Strafrecht overig

Veroordeling wegens artikel 6 WVW. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een…

Rechtbank Midden-Nederland, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Lelystad
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
16.090910.26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7584
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling wegens artikel 6 WVW. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, en een taakstraf van 150 uur.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.090910.26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1991] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 14 oktober 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. S. Lanning;

  • de advocaat van de verdachte: mr. J.M.M. Pater (hierna: de advocaat);

  • het slachtoffer: [slachtoffer] .

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1 primair

op 7 september 2025 in Emmeloord als bestuurder van een voertuig op de Kuinderweg een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond;

subsidiair ten laste gelegd als het op de weg veroorzaken van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel;

meer subsidiair ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg;

meest subsidiair ten laste gelegd als het onvoldoende aanpassen van zijn snelheid waardoor hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kon brengen;

feit 2

op 7 september 2025 in Emmeloord als bestuurder van een motor is doorgereden nadat hij een ongeval had veroorzaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht en hij [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde en feit 2 heeft gepleegd.

Er is sprake van roekeloosheid door de excessieve snelheidsovertreding van de verdachte. Het handelen van de verdachte heeft ertoe geleid dat bij het slachtoffer ernstig letsel is ontstaan waardoor het slachtoffer tijdelijk is verhinderd in de uitoefening van de normale bezigheden. Na het ongeval is de verdachte doorgereden terwijl hij daarbij het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. De verdachte had kunnen en moeten weten dat bij het slachtoffer schade en zeer waarschijnlijk letsel was veroorzaakt.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte van beide feiten vrij te spreken. Er is geen sprake van bewust, opzettelijk en gevaarlijk handelen, maar slechts van een inschattingsfout. Daarnaast heeft de verdachte niet verwijtbaar gehandeld toen hij de plaats van het ongeval verliet, omdat sprake was van een black-out. De verdachte realiseerde zich door deze plotselinge toestand van bewustzijnsverstoring niet wat er was gebeurd en daardoor wist hij niet, en kon hij ook niet redelijkerwijs vermoeden, dat hij betrokken was bij een ongeval met letsel.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen feit 1 primair en feit 2

De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt (feit 1 primair) en de plaats van het ongeval heeft verlaten (feit 2). De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op 7 september 2025 reed de verdachte rond 21:00 uur met zijn motor op de Kuinderweg in Emmeloord in de richting van het tankstation bij de Gulden. De verdachte heeft vervolgens bij de Gulden de rotonde genomen, is daarna weer de Kuinderweg opgedraaid en in de richting van de Marknesserweg gereden. Op de Kuinderweg vlak na de bocht, botste de verdachte met zijn motor tegen de achterkant van de motor van [slachtoffer] . Als gevolg daarvan is [slachtoffer] ten val gekomen en heeft daarbij letsel opgelopen.

Na de botsing heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten. [slachtoffer] is door andere weggebruikers liggend op zijn buik op het wegdek aangetroffen. De verdachte heeft zich later die avond rond 23:00 uur bij de politie gemeld.

Het juridisch kader

De verdachte wordt er in de kern van beschuldigd dat hij het verkeersongeval heeft veroorzaakt. Om dat te bewijzen, moet de verdachte schuld hebben aan het ongeluk. Er is dus geen opzet vereist. Er zijn verschillende gradaties van schuld. De verdachte moet als verkeersdeelnemer ten minste aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend hebben gehandeld. Dat is het geval wanneer de verdachte zich niet heeft gedragen zoals van een gemiddelde weggebruiker in dezelfde situatie mag worden verwacht. De meeste zware variant van schuld is roekeloosheid. Er is sprake van roekeloosheid wanneer een verdachte zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen en daardoor voor zeer ernstig gevaar heeft gezorgd én de verdachte zich daarvan bewust was, of in ieder geval had moeten zijn.

De verdachte heeft schuld aan het ongeval

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval.

De verdachte heeft namelijk veel te hard heeft gereden. De rechtbank komt tot deze conclusie op basis van de onderzoeken van de Forensische Opsporing Verkeer (hierna: FO Verkeer) van de politie. De FO Verkeer heeft berekend dat de gemiddelde indicatieve snelheid van de verdachte ongeveer 400 meter voor de plaats van het ongeval tussen de 158 en 170 km/u was. De rechtbank heeft geen reden om aan de deskundigheid van de FO Verkeer en daarmee de juistheid van de onderzoeken te twijfelen. Omdat de snelheid is berekend op 400 meter voor de plaats van het ongeval, kan niet worden vastgesteld wat de exacte snelheid van de verdachte was op het moment van het ongeval. De rechtbank vindt wel bewezen dat de snelheid van de verdachte veel hoger was dan de toegestane maximale snelheid van 80 km/u. Daarbij heeft de rechtbank ook de verklaring van de verdachte meegewogen. De verdachte heeft gezegd dat hij niet precies weet hoe hard hij heeft gereden, maar dat hij wel weet dat hij harder reed dan toegestaan. Volgens de verdachte was de bocht namelijk een mooie bocht voor een motorrijder om harder te rijden. De verdachte heeft niet gezegd dat hij na de bocht, dus vlak na de plek waar de camerabeelden zijn gemaakt, heeft geremd. Daarnaast waren er ook geen remsporen op de weg te zien. De snelheid van de verdachte zal daarom niet veel lager zijn geweest dan de door FO Verkeer berekende 158 en 170 km/u.

Ook heeft de verdachte schuld aan het ongeval, omdat hij onvoldoende op de weg heeft gelet. De verdachte heeft namelijk de motorrijder over het hoofd gezien. De verdachte heeft hierover gezegd dat hij schrok toen hij zag dat er nog een motorrijder tussen hem en de bedrijfsauto in reed. Voor zijn gevoel was de motorrijder er ineens. Volgens de verdachte heeft hij de motorrijder mogelijk niet gezien, omdat de motorrijder in de lijn van de lichten van de bedrijfsauto zou hebben gereden. De rechtbank vindt die verklaring niet aannemelijk. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet alleen de andere motorrijder niet heeft gezien, maar ook de aanhanger achter de bedrijfsauto niet.

Het feit dat de verdachte zowel een motor als een aanhanger niet heeft opgemerkt, maakt dat rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte onvoldoende heeft opgelet.

Tot slot is uit onderzoek gebleken dat er geen bijzonderheden aan het wegdek of de motoren waren die van belang kunnen zijn voor de oorzaak van het verkeersongeval.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval.

De verdachte was zeer onvoorzichtig en onoplettend, niet roekeloos

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is welke mate van schuld de verdachte heeft. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend was en niet roekeloos zoals de officier van justitie meent.

Zoals hiervoor besproken zijn er verschillende maten van schuld waarbij roekeloosheid de zwaarste vorm is. Uit de wet volgt dat wanneer een verdachte één van de in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) omschreven gedragingen pleegt, dat als roekeloos kan worden gekwalificeerd. Het overschrijden van de maximumsnelheid valt hieronder. De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat hoewel de maximumsnelheid fors is overschreden, er geen sprake is van roekeloosheid. Voor roekeloosheid is namelijk vereist dat de verdachte zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en ook dat de verdachte zich daarvan bewust was, of in ieder geval had moeten zijn. Dat is het geval wanneer een verdachte zich opzettelijk zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. De rechtbank is van oordeel dat van die mate van opzet niet is gebleken. Gelet op wat hierboven al is overwogen met betrekking tot de gedragingen van de verdachte, het te hard rijden en het onvoldoende opletten, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen.

Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel

Om tot een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 WVW (feit 1 primair) te komen, moet het verkeersongeval tot gevolg hebben gehad dat aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Uit de letselrapportage volgt dat [slachtoffer] twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen, waarvan ook kortdurend op de Intensive Care. Het letsel bij [slachtoffer] bestond onder meer uit een klaplong, longkneuzingen, zeven gebroken ribben en een gebroken sleutelbeen waarbij het middelste deel van het sleutelbeen was verbrijzeld, een gebroken schouderblad en een ontwrichtte duim. Voor de ontwrichtte duim was een operatie noodzakelijk. [slachtoffer] heeft van het letsel lange tijd moeten herstellen, waarbij [slachtoffer] nog steeds niet volledig is hersteld. Als gevolg van het ongeval heeft hij last van een ‘frozen shoulder’ en volgt hiervoor drie keer per week fysiotherapie. Onduidelijk is of en zo ja wanneer, [slachtoffer] hiervan volledig zal herstellen.

De verdachte is schuldig aan het verlaten van de plaats van het ongeval

Ook kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte na het ongeluk de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander letsel en schade had en hij diegene in hulpeloze toestand heeft achtergelaten (feit 2).

Vaststaat dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten en dat hij zich ongeveer twee uur na het ongeval bij de politie heeft gemeld. De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte niet verwijtbaar heeft gehandeld, omdat de verdachte een black-out had. De verdachte was zich er daardoor niet van bewust en kon ook niet redelijkerwijs vermoeden dat hij betrokken was bij een ongeval met schade en/of letsel. Het verweer slaagt niet.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte een black-out had en zich het ongeluk en de periode kort daarna niet meer kan herinneren. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte zich het moment vlak voor het ongeval wel herinnert. De verdachte heeft hierover gezegd dat hij schrok toen hij zag dat er tussen hem en de bedrijfsauto nog een motorrijder reed. Daarnaast had de motor van de verdachte schade opgelopen. Dat hij dit pas zag bij zijn oude woning in Bant is niet waarschijnlijk. Na het ongeval lagen er namelijk verschillende motoronderdelen op de weg, waaronder de kap en de hendelbeschermer van het stuur van de motor van de verdachte. Ook volgt uit de analyse van de FO Verkeer dat de BMW, de motor van de verdachte, na het ongeval op twee verschillende plekken op de weg heeft stilgestaan. Eerst aan de rechterkant van de weg net voorbij de plek waar de Yamaha motor, de motor van [slachtoffer] , werd aangetroffen en daarna aan de linkerkant van de weg tien meter verderop. Daar komt bij dat de verdachte na het ongeluk op internet heeft gezocht met zoektermen die aan het ongeluk gerelateerd waren. Zo heeft de verdachte al om 21.21 uur, dus vlak na het ongeluk, op internet gezocht naar ‘BMW s1000rr kappen set’ en om 21.26 uur naar ‘112 meldingen in de Noordoostpolder’. Tot slot zijn er geen medische of andere stukken waaruit volgt dat de verdachte een black-out had. Ook is er geen aanleiding om aan te nemen dat de verdachte dusdanig gewond was dat dat een black-out tot gevolg zou kunnen hebben gehad. Sterker, de verdachte had helemaal geen verwondingen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet alleen redelijkerwijs moest vermoeden dat hij een ongeval had veroorzaakt, maar ook dat daardoor bij de andere motorrijder schade en letsel was ontstaan. Zo lagen er zoals hiervoor beschreven verschillende motoronderdelen op de weg. Daarnaast reed de verdachte met zeer hoge snelheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat je als motorrijder kwetsbaar bent bij een botsing, zeker bij zulke hoge snelheden, en een grote kans hebt op letsel. Door vervolgens de plaats van het ongeval te verlaten, heeft de verdachte de andere motorrijder in hulpeloze toestand achtergelaten.

Kortom, de rechtbank is van oordeel dat de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld door de plaats van het ongeval te verlaten.

Conclusie

Gelet op de bewijsmiddelen en bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich zowel schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 als artikel 7 van de WVW. Daarmee kunnen de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend worden bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1 primair:

op 7 september 2025, te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, daarmede rijdende over de weg, de Kuinderweg (N331), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

- met een zeer hoge snelheid te rijden en

- daarbij een in dezelfde rijrichting als hem, verdachte, rijdend motorrijtuig van achteren te naderen en/of op zeer korte afstand achter dit motorrijtuig te rijden en

- daarbij in onvoldoende mate te letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en

- vervolgens niet tijdig en voldoende af te remmen en niet tijdig en voldoende uit te wijken voor voornoemd motorrijtuig en

- vervolgens tegen de linkerzijde van voornoemd motorrijtuig te botsen,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

feit 2

op 7 september 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, als bestuurder van een motorrijtuig (motor), door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kuinderweg (N331), de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl

- bij dat ongeval, naar hij (verdachte) redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht en

- daardoor, naar hij (verdachte) redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

De meerdaadse samenloop van:

feit 1 primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

en

feit 2

overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdelen b en c van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf van 4 maanden;

  • een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 2 jaar, waarvan een gedeelte van 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat de verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken. Bij een eventuele strafoplegging moet rekening worden gehouden met de aannemelijke toestand van desoriëntatie en bewustzijnsverstoring van de verdachte, de omstandigheid dat de verdachte een dag en een nacht op het politiebureau heeft doorgebracht en de gevolgen van een rijontzegging.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte op:

  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden,

  • een taakstraf voor de duur van 150 uur, en

  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) voor de duur van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

Waarbij voor de voorwaardelijke gevangenisstraf en de voorwaardelijke rijontzegging een proeftijd geldt van 3 jaar.

Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft als bestuurder van een motor een verkeersongeval veroorzaakt door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte heeft met zeer hoge snelheid gereden op de Kuinderweg en onvoldoende op de weg gelet. Vervolgens is de verdachte tegen een andere motorrijder gebotst waardoor de andere motorrijder, [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Van het letsel heeft [slachtoffer] lange tijd moeten herstellen, heeft hij lang niet (volledig) kunnen werken en krijgt hij nog steeds fysiotherapie. Zoals ook uit de tijdens de zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken, heeft het ongeluk grote impact op [slachtoffer] gehad.

De verdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten en daarbij het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. Een getuige vertelde aan de politie dat hij nog maar net op tijd wist te remmen om te voorkomen dat hij het slachtoffer die op het wegdek lag, zou aanrijden. Er mag van geluk worden gesproken dat het niet veel erger is afgelopen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel heeft de verdachte op 7 mei 2026 een strafbeschikking gekregen voor een snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom.

De verdachte heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij voor zijn werk zijn rijbewijs nodig heeft en wat de gevolgen zullen zijn als hij zijn rijbewijs tijdelijk kwijt raakt.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. In de gevallen waarin zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedrag bewezen is verklaard, kan aansluiting worden gezocht bij de categorieën ‘ernstige schuld’ en ‘zeer hoge mate van schuld’. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met ‘ernstige schuld’ waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt, wordt een taakstraf van 160 uur en een rijontzegging van 1 jaar als uitgangspunt genomen. Wanneer er sprake is van ‘zeer hoge mate van schuld’ met hetzelfde soort letsel is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 4 maanden en een rijontzegging voor de duur van 2 jaar onvoorwaardelijk.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij zijn leven op de rit heeft. Zo heeft de verdachte een vaste baan en een eigen woning. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom niet passend. In plaats daarvan zal aan de verdachte een forse taakstraf worden opgelegd. Ook zal aan de verdachte een rijontzegging worden opgelegd. Hoewel de verdachte heeft toegelicht dat zijn rijbewijs voor hem belangrijk is, is de rechtbank van oordeel dat een rijontzegging met het oog op de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij behoud van zijn rijbewijs.

Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij zeven maanden na het ongeval een forse snelheidsovertreding heeft begaan binnen de bebouwde kom en daarvoor een strafbeschikking heeft gekregen. Kennelijk heeft het onderhavige verkeersongeval hem er niet van weerhouden om opnieuw met hoge snelheid te rijden.

Om die reden is de rechtbank van oordeel dat naast een forse taakstraf en rijontzegging, aan de verdachte ook een voorwaardelijke gevangenisstraf en voorwaardelijke rijontzegging moet worden opgelegd om te voorkomen dat de verdachte wederom in de fout gaat.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte op, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, een taakstraf voor de duur van honderdvijftig uur, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) voor de duur van zestien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk. Waarbij voor de voorwaardelijke gevangenisstraf en de voorwaardelijke rijontzegging een proeftijd geldt van drie jaar. De rechtbank zal de nacht en de dag die de verdachte op het politiebureau heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de straf (aftrekken). Voor aftrek is alleen plaats wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en daarvan is geen sprake omdat de verdachte niet in verzekering is gesteld.

De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank de roekeloosheid niet bewezen acht en daarmee tot een andere kwalificatie komt.

6 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • artikelen, 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde;

straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

  • bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

  • veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 uren;

  • beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;

  • ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 16 maanden;

  • bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte van 8 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.D.M. Osinga, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. S.C. Hagedoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Tressel als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(in de zaak met parketnummer 16.090910.26)

1 primair:

hij, op of omstreeks 7 september 2025, te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig, daarmede rijdende over de weg, de Kuinderweg (N331), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- met een (zeer) hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was (te weten met een indicatieve snelheid gelegen tussen 158 kilometer per uur en 170 kilometer per uur) te rijden en/of

- (daarbij) een in dezelfde rijrichting als hem, verdachte, rijdend motorrijtuig van achteren te naderen en/of op (zeer) korte afstand achter dit motorrijtuig te rijden en/of

- (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate te letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en/of

- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemd motorrijtuig, althans de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat hij, verdachte, in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en deze vrij was en/of

- (vervolgens) tegen (de linkerzijde van) voornoemd motorrijtuig te rijden en/of te botsen,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond;

subsidiair:

hij, op of omstreeks 7 september 2025, te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door

- met een (zeer) hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was (te weten met een indicatieve snelheid gelegen tussen 158 kilometer per uur en 170 kilometer per uur) te rijden en/of

- (daarbij) een in dezelfde rijrichting als hem, verdachte, rijdend motorrijtuig van achteren te naderen en/of op (zeer) korte afstand achter dit motorrijtuig te rijden en/of

- (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate te letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en/of

- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemd motorrijtuig, althans de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat hij, verdachte, in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en deze vrij was en/of

- (vervolgens) tegen (de linkerzijde van) voornoemd motorrijtuig te rijden en/of te botsen,

terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

meer subsidiair:

hij, op of omstreeks 7 september 2025, te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (motor), daarmee rijdende op de weg, de Kuinderweg (N331),

- met een (zeer) hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was (te weten met een indicatieve snelheid gelegen tussen 158 kilometer per uur en 170 kilometer per uur) heeft gereden en/of

- (daarbij) een in dezelfde rijrichting als hem, verdachte, rijdend motorrijtuig van achteren is genaderd en/of op (zeer) korte afstand achter dit motorrijtuig heeft gereden en/of

- (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en/of

- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende is uitgeweken voor voornoemd motorrijtuig, althans de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft aangepast dat hij, verdachte, in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en deze vrij was en/of

- (vervolgens) tegen (de linkerzijde van) voornoemd motorrijtuig is gereden en/of gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meest subsidiair:

hij, op of omstreeks 7 september 2025, te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (motor) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kuinderweg (N331), zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, in botsing/aanrijding gekomen met een voor hem op die weg bevindend motorrijtuig;

2:

hij, op of omstreeks 7 september te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (motor), betrokken bij en/of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kuinderwg (N331), de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl

- bij dat ongeval, naar hij (verdachte) wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht en/of

- daardoor, naar hij (verdachte) wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

De verklaring van de verdachte op de zitting van 14 oktober 2026, voor zover inhoudende:

Ik reed op mijn motor op de Kuinderweg in Emmeloord. Ik weet niet hoe hard ik reed maar ik reed harder dan toegestaan. Ik zag de bedrijfsauto rijden en toen bleek die andere motorrijder tussen mij en de bedrijfsauto te rijden. Ik had de motorrijder en de aanhanger achter de bedrijfsauto niet gezien. Ik zag na het ongeval dat mijn motor stuk was, de zijkant was eraf. Het klopt dat ik op internet heb gezocht op ‘BMW s1000rr kappen set’.

Een proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongeval van 27 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zondag 07 september 2025 is er door de politie een melding geregistreerd van een verkeerongeval.

Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de Kuinderweg (N331), gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Emmeloord in de gemeente Noordoostpolder.

Wij zagen dat de Kuinderweg voor het openbaar verkeer was opengesteld. Ingevolge artikel 21 onder a van het RVV 1990 bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor motorvoertuigen 80 km per uur.

Wij zagen aan de rechterzijde van de rijbaan een wit kunststof onderdeel met daarop het

merklogo van BMW. Op de rijbaan zagen wij ook een onderdeel wat een collega herkende als een hendel beschermer die niet van de Yamaha afkomstig was. Wij zagen een voetensteun met een afgebroken deel die afkomstig bleek te zijn van de Yamaha.

Ik zag een motorfiets van het merk BMW, met beschadigingen aan de rechterzijde van de motorfiets, in de garage staan. Ik zag onder andere dat er aan de rechterzijde een kunststof kap ontbrak en dat de hendel beschermer aan de rechterzijde van het stuur was afgebroken.

Wij zagen dat de op de plaats van het verkeersongeval aangetroffen onderdelen pasten op de rechterzijde van de BMW. Wij konden hierdoor met zekerheid duiden dat de onderdelen van deze BMW afkomstig waren. Hieruit valt te concluderen dat de BMW op de plaats van het verkeersongeval was geweest.

Wij kregen camerabeelden tot onze beschikking. Op deze beelden waren de BMW en de Yamaha, rijdende op de Kuinderweg, te zien.

De bestuurder van de BMW had een ongeveer 2x hogere snelheid dat de bestuurder van de Yamaha. Dat de BMW een hogere snelheid had dan de Yamaha bleek uit het gedeelte waarop de motorfiets op de camerabeelden te zien was, maar ook uit het feit dat de motorfiets ongeveer 400 meter voor de plaats van het verkeersongeval nog ongeveer 6 seconden achterstand had op de Yamaha. In de 400 meter heeft de BMW de 6 seconden ingelopen.

Interpretatie en analyse

Bij het verkeersongeval waren twee motorfietsen betrokken. De motorfietsen waren van het merk BMW en Yamaha. De rechterzijde van de BMW en de linkerzijde van de Yamaha zijn met elkaar in aanrijding gekomen waardoor de bestuurder van de Yamaha ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. De bestuurder van de BMW heeft vervolgens de plaats van het verkeersongeval verlaten.

Er waren geen bijzonderheden aan de weginrichting of technische gebreken aan de motorfietsen die van invloed konden zijn op de toedracht van het verkeersongeval.

Een aanvullend proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongeval van 28 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven

De indicatieve gemiddelde snelheid van de donkerkleurige motorfiets was ongeveer 80 km per uur.

De indicatieve gemiddelde snelheid van de tweede motorfiets was minimaal 158 km per uur en maximaal 170 km per uur. De snelheid van de tweede motorfiets was, zoals vastgesteld in ons eerdere proces-verbaal, ongeveer twee keer hoger dan de snelheid van de donkerkleurige motorfiets.

Een letselrapportage van GGD Flevoland van 2025, 10 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer]

Opname kortdurend op de Intensive Care, daarna op de afdeling chirurgie. Op 19-09 ontslagen.

samenvatting medische informatie: Klaplong linker borstkas, longkneuzingen, 7 ribben, linker sleutelbeen gebroken, linker schouderblad gebroken, rechter duim ontwricht.

Operatief herstel ulnair collaterale ligament rechter duim door plastisch chirurg op 15-09.

Laatste brief dd 5-11-2025 meldt dat betrokkene nog pijn en functiebeperking heeft van de linker schouder. Revalidatie vindt plaats door de fysiotherapeut.

Vanwege de beperkte belastbaarheid is betrokkene op dit moment nog volledig arbeidsongeschikt voor zijn werk. Hij mag de linker arm niet belasten en bouwt nu ook belasting op van de rechter hand.

Een aanvullend proces-verbaal van 15 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 1 juni 2026, heb ik telefonisch contact gehad met het slachtoffer [slachtoffer] . [slachtoffer] vertelde drie keer in de week fysiotherapie te hebben, omdat hij een frozen shoulder heeft.

Een proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zondag 7 september om 21:17 uur, kwamen wij ter plaatse bij de aanrijding. Beide getuigen melde dat ze het slachtoffer aantroffen op zijn buik. De getuigen verklaarden dat zij niemand anders in de buurt hadden gezien die de motorrijder had geholpen.

Een proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik hoorde via mijn portofoon dat de collega's in Emmeloord bij een zware aanrijding

in Emmeloord aan de Kuinderweg stonden. Ik hoorde dat de collega's ter plaatse (1) slachtoffer en een (1) motor hadden aangetroffen. Van de tweede motor werden ter plaatse een aantal onderdelen aangetroffen, maar van de bestuurder en zijn motor ontbrak ieder spoor. Omstreeks 23:04 uur zag ik een man in de richting van mijn dienstvoertuig lopen. Ik hoorde de man tegen mij zeggen: "Ik ben degene die jullie zoeken, ik was als motorrijder betrokken bij een verkeerongeval met een andere motor".

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025304619, doorgenummerd pagina 1 tot en met 97. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina’s 37 en 40. Pagina 41. Pagina 42. Pagina 49. Pagina 55. Pagina 61. Pagina 73. Pagina 74. Pagina 25 van het aanvullend proces-verbaal PL0900-2025304619-12, opgemaakt op 28 mei 2025 en doorgenummerd pagina 1 tot en met 26. Pagina’s 30 en 31. Pagina 1 van het aanvullend proces-verbaal PL0900-2025304619-26, opgemaakt op 15 juni 2026 en doorgenummerd pagina 1 tot en met 2. Pagina 81. Pagina 8.