Strafrecht overig

Veroordeling voor opzetheling gestolen Italiaanse kunst. Niet-ontvankelijkheidsverweer vanwege overschrijding…

Rechtbank Gelderland, 16 januari 2025

Zaakgegevens

Op 16 januari 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
16 januari 2025
Datum publicatie
21 januari 2025
Zaaknummer
05.104543.23
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:356
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor opzetheling gestolen Italiaanse kunst. Niet-ontvankelijkheidsverweer vanwege overschrijding redelijke termijn verworpen. Verdachte heeft minstens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schilderijen van diefstal afkomstig waren. Rekening houdend met het tijdsverloop en met het feit dat verdachte sindsdien niet meer met politie en justitie en aanraking is geweest, legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf op van 160 uur met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/104543-23

Datum uitspraak : 16 januari 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] , Duitsland.

Raadsman: mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op/in of omstreeks de periode van 29 oktober 2015 tot en met 12 november 2015

te Groesbeek, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

- een schilderij met daarop afgebeeld “Heilige Maria van onbevlekte ontvangenis –

heilige Eligius - heilige Catharina – Stephanus”, althans een kunstwerk dan wel

religieus voorwerp, en/of

- een schilderij met daarop afgebeeld “God de Vader – apostel Petrus, Apostel

Johannes – heilige Ignatius” althans een kunstwerk dan wel religieus voorwerp,

althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze

goederen wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De standpunten

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte omdat sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1413).

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is op 17 februari 2020 als verdachte verhoord in het kader van de overname van de strafvervolging door de Nederlandse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat de aanvang van de looptijd van de redelijke termijn 17 februari 2020 is, nu dat verhoor volgde op de acceptatie van de overname van de strafvervolging door de Nederlandse autoriteiten op 6 januari 2020 en de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte daar op dat moment ook mee bekend is geworden. Vanaf deze datum kon verdachte naar het oordeel van de rechtbank in alle redelijkheid verwachten dat er tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld.

Nu vonnis wordt gewezen op 16 januari 2025, betekent dit dat er 4 jaar en 11 maanden zijn verstreken vanaf het moment dat de redelijke termijn is aangevangen. Voor een niet-gedetineerde verdachte geldt dat de strafzaak binnen 2 jaar dient te zijn afgerond.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met 2 jaar en 11 maanden.

In HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, zijn uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op dit voorschrift en het rechtgevolg dat daaraan dient te worden verbonden. In dat arrest is beslist dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank het ontvankelijkheidsverweer van de verdediging.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Het is onduidelijk hoe verdachte aan de schilderijen is gekomen en hij heeft geen nader onderzoek gedaan of vragen gesteld omtrent de herkomst van de schilderijen. Verdachte heeft daarom wetenschap gehad dan wel bewust het risico genomen dat de schilderijen van diefstal afkomstig waren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin.

Beoordeling door de rechtbank

In mei 2002 zijn (onder meer) de schilderijen ‘heilige Maria van onbevlekte ontvangenis - heilige Eligius - heilige Catharina - heilige Stephanus’ (hierna te noemen: het Madonna schilderij) en ‘God de vader - apostel Petrus - apostel Johannes -heilige Ignatius’ (hierna te noemen: het Petrus schilderij) gestolen uit de [abdij] in Italië.

Het dossier bevat een EOB waaruit blijkt dat de Italiaanse politie onderzoek deed in november 2017, gericht op het terugkrijgen van cultuurgoederen van illegale herkomst. Daarbij stuitten zij op de website [website] van [bedrijf] (hierna te noemen: [bedrijf] ).’ Het Madonna schilderij en het Petrus schilderij stonden op deze website te koop aangeboden.

Bij de inbeslagname door de Nederlandse autoriteiten meldde een van de directeuren van [bedrijf] deze schilderijen te hebben gekocht van Notarishuis [notarishuis] (hierna te noemen: Notarishuis). Medeverdachte [medeverdachte] had namens Notarishuis de schilderijen verkocht op verzoek van verdachte op een veiling in november 2015.

Verdachte heeft verklaard dat zijn voormalige celgenoot tijdens zijn detentie in Italië, [naam] , hem had verzocht schilderijen (naast het Madonna schilderij en het Petrus schilderij, nog twee schilderijen) voor hem te verkopen. [naam] had hem verzocht de schilderijen in Nederland te verkopen omdat [naam] zelf geen bankrekeningnummer had in Nederland. De vrouw van [naam] , die wel in Nederland gevestigd was, had een uitkering van de sociale dienst en daarom kon er geen geldbedrag uit de verkoop van de schilderijen op haar bankrekening worden gestort. Verdachte heeft direct ingestemd met het verzoek van [naam] om de schilderijen te verkopen en heeft geen verdere vragen gesteld. [naam] had hem gezegd dat het Italiaanse schilderijen waren en dat hij ze geruild had. Hij had niet verteld met wie en voor wat en verdachte heeft [naam] daar niet naar gevraagd. De schilderijen werden door twee personen, die verdachte kende vanuit detentie in Italië, bij verdachte in Nederland bezorgd met een busje. Verdachte had van [naam] begrepen dat de schilderijen zo’n € 20.000,00 waard zouden zijn. Verdachte had aan [naam] gevraagd of hij een minimumprijs moest noemen waarvoor de schilderijen moesten worden verkocht, maar [naam] gaf aan dat dat niet nodig was. Verdachte heeft ze aangeboden aan het Notarishuis ter verkoop. Nadat Notarishuis de schilderijen had verkocht, heeft verdachte een geldbedrag op zijn bankrekening ontvangen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank allereerst vast dat de schilderijen van een misdrijf, te weten van diefstal, afkomstig waren. De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken van een aanwijzing dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van de schilderijen.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte – uitgaande van het door verdachte geschetste scenario, nu het dossier voor een andere lezing geen aanknopingspunten biedt – de schilderijen van iemand die hij kende uit de gevangenis in Italië, [naam] , heeft gekregen om ze te verkopen. [naam] heeft een vermoedelijke waarde van € 20.000,00 genoemd, vond het niet nodig dat een minimumprijs voor de verkoop zou worden vastgesteld. Bovendien wilde hij de schilderijen niet op eigen naam of via zijn eigen bankrekeningnummer verkopen. Verdachte heeft op geen enkel moment doorgevraagd naar de herkomst van de schilderijen of de reden voor het uitbesteden van de verkoop aan verdachte. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden minstens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de schilderijen van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank acht daarmee het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op/in of omstreeks de periode van 29 oktober 2015 tot en met 12 november 2015

te Groesbeek, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

- een schilderij met daarop afgebeeld “Heilige Maria van onbevlekte ontvangenis –

heilige Eligius - heilige Catharina – Stephanus”, althans een kunstwerk dan wel

religieus voorwerp, en/of

- een schilderij met daarop afgebeeld “God de Vader – apostel Petrus, Apostel

Johannes – heilige Ignatius” althans een kunstwerk dan wel religieus voorwerp,

althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze

goederen wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzetheling.

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een taakstraf van 180 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien een bewezenverklaring volgt, verzocht om te volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging (artikel 9a Wetboek van Strafrecht).

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzetheling van twee kostbare religieuze schilderijen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen respect heeft getoond voor andermans eigendommen door de gestolen schilderijen voorhanden te hebben en ze ter verkoop aan te bieden aan een veilinghuis. Het betrof waardevolle historische schilderijen die waren weggenomen uit een Italiaanse abdij en door de Italiaanse autoriteiten zijn aangewezen als cultureel beschermd erfgoed. Dat maakt het handelen van verdachte des te kwalijker.

De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel een straf zoals door de officier van justitie is geëist. Echter, vanwege het lange tijdverloop tussen de pleegdatum en de datum van berechting, ruim negen jaar, is een dergelijke strafoplegging niet langer opportuun. Uit de documentatie van verdachte blijkt dat hij behalve voor deze heling uit 2015 en na een laatste veroordeling in Italië in 2017 niet meer met justitie en politie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op van 160 uren, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Nu slechts een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd, waarbij ook al rekening is gehouden met het totale verstreken tijdsverloop, volstaat de rechtbank ten aanzien van de reeds vastgestelde forse overschrijding – met 2 jaar en 11 maanden – van de redelijke berechtingstermijn, met de constatering van die inbreuk, zonder verdere strafvermindering.

9 De beoordeling van de civiele vordering

[benadeelde] heeft zich namens de abdij als benadeelde partij gevoegd in het strafproces, en vordert een ‘te kwantificeren’ (verder niet geconcretiseerd) bedrag aan materiële en/of immateriële schade voor (het verlies van) “twee olieverfschilderijen op doek”.

Standpunten

De officier van justitie en de raadsman hebben geen standpunt ingenomen over de vordering van de benadeelde partij.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat nu geen concreet bedrag wordt gevorderd de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk is in de vordering.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? legt op een taakstraf van 160 (honderdzestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

? bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

? verklaart de benadeelde partij [benadeelde] , optredend namens de abdij, niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 januari 2024.

Mr. Van Veldhuizen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, Internationaal Rechtshulp Centrum, Team Rechtshulp, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 - 2019480552, gesloten op 29 juli 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van bevindingen, bijlage 3, p. 86-87. Proces-verbaal van bevindingen, bijlage 1, p. 18-19. Proces-verbaal van bevindingen, bijlage 5, p. 128. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , bijlage 14, p. 246. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 december 2024, proces-verbaal van verhoor verdachte, bijlage 4, p. 204.