Strafrecht overig

Vrijspraak van artikel 243 Sr.

Rechtbank Gelderland, 17 juni 2025

Zaakgegevens

Op 17 juni 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Zutphen
Datum uitspraak
17 juni 2025
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
05/118232-23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:12053
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van artikel 243 Sr.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/118232-23

Datum uitspraak : 17 juni 2025

Verstek

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] in [woonplaats] ,

Raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juni 2025.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 maart 2021 te Weurt, gemeente Beuningen, althans in

Nederland,

met [aangever] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid,

verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] ,

te weten

- het betasten van haar vulva en/of haar billen en/of

- het brengen van zijn tong tussen en/of over haar schaamlippen en/of over haar billen en/of

- het brengen van zijn vingers en/of zijn penis in haar vagina.

2 De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Niet ter discussie staat dat tussen verdachte en aangeefster op 1 maart 2021 seksuele handelingen hebben plaatsgevonden die mede hebben bestaan uit het binnendringen van het lichaam van aangeefster.

Voor een veroordeling van artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat verdachte, met iemand van wie hij weet dat die persoon in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert waardoor hij of zij niet of onvolkomen in staat is zijn of haar wil daaromtrent te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Het wetsartikel beoogt dus de bescherming van personen – die door hun toestand niet in staat zijn om hun wil te bepalen, kenbaar te maken of weerstand te bieden – tegen degenen die misbruik maken van hun toestand.

Bij een toestand van verminderd bewustzijn gaat het om situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Hierbij kan gedacht worden aan een situatie waarin de persoon zich bevindt in een roes als gevolg van het innemen van alcohol of drugs.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en aangeefster op 1 maart 2021 op een feest in een kraakpand in de oude waterzuiveringsfabriek in Weurt waren en dat zij, samen met andere personen, drugs hebben gebruikt. Aangeefster heeft verklaard dat zij, voordat ze naar binnen ging, wodka had gedronken. Verder heeft ze een puntje keta gekregen van verdachte. Ze heeft verklaard dat ze vaag werd. Op een gegeven moment kon ze niet meer praten en had ze geen gevoel meer in haar knieën. Uiteindelijk is ze door haar toenmalige vriend het pand uitgetild. Verdachte heeft verklaard dat hij een gram ketamine bij zich had en aangeefster een fles wodka. Ook had ze wiet bij zich, dit hebben ze gerookt. Tijdens de rondleiding door het kraakpand is dit opgegaan. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster al wazig en aangeschoten was door de alcohol, hij zelf ook. Ook kon ze haar telefoon, waarop ze door haar vriend werd gebeld, niet meer goed bedienen.

Weliswaar kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat aangeefster zich, door het alcohol- en drugsgebruik, in een toestand van verminderd bewustzijn bevond, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van die toestand van aangeefster. Verdachte en aangeefster hebben gezamenlijk drugs gebruikt en alcohol gedronken en op enig moment hebben er seksuele handelingen tussen hen plaatsgevonden. Aangeefster en verdachte verklaren verschillend over de aanloop. Volgens aangeefster begon verdachte met de seksuele handelingen toen zij boven naar het toilet ging en hij met haar mee liep. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster hem al langere tijd aan het op hitsen was en meer handtastelijk was dan normaal. Andere bewijsmiddelen geven hier geen uitsluitsel over. Voor de rechtbank is onvoldoende duidelijk geworden wat de aanloop naar en het verloop van de seksuele handelingen is geweest. Een rol hierbij speelt dat lange tijd is verstreken tot verdachte en enkele getuigen zijn gehoord. Verdachte is, ruim 2 jaar later, op 19 april 2023 aangehouden en door de politie gehoord. Ook enkele getuigen, die op de desbetreffende avond in het kraakpand aan het feesten waren en onder invloed van middelen waren, hebben pas op een veel later moment een verklaring afgelegd. Enkele andere aanwezigen, die mogelijk meer hadden kunnen verklaren over de aanloop naar de seksuele handelingen en het mogelijke misbruik door verdachte van de situatie ( [naam 1] en [naam 2] ) zijn onvindbaar gebleken en hebben geen verklaring afgelegd. Vanwege het tijdsverloop, de veel later afgelegde verklaringen, in combinatie met het feit dat die dag door de betrokken personen alcohol en drugs werd genuttigd, is voor de rechtbank onvoldoende helder wat zich die avond exact heeft afgespeeld. Ook zijn mogelijkheden en zin daarnaar alsnog onderzoek te doen, door dat tijdsverloop vervlogen.

De rechtbank acht het tenlastegelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte vrijspreken.

4 De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. J.M. Graat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Hut, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2025.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.