Strafrecht overig

De militaire kamer spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde mishandelingen, omdat het beroep op noodweer…

Rechtbank Gelderland, 4 november 2024

Zaakgegevens

Op 4 november 2024 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
4 november 2024
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
05-050655-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2024:9894
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De militaire kamer spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde mishandelingen, omdat het beroep op noodweer wordt gehonoreerd en het handelen van verdachte dus niet wederrechtelijk was.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/050655-23

Datum uitspraak : 4 november 2024

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat in Zeist.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Wijk bij Duurstede [aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1] (met kracht) met een gebalde vuist op/tegen/in het gezicht, althans op het hoofd te slaan, waardoor die [aangever 1] bewusteloos achterover op haar hoofd is gevallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken (linker) jukbeen en/of (linker) jukboog ten gevolge heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Wijk bij Duurstede [aangever 2] heeft mishandeld door die [aangever 2] (met kracht) op/tegen/in (de linkerkant van) het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen.

2 De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging, omdat verdachte een beroep op noodweer toekomt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte een beroep op noodweer toekomt en dus integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feitelijke grondslag

Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de militaire kamer de volgende feiten en omstandigheden aannemelijk.

In de vroege ochtend van 23 oktober 2022 bevond verdachte zich in de Maleborduurstraat te Wijk bij Duurstede. Er stonden veel mensen op straat, omdat er zojuist een café was gesloten. Verdachte kwam in gesprek met aangeefster [aangever 1] , [getuige 1] en [getuige 2] , die kennelijk onder de (onjuiste) indruk verkeerden dat hij vroeger één van hen zou hebben gepest. Op enig moment ontstond er een onvriendelijke, dreigende sfeer. Verdachte kwam in zijn eentje tegenover een groepje personen te staan. Hij werd door één van de personen in het groepje geduwd en gaf een duw terug.

Aangever [aangever 2] liep er naar toe om te kijken wat er aan de hand was. De situatie escaleerde. [aangever 2] draaide [aangever 1] om, zodat hij voor haar kwam te staan, en duwde haar naar achteren, weg van verdachte. Vervolgens rende [aangever 1] vanachter [aangever 2] richting verdachte. Verdachte heeft haar een vuistslag in het gezicht gegeven, waardoor zij bewusteloos op de grond terecht kwam. Later bleek [aangever 1] een breuk in haar jukbeen en een dislocatie aan haar jukboog te hebben opgelopen. Op dat moment werd iedereen in de groep opgefokt. Verdachte gaf vervolgens [aangever 2] een vuistslag tegen de linkerkant van zijn gezicht. Hierdoor viel [aangever 2] op de grond en zette hij zijn tanden zo hard in zijn onderlip dat deze bijna doorgescheurd was. Uiteindelijk kwamen vrienden van verdachte ter plaatse en is de situatie gekalmeerd. Verdachte is met hen weggelopen. Het geheel heeft zich in een heel kort tijdsbestek afgespeeld.

Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment tijdens dit incident, nog voordat hij [aangever 1] heeft gestompt, zelf ook een klap op zijn hoofd heeft gekregen. Dat was volgens hem ook de reden dat hij om zich heen is gaan slaan. Uit het procesdossier blijkt dat hij letsel had aan zijn linkeroog. Hoewel getuigen niet verklaren dat zij hebben gezien dat verdachte is geslagen, acht de militaire kamer het niet onaannemelijk, althans kan niet worden uitgesloten, dat verdachte inderdaad een klap op zijn hoofd heeft gekregen.

De beoordeling van het verweer

De militaire kamer is van oordeel dat er sprake was van een noodweersituatie op het moment dat [aangever 1] richting verdachte rende. Hierbij betrekt de militaire kamer de omstandigheden dat verdachte in zijn eentje tegenover een groep mensen stond, dat al was geduwd en [aangever 1] uit de situatie was gehaald, maar opnieuw dreigend op hem af kwam rennen om de confrontatie aan te gaan. In deze situatie was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Verdachte mocht zich hiertegen verdedigen.

De militaire kamer is verder van oordeel dat de verdediging noodzakelijk was. Hij had geen reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken, gelet op het feit dat hij in zijn eentje tegenover een groep personen stond en het druk was op straat. Als hij al weg kon rennen, dan zou hij zijn rug moeten toekeren naar een groep personen die al geweld jegens hem hadden gebruikt door hem in ieder geval te duwen.

Tot slot was de verdediging naar het oordeel van de militaire kamer geboden. Omdat verdachte militair is, is sprake van een Garantentstellung: van verdachte mag in deze meer worden verwacht dan van de gemiddelde burger. Verdachte heeft zich echter beperkt tot twee vuistslagen, waarvan één gericht was op [aangever 1] , die vanachter [aangever 2] op hem af kwam rennen, en de ander gericht was op [aangever 2] , die ook op hem afliep. Deze klappen waren het gevolg van escalatie door de groep waar aangevers deel van uitmaakten. Deze keuze heeft hij in een fractie van een seconde moeten maken, waarbij in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd dat hij rekening hield met het feit dat een klap harder aan kan komen bij iemand die op je af komt rennen dan bij iemand die stilstaat. Klaarblijkelijk heeft verdachte [aangever 1] op een ongelukkige manier geraakt, waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. De militaire kamer overweegt hierbij ook dat verdachte ergens in het gevecht een klap op zijn hoofd heeft gehad. Gelet hierop staat het geven van twee vuistslagen niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

Conclusie

De militaire kamer honoreert het beroep op noodweer. Nu verdachte ten laste is gelegd dat hij twee personen heeft mishandeld, maar zijn handelen ten aanzien van beide feiten niet wederrechtelijk is, is de rechtbank – evenals de verdediging – van oordeel dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

4 De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 307,38 aan materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 111,25 aan materiële schade en € 500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De beoordeling door de militaire kamer

Nu de militaire kamer niet tot een bewezenverklaring komt, zullen de benadeelde partijen niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

5 De beslissing

De militaire kamer:

? spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

? verklaart de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] niet ontvankelijk in hun vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter) en M.W.R. Koch, rechters, en Kapitein ter Zee (LD) mr. F.E. Venema, militair lid, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers en mr. T.H. Boshuizen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 november 2024.

Mr. Koch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.