Strafrecht overig
VI-procedure. Bezwaar tegen herroeping VI. Vast staat dat betr zich niet aan enkele voorwaarden heeft…
Rechtbank Gelderland, 19 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:12065 · Rechtbank Gelderland · 19 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2025-12065
Zaakgegevens
Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 19 december 2025
- Datum publicatie
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- 21/005117-21 en 21/002684-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2025:12065
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
VI-procedure. Bezwaar tegen herroeping VI. Vast staat dat betr zich niet aan enkele voorwaarden heeft gehouden en bij iedere beslissing kanttekeningen plaatst en steeds de grenzen opzoekt. Anderzijds laat de formulering en vooral de concrete invulling van de voorwaarden veel ruimte daarvoor en lijkt veroordeelde teveel ruimte te worden gegeven. Recalcitrant en irritant gedrag is echter niet per se een grond voor herroeping VI. Volledige herroeping is disproportioneel.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
v.i. nummer : 89/000011-47
parketnummers : 21/005117-21 en 21/002684-19
datum : 19 december 2025
Beslissing van de meervoudige kamer op het bezwaar ingevolge artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:
[veroordeelde] , (hierna: veroordeelde)
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. in [verblijfplaats] ,
raadsman: mr. A.T. Leigh, advocaat in Haarlem.
1 Procedurele gang van zaken
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de veroordeelde bij arrest van 25 augustus 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden en bij arrest van 22 augustus 2022 tot een gevangenisstraf van 42 maanden.
De veroordeelde is op 11 november 2024 in vrijheid gesteld.
Het openbaar ministerie heeft op 23 januari 2025 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen met 180 dagen. De rechtbank heeft op
21 februari 2025 deze herroeping beperkt tot 90 dagen.
Het openbaar ministerie heeft op 24 april 2025 beslist tot wijziging van de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
De veroordeelde is op 29 april 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Op 2 juli 2025 heeft de reclassering het toezicht vroegtijdig beëindigd.
Het openbaar ministerie heeft op 7 juli 2025 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen met de gehele termijn van 560 dagen, betekend op 23 juli 2025.
Het bezwaar tegen de beslissing van het openbaar ministerie is op 25 juli 2025 door de rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op 12 augustus 2025 zijn standpunt kenbaar gemaakt bij conclusie op het bezwaarschrift.
De rechtbank heeft eerst op 29 augustus 2025 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld, maar toen de behandeling aangehouden tot 31 oktober 2025. Voor veroordeelde was voor laatstgenoemde zitting geen transport geregeld, als gevolg waarvan het bezwaarschrift uiteindelijk (verder) is behandeld op de zitting van 5 augustus 2025.
2 Onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter openbare zitting van 29 augustus en 5 december 2025. Daarbij zijn gehoord:
- veroordeelde;
- de raadsman;
- de deskundige [reclasseringswerker] ;
- de deskundige [begeleider] , ambulant begeleider; en
- de officier van justitie mr. A.C. Waterman resp. mr. J. Kolkman.
3 Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard en heeft daarbij verwezen naar de conclusie die is geschreven door de advocaat-generaal. Veroordeelde heeft de voorwaarden overtreden en daarmee is het besluit om de voorwaardelijke invrijheidsstelling volledig te herroepen terecht genomen. Er is geen samenwerking mogelijk en veroordeelde houdt zich niet aan de huisregels van de begeleid wonen instantie, zoals het komen op alle gesprekken, het meewerken aan de urinecontroles en het hebben van een open en gemotiveerde houding.
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het openbaar ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de overtredingen onvoldoende zijn om de voorwaardelijke invrijheidsstelling in zijn geheel te herroepen.
4 Beoordeling
Ingevolge artikel 6:2:13a van het Wetboek van Strafvordering kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
De rechtbank overweegt dat de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is gegrond op een aantal overtredingen. Zo vindt veroordeelde ambulante behandeling bij Kairos en bewindvoering niet nodig. Formeel verblijft hij bij [instelling] , maar praktisch is hij daar spaarzaam en verblijft hij bij zijn partner. Ook over zijn dagbesteding is veroordeelde niet transparant geweest: hij heeft gezegd bij [bedrijf] te werken, maar weigert of verzuimt telkens een arbeidscontract te laten zien. Met betrekking tot de urinecontroles komt hij te laat op afspraken of levert hij te waterige urine in.
In het besluit van het openbaar ministerie is het volgende te lezen: “De rode draad in uw gehele v.i.-traject is dat u voortdurend de grenzen opzoekt en ruimte zoekt om zich niet aan de voorwaarden te hoeven houden. Zelfs na een gedeeltelijke herroeping en meerdere officiële waarschuwingen is niet gebleken van een gedragsverandering en wordt dit toegeschreven aan een gebrek aan wil om hulp en begeleiding te aanvaarden.”
De rechtbank overweegt dat veroordeelde op ieder verwijt een antwoord heeft waarbij de schuld bij iedereen behalve hemzelf wordt gelegd, een enkele uitzondering daargelaten. Hij plaatst soms allerlei kanttekeningen bij de invulling van de voorwaarden, waardoor deze niet effectief van de grond komen. Het staat vast dat hij zich aan meerdere bijzondere voorwaarden niet – voldoende – heeft gehouden.
De rechtbank constateert echter ook dat de concrete invulling van de voorwaarden niet altijd even helder is geweest. Zo moest betrokkene verblijven bij de woonlocatie ‘ [locatie] ’ van ‘ [instelling] ’ in Apeldoorn, waarbij de ‘locatiemanager’ aldaar, [begeleider] , ook als begeleider van betrokkene fungeerde en periodiek voortgangsgesprekken moest houden en urinecontroles afnemen. [begeleider] was echter niet voltijds aanwezig hier; er moesten steeds, op wisselende tijden, afspraken worden gemaakt. In afwijking van deze voorwaarde, werd het betrokkene toegestaan de week goeddeels door te brengen bij zijn vriendin in [plaats] , mits hij zich periodoek meldde bij de [locatie] voor een gesprek met [begeleider] . Daarnaast waren er twee toezichthouders van de reclassering, bij wie betrokkene zich ook periodiek moest melden.
De rechtank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deze gang van zaken de nodige ruis heeft veroorzaakt en betrokkene de mogelijkheid gaf overal tussendoor te glippen, een houding die hij van nature heeft, zo vermoedt de rechtbank. Betrokkene zocht daarbij inderdaad ook steeds de grenzen op in hoever hij kan daarbij kon gaan.
Het gaat uiteindelijk echter vooral om recalcitrant en irritant gedrag van veroordeelde; de rechtbank ziet niet dat het recidivegevaar hierdoor is toegenomen en dat is waar het hoofdzakelijk om gaat bij het stellen van voorwaarden. De overtredingen zijn betrekkelijk licht van aard. Het gaat thans echter wel om een herroeping van het gehele strafrestant van -destijds - 560 dagen. Na het herroepingsbesluit zijn intussen ruim vijf maanden verstreken, zodat het strafrestant nu ongevaar 400 dagen zal zijn.
In het licht van het voorgaande, vindt de rechtbank een volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet in redelijke verhouding staan tot het gedrag van veroordeelde. Daarbij heeft de rechtbank enerzijds gelet op het gegeven dat dit de tweede herroeping en het bezwaar daartegen betreft, maar anderzijds ook op de noodzaak om betrokkene onder toezicht te houden en te begeleiden, hetgeen immers de reden is voor het stellen van voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen komen, maar de rechtbank zal de herroeping beperken tot een zodanig aantal dagen dat betrokkene op 1 maart 2026 in vrijheid zal worden gesteld. Dat is enerzijds een passende afstraffing voor het recalcitrante gedrag van betrokkene, en geeft anderzijds de reclassering gelegenheid een verblijfslocatie te vinden.
De rechtbank zal niet adviseren over de te stellen voorwaarden, maar geeft het openbaar minsterie en de reclassering in overweging met betrokkene hierover tijdig in gesprek te gaan. Als er voorwaarden worden opgelegd in overleg met hem, zal hij hieraan sterker gecommiteerd zijn. Daarbij moet het voor veroordeelde duidelijk zijn dat hij niet het laatste woord heeft en dat hij zich uiteindelijk heeft neer te leggen bij de beslissingen van het openbaar ministerie en de reclassering. Hij moet ook heel goed beseffen dat dit zijn derde (en laatste) kans wordt om voortijdig de PI te verlaten.
5 Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar deels gegrond en bepaalt het tijdstip waarop de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld op 1 maart 2026.
De rechtbank adviseert het openbaar ministerie de bijzondere voorwaarden (extra) concreet en duidelijk op te stellen, zodat hier specifieke invulling aan kan worden gegeven door de reclassering.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, voorzitter, mr. R.D. Leen en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2025.