Strafrecht overig
De rechtbank spreekt een 58-jarige man vrij van het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn kleindochters…
Rechtbank Gelderland, 16 december 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:9072 · Rechtbank Gelderland · 16 december 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2024-9072
Zaakgegevens
Op 16 december 2024 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 december 2024
- Datum publicatie
- 17 december 2024
- Zaaknummer
- 05.149235.24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2024:9072
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank spreekt een 58-jarige man vrij van het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn kleindochters. Volgens de rechtbank zit er in het dossier te weinig wettig en overtuigend bewijs dat de man zich schuldig zou hebben gemaakt aan deze verdenkingen.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-149235-24
Datum uitspraak : 16 december 2024
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. R.T.A. Slof, advocaat in Cuijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 december 2024.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2017 en 1 juli 2019
te Nijmegen en/of te Gennep, in elk geval in Nederland,
met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog
niet had bereikt en/of die toen aan de zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid
van verdachte was toevertrouwd,
buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
het op en/of onder de kleding betasten van de (binnenzijde van de) bovenbenen
en/of de heupen en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de (onder)buik en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de (onder)rug en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de borsten en/of de tepels en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de billen,
waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 1] (telkens) (onder meer) de woorden heeft
toegevoegd: “Wat ik nu bij je ga doen, vind je vast wel fijn” en/of “Ik vind dit fijn”
en/of “We gaan dit ergens anders doen, anders wordt oma jaloers” en/of “Ik moet er
echt mee stoppen, want ik wordt er bloedje geil van”, althans (telkens) woorden van
gelijke aard en/of strekking;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2013 en 6 december 2018 te Nijmegen en/of te Gennep, in elk geval in Nederland,
met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren
nog niet had bereikt en/of die toen aan de zorg en/of opleiding en/of
waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd,
buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
het op en/of onder de kleding betasten van de (binnenzijde van de) bovenbenen
en/of de heupen en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de (onder)buik en/of de liezen en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de (onder)rug en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de borsten en/of de tepels en/of
het op en/of onder de kleding betasten van de billen en/of
het kussen in de nek/hals, althans het duwen/drukken van zijn, verdachtes’ mond
tegen de nek/hals,
waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (telkens) (onder meer) de woorden heeft
toegevoegd: “Dit ga je later fijn en heel lekker vinden” en/of “Ik moet er echt mee stoppen, want
ik wordt er bloedje geil van”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.
2 De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Ten aanzien van het bewijs heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefsters betrouwbaar zijn en dat de aangiftes worden ondersteund door getuigenverklaringen van personen die dit al voordat het naar buiten komt gehoord hebben en waarvan één getuige ook een gedragsverandering en emotie heeft waargenomen.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.
3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken, zoals onderhavige, bewijstechnisch lastige zaken kunnen zijn. Kenmerkend is veelal de aanwezigheid van slechts twee personen bij de verweten ontuchtige handelingen: de persoon die stelt slachtoffer te zijn geweest en de verdachte. Daarbij staan de verklaringen van deze personen vaak lijnrecht tegenover elkaar, waarbij er geen andere personen zijn die de ten laste gelegde handelingen hebben waargenomen.
Bij de waardering van het bewijs en de beoordeling van de tenlastelegging is van belang dat volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige waargenomen feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het steunbewijs hoeft bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is afdoende wanneer de verklaring van een aangeefster op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Indien een verklaring van een getuige (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van een aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 1
Verdachte ontkent het tenlastegelegde en op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat er naast de aangifte één getuige is, mevrouw [getuige 1] (oma moederszijde van aangeefster), die van aangeefster heeft gehoord wat haar zou zijn overkomen.
De rechtbank stelt vast dat voornoemde getuige de verklaring van aangeefster heeft gehoord.
Zij heeft weliswaar een gedragsverandering waargenomen, maar dit was niet op het moment dat het strafbare feit plaatsvond of vlak daarna. Daarmee kan die waarneming niet voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde. Gelet hierop kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat er sprake is geweest van ontuchtige handelingen.
Nu er onvoldoende betrouwbaar steunbewijs voorhanden is, zal de rechtbank verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken.
Ten aanzien van feit 2
Verdachte ontkent het tenlastegelegde en op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat er naast de aangifte twee getuigen zijn, [slachtoffer 1] en [getuige 2] , die van aangeefster hebben gehoord wat haar zou zijn overkomen.
Opgemerkt dient te worden dat [slachtoffer 1] en aangeefster nichtjes van elkaar zijn en dat zij voorafgaand aan de aangifte van [slachtoffer 2] met elkaar hebben gesproken over het tenlastegelegde.
[slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard over een gebeurtenis toen zij een keer bij haar oma en verdachte sliep samen met haar nicht (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 2] ). Zij verklaart dat zij heeft gezien dat verdachte over het been van haar nicht heeft gewreven.
De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. De verklaring van [slachtoffer 1] betreft weliswaar een eigen zelfstandige waarneming, maar is onvoldoende specifiek en onduidelijk in de tijd. Daarnaast kan de rechtbank niet uitsluiten dat de verklaring van [slachtoffer 1] is beïnvloed, doordat de twee nichtjes met elkaar hierover gesproken hebben. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] niet als zelfstandig bewijsmiddel of als steunbewijs kan worden gebruikt.
Getuige [getuige 2] is de ex-partner van de vader van aangeefster en zij heeft aangegeven dat haar geheugen een zeef is en zij veel niet meer precies weet. Daar komt nog bij dat de verklaringen van voornoemde getuige [getuige 2] geen zelfstandige eigen waarneming ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvond of vlak daarna bevatten. Voorgaande constateringen brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat de verklaring van [getuige 2] geen steun kan bieden aan de aangifte van [slachtoffer 2] .
Daarmee kunnen de waarnemingen van deze getuigen niet voldoende steunbewijs opleveren voor het tenlastegelegde. Gelet hierop kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat er sprake is geweest van ontuchtige handelingen.
Nu er onvoldoende betrouwbaar steunbewijs voorhanden is, zal de rechtbank verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde vrijspreken.
4 De beoordeling van de civiele vorderingen
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] (t.a.v. feit 1)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 248,11 aan materiële schade en € 7.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] (t.a.v. feit 2)
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 856,50 aan materiële schade en € 6.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
5 De beslissing
De rechtbank:
? spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde;
? verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
? verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.W. van de Sande (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2024. |
||
|
mr. C.E.W. van de Sande en mr. R.M.H. Pennings zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. |
||