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden, inclusief de mogelijkheid tot verplichte inname van (libidoremmende) medicatie, perkt het recidiverisico nog verder in. Daarom zal de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar de geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

Omdat de uitkomst van deze strafzaak wordt afgewacht voor (het verlengen van) de meerzorgindicatie van verdachte, heeft de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden geadviseerd. Om deze reden en vanwege het hoge risico op recidive als verdachte niet langer de intensieve zorg van ’s Heeren Loo krijgt, omdat er dan ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Alles overziend acht de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

8 De beoordeling van de civiele vordering

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij] is in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend door zijn wettelijke vertegenwoordiger. De benadeelde partij vordert € 251,48 aan materiële schade en € 2.700,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De materiële schade bestaat uit € 242,- gemaakte kosten voor een gesprek met een GZ-psycholoog en € 9,49 gemaakte reiskosten voor deze gesprekken. De benadeelde partij vordert verder € 1.443,48 aan proceskostenvergoeding, bestaande uit € 1.434,- conform het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven en € 9,48 aan gemaakte reiskosten.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële- en immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde proceskostenvergoeding heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het kantonrechtertarief moet worden toegepast.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

De gevorderde materiële schade heeft betrekking op de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen. Verdachte is vanaf 18 februari 2021 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Smartengeld

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,

  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,

  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of

  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat sprake is van geestelijk letsel. De stelling is onderbouwd met het rapport van een psycholoog, waarin wordt geconcludeerd dat van een aanpassingsstoornis sprake is. Dit rapport is echter mede tot stand gekomen naar aanleiding van een (enkel) gesprek met benadeelde en zijn moeder. In dit gesprek heeft benadeelde aangegeven dat hij wel boos is op verdachte, maar weinig klachten heeft als gevolg van de ontuchtige handelingen. De door zijn moeder genoemde klachten vinden geen steun in andere bronnen. Ook heeft het gesprek anderhalf jaar na het bewezenverklaarde plaatsgevonden en is niet gebleken dat benadeelde in de tussentijd een psycholoog of andere hulpverlening heeft bezocht vanwege het bewezenverklaarde feit.

Naar het oordeel van de rechtbank is wel vast komen te staan dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke integriteit van benadeelde. Benadeelde is dus op andere wijze in de persoon aangetast, zodat vast is komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking komt. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 500,- vaststellen. Verdachte is vanaf 18 februari 2021 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Hij kan zich wat dat deel betreft tot de burgerlijke rechter wenden.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Proceskosten

De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten in beginsel dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.

Bij de toepassing van het liquidatietarief dient aansluiting te worden gezocht bij de competentieregels voor de civielrechtelijke procedure. Dat wil zeggen dat voor vorderingen tot en met € 25.000,- het Liquidatietarief kanton wordt gehanteerd en voor vorderingen boven € 25.000,- het Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven. Bij het bepalen van het toepasselijke tarief in strafzaken wordt uitgegaan van de hoogte van het toegewezen bedrag.

De rechtbank ziet geen redenen om van het toepasselijke geachte liquidatietarief af te wijken en zal de proceskosten, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen naar de maatstaf van het Liquidatietarief kanton. Er zullen 2 punten à € 124,- worden toegekend, te weten 1 punt voor het opstellen en indienen van de vordering en 1 punt voor de behandeling van de vordering ter zitting.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240b, en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

? bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

? stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

? stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij Reclassering Nederland, Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem. Hierna moet verdachte zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich laat behandelen door forensisch polikliniek Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dit, in overleg met ’s Heeren Loo, noodzakelijk acht. De behandeling duurt zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling geeft. Het innemen van medicijnen kan onderdeel van de behandeling zijn;

? stelt als overige voorwaarden dat:

  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

? geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

? beveelt dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 251,48 aan materiële schade en € 500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 248,-;

? verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde partij] , een bedrag te betalen van € 751,48 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2021 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.W. van de Meerakker, voorzitter, mr. M.F. Gielissen en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Clevers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2023.

mr. Van de Meerakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ONRBC21423, gesloten op 19 juli 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.