Strafrecht overig
Veroordeling voor stalking, bedreiging met een mes, rijden onder invloed van THC en twee keer rijden met een…
Rechtbank Midden-Nederland, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7583 · Rechtbank Midden-Nederland · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7583
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 16/049490-26, 16/292974-25 (t.t.z. gevoegd), 96/138439-26 (t.t.z. gevoegd), 96/166492-26 (t.t.z. gevoegd), 16/048638-23 (vord. tul) en 21/002613-22 (vord. tul) (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7583
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor stalking, bedreiging met een mes, rijden onder invloed van THC en twee keer rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. De rechtbank verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van een straf ex artikel 9a Wetboek van Strafrecht, nu er ook een vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar is gevorderd. De rechtbank zal daarom de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel toewijzen, als gevolg waarvan aan de verdachte een ISD-maatregel wordt opgelegd. De reden hiervan is dat de rechtbank wil voorkomen dat op het moment dat de verdachte de ISD-maatregel heeft afgerond, de proeftijd van de voorwaardelijke ISD-maatregel doorgaat. Daarnaast zal de rechtbank vrijheidsbeperkende maatregelen, inhoudende een contact- en locatieverbod, opleggen. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar. De rechtbank wijst de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien dagen af.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/049490-26, 16/292974-25 (t.t.z. gevoegd), 96/138439-26 (t.t.z. gevoegd), 96/166492-26 (t.t.z. gevoegd), 16/048638-23 (vord. tul) en 21/002613-22 (vord. tul) (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1988] in [geboorteplaats] (Sovet-Unie),
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.
1 ZITTING
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 14 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de verdachte;
-
de officier van justitie: mr. J.J. Bloembergen;
-
de advocaat van de verdachte: mr. D.C. Dorrestein, advocaat in Houten (hierna: de advocaat).
2 TENLASTELEGGING
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
ten aanzien van parketnummer 16/049490-26
van 12 februari 2026 tot en met 15 februari 2026 in [woonplaats] [slachtoffer 1] heeft gestalkt;
(hierna: feit 1)
ten aanzien van parketnummer 16/292974-25
op 30 oktober 2025 in [woonplaats] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
(hierna: feit 2)
ten aanzien van parketnummer 96/138439-26
op 15 november 2025 in Lelystad met een ongeldig verklaard rijbewijs heeft gereden;
(hierna: feit 3)
ten aanzien van parketnummer 96/166492-26
feit 1
op 21 januari 2025 in Lelystad een auto heeft bestuurd onder invloed van 7,9 microgram THC per liter bloed;
(hierna: feit 4)
feit 2
op 21 januari 2025 in Lelystad met een ongeldig verklaard rijbewijs heeft gereden.
(hierna: feit 5)
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
De rechtbank nummert de hierboven weergegeven en onder verschillende parketnummers ten laste gelegde feiten door als de feiten 1 tot en met 5.
3 BEWIJS
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten heeft gepleegd, met uitzondering van het onderdeel “video’s te plaatsen op Tiktok (openbaar) waarin hij zegt dat hij wordt aangehouden voor stalking, dan wel woorden van gelijke strekking” dat onder feit 1 ten laste is gelegd. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de verdachte van dit onderdeel vrij te spreken.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van het vierde gedachtestreepje dat onder feit 1 ten laste is gelegd, inhoudende “video’s te plaatsen op Tiktok (openbaar) waarin hij zegt dat hij wordt aangehouden voor stalking, dan wel woorden van gelijke strekking”. Met betrekking tot de overige feiten refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Feit 1
De verdachte bekent dat hij het feit, namelijk de stalking (belaging) heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
-
de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 februari 2026;
- een proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie van 15 februari 2026.
Partiële vrijspraak
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het vierde gedachtestreepje inhoudende “video’s te plaatsen op Tiktok (openbaar) waarin hij zegt dat hij wordt aangehouden voor stalking, dan wel woorden van gelijke strekking”. Op basis van het dossier staat onvoldoende vast dat de inhoud van deze video’s inbreuk zouden maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en staat evenmin vast dat deze filmpjes in de ten laste gelegde periode op TikTok zijn geplaatst.
Feit 2
De verdachte bekent dat hij het feit, namelijk de bedreiging heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
-
de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2026;
-
een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 31 oktober 2025;
- een proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] van 31 oktober 2025.
Feit 3
De verdachte bekent dat hij het feit, namelijk het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
-
de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2026;
-
een proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2025;
- een RDW-voertuigrapport van 26 juni 2026.
Feiten 4 en 5
De verdachte bekent dat hij de feiten 4 en 5, namelijk het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en rijden onder invloed van THC heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
-
de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2026;
-
een proces-verbaal rijden onder invloed van 21 februari 2025;
- een rapport van Eurofins Forensics ‘Drugs in het verkeer’ van 19 februari 2025;
- een proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 van 8 mei 2025;
- een aangetekende brief ‘besluit: rijbewijs ongeldig’ van 19 september 2016.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Feit 1
in de periode van 12 februari 2026 tot en met 15 februari 2026, te [woonplaats] , gemeente Dronten wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door soms meermaals per dag
- in de omgeving van de woning en in de tuin van die [slachtoffer 1] te verschijnen en aldaar te wachten en
- op de ramen en deuren van de woning van die [slachtoffer 1] te bonzen, kloppen en/of schoppen en een tuinstoel om te schoppen en
- richting het voertuig van die [slachtoffer 1] te lopen terwijl zij daar in zit,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
Feit 2
op 30 oktober 2025 te [woonplaats] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door met een mes in zijn hand achter die [slachtoffer 2] aan te rennen, die net op tijd een tussendeur kon sluiten, en door met dat mes stekende bewegingen te maken tegen die tussendeur, waarachter zich die [slachtoffer 2] op dat moment nog bevond;
Feit 3
op 15 november 2025 te Lelystad terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Westerdreef, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;
Feit 4
op 21 januari 2025 te Lelystad een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,9 microgram THC per liter bloed bedroeg;
Feit 5
op 21 januari 2025 te Lelystad terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Galjoen, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4 KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
belaging;
feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling;
feit 3
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4 en 5
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5 MAATREGEL
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist primair dat aan de verdachte wordt opgelegd:
-
plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (veelplegers) voor de duur van twee jaar (hierna: ISD-maatregel). Volgens de officier van justitie is aan alle vereisten voor het opleggen van die maatregel voldaan en is de maatregel passend;
-
een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar, te vervangen door één week hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet tot een maximum van zes maanden.
Subsidiair eist de officier van justitie om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf. In dit geval verzoekt de officier van justitie om de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16/048638-23 inhoudende een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar toe te wijzen. De officier van justitie voert aan dat zij het van belang acht dat aan de verdachte een ISD-maatregel en een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Dit kan zowel door middel van afstraffing in onderhavige zaken of door middel van toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk dat hij een lange tijd in voorarrest heeft gezeten terwijl hij vanaf het begin had aangegeven open te staan voor een klinische behandeling. De advocaat bepleit om de verdachte met betrekking tot de feiten 1, 3, 4 en 5 te veroordelen tot een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van het voorarrest. Voor feit 2 heeft de advocaat bepleit om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf en de vordering tenuitvoerlegging in die zaak met parketnummer 16/048638-23 toe te wijzen voor de duur van 21 maanden.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals ook op de zitting is gebleken. Daarbij weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Bij de strafbepaling neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft vijf ernstige feiten gepleegd. Om te beginnen heeft hij zijn ex-partner voor een periode van vier dagen belaagd. De verdachte is meerdere keren naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft hierbij hinderlijk gedrag vertoont, door onder andere op haar ramen en deuren te kloppen en spullen om te schoppen. Dit terwijl hem op verschillende momenten duidelijk was gemaakt – waaronder via een stopgesprek – dat het slachtoffer geen contact meer met hem wilde. Een eerdere aangifte, meerdere meldingen en diverse contactverboden weerhielden de verdachte niet door te gaan met zijn grote zucht naar aandacht en contact met het slachtoffer. Door steeds contact te blijven zoeken heeft de verdachte het veiligheidsgevoel van het slachtoffer ernstig aangetast. Het handelen van de verdachte heeft aanzienlijke onrust en gevoelens van onveiligheid teweeggebracht, waardoor het slachtoffer zich onveilig voelt. Dit volgt onder meer uit de aangifte. Het kan niet anders dan dat dit ook op de kinderen een grote impact moet hebben gehad. De verdachte lijkt tot op de dag vandaag niet in te zien wat zijn gedrag voor invloed heeft op het leven van het slachtoffer en hun kinderen. Dit blijkt onder meer uit de verklaring en de houding van de verdachte op de zitting. De verdachte heeft meerdere keren te kennen gegeven dat hij niets verkeerds heeft gedaan, dat het slachtoffer overdrijft, dat dit de manier is hoe hij reageert, en hij bewust niet naar het slachtoffer en de wijkagent heeft geluisterd. De verdachte heeft dan ook geheel geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daar komt bij dat hij de oorzaak van zijn handelen buiten zichzelf legt. Volgens de verdachte is het de schuld van het slachtoffer dat hij zich zo heeft gedragen. Dit baart de rechtbank zorgen.
Daarnaast heeft de verdachte een medebewoner van [instelling] bedreigd door met een mes achter het slachtoffer aan te rennen en stekende bewegingen te maken. Dat zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid.
De verdachte heeft tot slot twee keer met een ongeldig verklaard rijbewijs en één keer onder invloed van THC gereden. De verdachte heeft door zijn verkeersgedrag blijk gegeven van een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers. Zoals ook tijdens de zitting is gebleken, ziet de verdachte totaal niet in welke grote gevaren voor het menselijk leven, de lichamelijke integriteit en de verkeersveiligheid hij met zijn handelen heeft veroorzaakt.
De rechtbank oordeelt dat het gedrag van de verdachte zeer kwalijk en onacceptabel is. Daar komt bij dat de verdachte in een proeftijd van twee voorwaardelijke straffen liep toen hij deze feiten pleegde. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van:
-
het strafblad van de verdachte van 7 september 2026, waaruit blijkt dat hij vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ook nog in twee proeftijden liep voor een veroordeling voor onder andere bedreiging en mishandeling;
-
een reclasseringsrapport ten behoeve van de rechtszitting van 27 augustus 2026, opgemaakt door de reclasseringswerker van Reclassering Nederland.
Reclasseringsrapport
De reclassering adviseert bij een veroordeling een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar, en niet korter, op te leggen. Binnen deze maatregel kan er in een klinische behandeling gewerkt worden aan de psychische- en middelenproblematiek en er tijdens de extramurale fase onder andere aandacht worden besteed aan het verkrijgen en stabiliseren van de praktische leefgebieden. Ook kan binnen de ISD-maatregel aan de ambivalente houding van de verdachte worden gewerkt. De verdachte voldoet aan zowel de harde-, als de zachte criteria voor een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Volgens de reclassering wijzen het hoge recidiverisico, de maatschappelijke overlast die de verdachte veroorzaakt, de instabiele criminogene factoren en dat bescherming voor het slachtoffer nodig is, op de noodzaak van een ISD-traject. De reclassering acht een ambulante of klinische behandeling in het kader van een voorwaardelijke straf onvoldoende stringent mede gezien het eerdere verloop van de reclasseringstoezichten. Als van een ISD-maatregel wordt afgezien, is de reclassering bezorgd dat het plegen van delicten mogelijk onverminderd voortduurt.
Straf
De rechtbank overweegt dat aan de harde- en de zachte criteria voor een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is voldaan. Gelet op hetgeen hiervoor over de persoon van verdachte is overwogen, komt de rechtbank tot de overweging dat een langdurig en consistent traject geïndiceerd is om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen. Een ambulant kader is daartoe volstrekt ontoereikend. De rechtbank vindt het dan ook passend en geboden om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De rechtbank overweegt echter ook dat een vordering tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijk straf, namelijk een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar is gevorderd. De rechtbank zal daarom de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel toewijzen, als gevolg waarvan aan de verdachte een ISD-maatregel wordt opgelegd. De reden hiervan is dat de rechtbank wil voorkomen dat op het moment dat de verdachte de ISD-maatregel heeft afgerond, de proeftijd van de voorwaardelijke ISD-maatregel doorgaat. De rechtbank acht dit niet opportuun. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten schuldig verklaren zonder oplegging van een straf ex artikel 9a Wetboek van Strafrecht.
Vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank ziet gelet op het gedrag van de verdachte jegens het slachtoffer, de intensiteit van de belaging en ter voorkoming van toekomstige strafbare feiten, aanleiding om de volgende vrijheidsbeperkende maatregelen in de zin van artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen:
-
een locatieverbod voor het adres van het slachtoffer [slachtoffer 1] , inhoudende dat de verdachte zich niet mag bevinden binnen een straal van 5.000 meter van het adres van het slachtoffer; en
-
een contactverbod met [slachtoffer 1] .
De rechtbank zal deze vrijheidsbeperkende maatregelen opleggen voor de duur van vijf jaar. Hierbij zal de rechtbank bevelen dat voor iedere keer dat verdachte dit locatieverbod of contactverbod overtreedt, een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen van de opgelegde maatregel niet op.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op het dossier, de conclusie van de reclassering en wat op zitting is besproken, overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw contact met het slachtoffer [slachtoffer 1] zal zoeken en zich belastend richting haar zal gedragen. Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Dat betekent dat het locatie- en contactverbod direct geldt en ook blijft gelden als de verdachte hoger beroep instelt tegen dit vonnis.
6 VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING VAN EEN EERDER OPGELEGDE VOORWAARDELIJKE STRAF
De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/048638-23 op 18 september 2023 een ISD-maatregel van twee jaar voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van drie jaar.
Het hof in Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 21/002613-22 op 30 maart 2023 een gevangenisstraf van tien dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van drie jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist primair dat de rechtbank beide vorderingen afwijst. Subsidiair eist de officier van justitie dat de rechtbank de vordering met parketnummer 21/002613-22 afwijst en de vordering met parketnummer 16/048638-23 toewijst, zodat de voorwaardelijke ISD-maatregel ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/048638-23 toe te wijzen voor de duur van 21 maanden. De advocaat verzoekt de officier van justitie met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21/002613-22 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het om een oud feit gaat en het belang tot tenuitvoerlegging vanwege de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/048638-23 ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/048638-23 geheel toewijzen. De rechtbank ziet geen reden om van de duur af te wijken. Uit het reclasseringsrapport volgt namelijk dat een ISD-maatregel van twee jaar, en niet korter, nodig is om zo voldoende aan de risico’s te kunnen werken. De rechtbank acht het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om zo recidive van de verdachte in de toekomst te voorkomen, de maatschappij optimaal te beschermen en de behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor twee jaar opleggen.
De rechtbank zal gelet op deze beslissing de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21/002613-22 afwijzen.
7 TOEGEPASTE WETSARTIKELEN
De opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
-
artikelen 9a, 38m, 38n, 38v, 38w, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht;
-
artikelen 8, 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
8 DE BESLISSING
De rechtbank:
bewezenverklaring
-
verklaart bewezen dat de verdachte alle feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
-
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
geen straf
- bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde geen straf wordt opgelegd;
maatregel
-
legt ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;
-
beveelt dat de verdachte:
o zich niet ophoudt in/binnen een gebied met een straal van 5.000 meter van de woning van [slachtoffer 1] , thans gelegen aan de [adres] , [woonplaats] ;
o zich onthoudt van contact met [slachtoffer 1] , geboren op [1996] , tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie in het kader van een omgangsregeling met betrekking tot de gezamenlijke kinderen of door tussenkomst van een professionele partij;
-
beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
-
beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel (telkens) wordt vervangen door 1 (één) week hechtenis, met een totale duur van maximaal van 6 (zes) maanden;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16/048638-23
-
wijst de vordering toe;
-
gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, bij vonnis van 18 september 2023 opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 (twee) jaar;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 21/002613-22
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. F.D.M. Osinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.Z. Turan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 16/049490-26
hij in of omstreeks de periode van 12 februari 2026 tot en met 15 februari 2026, te [woonplaats] , gemeente Dronten, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door soms meermaals per dag
- bij/in de omgeving van de woning en/of in de tuin van die [slachtoffer 1] te verschijnen en/of aldaar te wachten en/of
- op de ramen en/of deuren van de woning van die [slachtoffer 1] te bonzen en/of kloppen en/of schoppen en/of een tuinstoel om te schoppen en/of
- richting het voertuig van die [slachtoffer 1] te lopen terwijl zij daar in zit en/of
- video’s te plaatsen op Tiktok (openbaar) waarin hij zegt dat hij wordt aangehouden voor stalking, dan wel woorden van gelijke strekking,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
Ten aanzien van parketnummer 16/292974-25
hij op of omstreeks 30 oktober 2025 te [woonplaats] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes in zijn hand achter die [slachtoffer 2] aan te rennen, die net op tijd een tussendeur kon sluiten, en door met dat mes stekende bewegingen te maken tegen die tussendeur, waarachter zich die [slachtoffer 2] op dat moment nog bevond;
Ten aanzien van parketnummer 96/138439-26
hij, op of omstreeks 15 november 2025 te Lelystad terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Westerdreef, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
Ten aanzien van parketnummer 96/166492-26
Feit 1
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Lelystad een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,9 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
Feit 2
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Lelystad terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Galjoen, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.