Strafrecht overig

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft een aan zijn schuld…

Rechtbank Gelderland, 29 juni 2026

Zaakgegevens

Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
29 juni 2026
Datum publicatie
1 juli 2026
Zaaknummer
05/340803-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:5170
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, door zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam te rijden.

De rechtbank legt een taakstraf op van 160 uren en daarnaast ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/340803-25

Datum uitspraak : 29 juni 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. M.G. Vos, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 maart 2025 te Epe, in de gemeente Epe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de (Rijksweg) A50, komende uit de richting van Apeldoorn en gaande in de richting van Zwolle, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl het donker was en/of terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die rijstrook en/of weg (de Rijksweg A50) en/of het zich op die rijstrook en/of weg bevindend verkeer,

- in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 anders dan in een noodgeval heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of

- heeft gereden met een gemiddelde snelheid van ongeveer 156 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximum snelheid van 120 kilometer per uur heeft gereden, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of

- met (zeer) hoge snelheid een of meerdere voertuigen heeft ingehaald en/of

- terwijl hij reed op de rijbaan van de door hem bereden weg, de (Rijksweg) A50, welke rijbaan bestond uit twee rijstroken, een of meerdere keren over de rijbaan van links naar rechts is gereden en/of

- zijn voertuig (voortdurend) onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig meerdere slingerende bewegingen heeft gemaakt en/of daarbij een of meerdere keren een bijna-aanrijding heeft veroorzaakt en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig van de linker rijstrook (vanuit zijn perspectief) naar de rechter rijstrook is gereden en van de rechter rijstrook naar de linker rijstrook is gereden, terwijl op deze (rechter) rijstrook een ander motorrijtuig reed en/of in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 deze (bijzondere) manoeuvre heeft uitgevoerd en/of voornoemd ander motorrijtuig niet voor heeft laten gaan, althans de bestuurder van dit voertuig niet in staat gesteld om zijn weg ongehinderd te vervolgen, en/of

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (Rijksweg A50) kon overzien en waarover deze vrij was, bij nadering van ander voertuig (personenauto) en/of

- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende personenauto en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto, ten gevolge waarvan dit motorrijtuig (personenauto) over de kop is geslagen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 maart 2025 te Epe, in de gemeente Epe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de (Rijksweg) A50, komende uit de richting van Apeldoorn en gaande in de richting van Zwolle, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl het donker was en/of terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die rijstrook en/of weg (de Rijksweg A50) en/of het zich op die rijstrook en/of weg bevindend verkeer,

- in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 anders dan in een noodgeval heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of

- heeft gereden met een gemiddelde snelheid van ongeveer 156 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximum snelheid van 120 kilometer per uur heeft gereden, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of

- met (zeer) hoge snelheid een of meerdere voertuigen heeft ingehaald en/of

- terwijl hij reed op de rijbaan van de door hem bereden weg, de (Rijksweg) A50, welke rijbaan bestond uit twee rijstroken, een of meerdere keren over de rijbaan van links naar rechts is gereden en/of

- zijn voertuig (voortdurend) onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig meerdere slingerende bewegingen heeft gemaakt en/of daarbij een of meerdere keren een bijna-aanrijding heeft veroorzaakt en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig van de linker rijstrook (vanuit zijn perspectief) naar de rechter rijstrook is gereden en van de rechter rijstrook naar de linker rijstrook is gereden, terwijl op deze (rechter) rijstrook een ander motorrijtuig reed en/of in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 deze (bijzondere) manoeuvre heeft uitgevoerd en/of voornoemd ander motorrijtuig niet voor heeft laten gaan, althans de bestuurder van dit voertuig niet in staat gesteld om zijn weg ongehinderd te vervolgen, en/of

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (Rijksweg A50) kon overzien en waarover deze vrij was, bij nadering van ander voertuig (personenauto) en/of

- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende personenauto en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto, ten gevolge waarvan dit motorrijtuig (personenauto) over de kop is geslagen, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 maart 2025 te Epe als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Autosnelweg A50, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, rijdende met een snelheid van ongeveer 156 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan 120 kilometer per uur, niet in staat dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (Rijksweg A50) kon overzien en waarover deze vrij was, bij nadering van ander voertuig (personenauto) en/of met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto, ten gevolge waarvan dit motorrijtuig (personenauto) over de kop is geslagen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 31 maart 2025 in de avond te Epe heeft verdachte, als bestuurder van een personenauto (Renault Twingo) op de A50 vanuit de richting Apeldoorn en gaande in de richting van Zwolle een verkeersongeval veroorzaakt waarbij verdachte met de rechterkant van zijn voertuig tegen het voertuig waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten is gebotst (Peugeot). De Peugeot is hierdoor om zijn as geslagen, tegen de geleiderail en vervolgens over de geleiderail heen geslagen, waarna de Peugeot in de berm tot stilstand is gekomen. De auto van verdachte is op enig moment op zijn dak terechtgekomen. Gebleken is dat verdachte op het moment van het verkeersongeval beginnend bestuurder was.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, waarbij de officier van justitie uitgaat van de hoogste schuldgradatie, te weten roekeloosheid.

Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het letsel van [slachtoffer 2] kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel en het letsel van [slachtoffer 1] als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het verkeersgedrag van verdachte hooguit als ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ kan worden gekwalificeerd. De verklaring van getuige [getuige] dient buiten beschouwing te worden gelaten, nu niet duidelijk is wanneer deze getuige is gehoord, verdachte ontkent wat de getuige heeft verklaard en [getuige] bovendien zelf zeer hard moet hebben gereden om verdachte te kunnen hebben gevolgd, waardoor hij verdachte nooit goed in de gaten heeft kunnen houden. Verder heeft de raadsman bepleit dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken ten aanzien van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , omdat het dossier onvoldoende medische informatie bevat om te kunnen beoordelen of hier sprake van is.

Beoordeling door de rechtbank
Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat beide voertuigen zich in dezelfde rijrichting verplaatsten. Op basis van de sporen en de aangetroffen schade is vastgesteld dat de Renault met de rechtervoorzijde op de linkerachterzijde van de Peugeot is gebotst. De botsing vond plaats op rijstrook 2 (de rechtbank begrijpt: de rechter rijstrook). Er was geen sprake van afwijkingen en/of belemmerende factoren qua inrichting van de weg die van invloed waren op het ontstaan en de toedracht van het verkeersongeval. Er zijn ook geen technische gebreken gevonden aan de voertuigen die het ongeval veroorzaakt kunnen hebben. Onderzoek aan de zogenoemde data event recorder van de Renault heeft uitgewezen dat deze voorafgaand aan de aanrijding met een constante snelheid van 156 km/u heeft gereden. Uit gegevens afkomstig van de smartphone van de bestuurder van de Renault, kort voor de aanrijding, is een snelheid geregistreerd welke boven de 150 km/u lag. Geconcludeerd wordt dat het aannemelijk is dat de overschrijding van de maximumsnelheid in overwegende mate heeft bijgedragen aan het feit dat de bestuurder van de Renault (de rechtbank leest: verdachte) niet in staat is geweest om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.

Door de politie is tevens onderzoek verricht aan de telefoon van verdachte. De telefoon van verdachte registreerde de snelheid die de Renault reed op de route voorafgaand aan het verkeersongeval. Uit de registraties bleek dat de maximumsnelheid op de wegen waarbij een maximumsnelheid gold van 50 km/u, 80 km/u en 120 km/u stelselmatig fors werden overschreden door verdachte, met overschrijdingen van meer dan 30 km/u. Ten tijde dat de Renault over de A50 reed naar de plaats waar later het ongeval plaatsvond, was de maximum toegestane snelheid op de A50 120 km/uur. De Renault reed dit gedeelte van de rit over de hoofdrijbaan van de A50 veelvuldig harder dan deze maximumsnelheid. Op het eerste traject nabij Vaassen betrof de hoogst gemeten snelheid 154 km/uur. Het tweede traject was ter hoogte van Epe en betrof het gedeelte van de rit richting de plaats van het ongeval. De hoogst gemeten snelheid op dit traject betrof 156 km/uur. De geregistreerde snelheid op het moment kort voor de botsing lag boven de 150 km/u.

Getuige [getuige] (verder: [getuige] ) heeft verklaard dat hij gedurende ongeveer vijf minuten achter de auto van verdachte reed. Het was donker buiten. Volgens [getuige] bleef verdachte extreem links rijden, waardoor hij telkens bijna met zijn banden in de middenberm terechtkwam. [getuige] zag dat een witte bestelbus naar de linker rijbaan ging, waardoor verdachte de snelheid uit zijn voertuig moest halen en moest uitvoegen op de rechterbaan. Verdachte reageerde hier volgens [getuige] erg laat op, waardoor hij hard moest remmen. [getuige] zag dat verdachte hierna links een auto en een bestelbus inhaalde. Nadat [getuige] verdachte kon inhalen is hij hem via zijn spiegels in de gaten gaan houden. [getuige] zag dat verdachte erg aan het slingeren was, hij ging van rijbaan 1 naar de vluchtstrook heen en weer. [getuige] zag dat hij over de vluchtstrook reed en bijna met zijn banden in het gras terechtkwam. Bij de afrit ter hoogte van Epe ging hij ineens over de uitvoegstrook rijden, maar op het laatste moment voegde hij weer in op de snelweg en haalde hij gelijk een auto in. Het was volgens [getuige] bijna een identieke situatie als de aanrijding later. Op het moment dat [getuige] het voertuig dat later bij de aanrijding betrokken was inhaalde, zag [getuige] dat verdachte over de vluchtstrook reed en op het laatste moment naar de linkerbaan wilde. Het voertuig waar verdachte tegenaan reed, reed op de rechterbaan. Verdachte raakte het voertuig links achter.

[slachtoffer 1] zat als bestuurder in de Peugeot. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij door het ongeval een hersenschudding, een frozen shoulder, veel tandpijn, een gebroken tand en veel schaaf- en glaswonden had. Ook had zij veel pijn in haar been en een seatbelt sign op haar lichaam. Door de seatbelt sign heeft [slachtoffer 1] wat littekens overgehouden. In haar verklaring van 6 juni 2025 geeft zij aan nog steeds last te hebben van (onder andere) haar schouder en dat dit nog een paar maanden kan duren.


Uit de medische informatie van [slachtoffer 1] volgt dat er sprake was van een seatbelt sign links in de hals, schaafwonden op de handen en benen en een lichte schaafverwonding op de rechterborst. Ook op de handruggen waren twee lichte schaafwonden zichtbaar. Uit het journaal van de huisarts blijkt dat [slachtoffer 1] op 3 april 2025 heeft aangegeven last te hebben van flinke misselijkheid, hoofdpijn en last van licht en geluid. Op 14 april 2025 heeft zij aangegeven pijn en beperking in beweging te hebben in de rechter schouder en is ze verwezen naar een fysiotherapeut.


[slachtoffer 2] zat als bijrijder bij [slachtoffer 1] in de auto. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij meerdere botbreuken in beide armen had, haar rechter sleutelbeen was gebroken, het middenhandsbeentje links bij de pink was gebroken en in haar borstbeen zat een scheurtje. De verwachting was dat alles goed aan elkaar zou groeien, maar dit bleek niet het geval, waardoor [slachtoffer 2] is geopereerd aan haar sleutelbeen en aan haar middenhandsbeentje. Het plaatje dat in haar sleutelbeen is geplaatst moet er op een later moment nog uit.

Uit de medische informatie blijkt dat bij [slachtoffer 2] sprake was van een seatbelt sign aan de rechterzijde, een laterale claviculafractuur rechts (de rechtbank begrijpt: een sleutelbeenbreuk rechts) en een MCP-5 fractuur aan de linkerhand (de rechtbank begrijpt: een breuk in het middenhandsbeentje van de pink). [slachtoffer 2] is 3 dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onderweg was naar zijn werk en veel haast had, omdat hij te laat was. Hij heeft verklaard inderdaad 156 km/u te hebben gereden. Verdachte heeft verklaard bekend te zijn op de plaats van het ongeval.

De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen reden om de verklaring van getuige [getuige] buiten beschouwing te laten. Uit het proces-verbaal van verhoor en het proces-verbaal aanrijding misdrijf blijkt dat het verhoor van [getuige] op 1 april 2025 heeft plaatsgevonden. Getuige [getuige] heeft gedetailleerd verklaard wat hij heeft waargenomen. Zijn eigen snelheid doet daaraan geen afbreuk. Bovendien past zijn verklaring over de aanrijding ook bij de bevindingen van het forensisch onderzoek (over de botspositie en botsplaats).

De rechtbank leidt uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen af dat verdachte als bestuurder van een personenauto gedurende een lange tijd de maximaal toegestane snelheid van 120 km/u heeft overschreden met tenminste 30 km/u. Verdachte is gedurende de rit over de vluchtstrook gereden, heeft met hoge snelheid voertuigen ingehaald en heeft slingerende bewegingen gemaakt. Hij voerde ook eerder al een abrupte inhaalactie uit. Vlak voor de aanrijding reed verdachte 156 km/u. Hij voerde een abrupte inhaalmanoeuvre uit. Dit rijgedrag heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat verdachte niet in staat was om tijdig te remmen voor het voertuig dat voor hem reed, waardoor verdachte op zijn voorligger is gebotst.

De mate van schuld

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Voor een bewezenverklaring van het misdrijf zoals bedoeld in artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Daarbij dient in ieder geval sprake te zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door verdachte.

De zwaarste vorm van schuld daarbij is roekeloosheid, waarbij het moet gaan om een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte, waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met zijn gedragingen het ongeval heeft veroorzaakt en dat deze gedragingen de conclusie rechtvaardigen dat hij daaraan schuld heeft in de zin van artikel 6 van de WVW. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de omstandigheden, zoals hiervoor vastgesteld, niet toereikend voor het oordeel dat verdachte roekeloos heeft gereden. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging dan ook niet bewezen. Daarbij is van belang dat de rechtbank van bepaalde gedragingen, zoals het rijden over de vluchtstrook, de aard en ernst (zoals duur) en gevaarzetting onvoldoende concreet kan vaststellen. Volgens de rechtbank heeft verdachte zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam gereden. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd waar medeweggebruikers niet tijdig op konden anticiperen. Verdachte was zelf ook niet in staat om zijn voertuig onder controle te houden en te remmen voor het voertuig voor hem, waardoor hij dit voertuig van achteren heeft geraakt.

Letsel

Gelet op de aard van het letsel en de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen, is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 2] als zwaar lichamelijk letsel moet worden gekwalificeerd. Zij had meerdere breuken, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was en ook in de toekomst nog nodig zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 1] gekwalificeerd kan worden als zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. [slachtoffer 1] had last van een hersenschudding, meerdere schaafwonden, een seatbelt sign en schouderpijn. De rechtbank acht het aannemelijk dat [slachtoffer 1] hierdoor werd gehinderd in de uitoefening van de normale bezigheden.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 31 maart 2025 te Epe, in de gemeente Epe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de (Rijksweg) A50, komende uit de richting van Apeldoorn en gaande in de richting van Zwolle, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl het donker was en/of terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die rijstrook en/of weg (de Rijksweg A50) en/of het zich op die rijstrook en/of weg bevindend verkeer,

- in strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 anders dan in een noodgeval heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en/of

- heeft gereden met een gemiddelde snelheid van ongeveer 156 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximum snelheid van 120 kilometer per uur heeft gereden, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of

- met (zeer) hoge snelheid een of meerdere voertuigen heeft ingehaald en/of

- terwijl hij reed op de rijbaan van de door hem bereden weg, de (Rijksweg) A50, welke rijbaan bestond uit twee rijstroken, een of meerdere keren over de rijbaan van links naar rechts is gereden en/of

- zijn voertuig (voortdurend) onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig meerdere slingerende bewegingen heeft gemaakt en/of daarbij een of meerdere keren een bijna-aanrijding heeft veroorzaakt en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig van de linker rijstrook (vanuit zijn perspectief) naar de rechter rijstrook is gereden en van de rechter rijstrook naar de linker rijstrook is gereden, terwijl op deze (rechter) rijstrook een ander motorrijtuig reed en/of in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 deze (bijzondere) manoeuvre heeft uitgevoerd en/of voornoemd ander motorrijtuig niet voor heeft laten gaan, althans de bestuurder van dit voertuig niet in staat gesteld om zijn weg ongehinderd te vervolgen, en/of

- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (Rijksweg A50) kon overzien en waarover deze vrij was, bij nadering van ander voertuig (personenauto) en/of

- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende personenauto en/of

- met het door hem bestuurde motorrijtuig gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit rijdende personenauto, ten gevolge waarvan dit motorrijtuig (personenauto) over de kop is geslagen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 160 uren werkstraf subsidiair 80 dagen hechtenis en voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met het blanco strafblad van verdachte en het feit dat hij zijn leven goed op orde heeft, evenals dat verdachte na het ongeval direct openheid van zaken heeft gegeven. De raadsman heeft verzocht om in het voordeel van verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten en aan hem geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen, omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en daarmee voor het genereren van inkomsten. De raadsman acht het disproportioneel om een jaar na het ongeval alsnog een onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen. Een voorwaardelijke rijontzegging met een proeftijd van 2 jaren acht de raadsman passender.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich op 31 maart 2025 als beginnend bestuurder van een personenauto zodanig gedragen dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft gedurende zijn rit veel te hard gereden, hij heeft geslingerd over de weg, over de vluchtstrook gereden en gevaarlijke (inhaal)manoeuvres uitgehaald. Verdachte heeft met hoge snelheid een abrupte inhaalmanoeuvre ingezet om zijn voorligger in te halen, maar is daarbij op zijn voorligger gebotst. Het voertuig van de slachtoffers is vervolgens om zijn as tegen en over de geleiderail geslagen. Door dit verkeersongeval hebben twee slachtoffers lichamelijk letsel opgelopen. Uit hun verklaringen blijkt dat het ongeval een grote impact op hen heeft gehad en nog steeds heeft. Verdachte heeft met zijn handelen geenszins oog gehad voor de verkeersveiligheid, maar enkel voor zijn eigen belang; hij had haast, waardoor hij het gaspedaal heeft ‘ingetrapt’. Hierdoor heeft verdachte zijn medeweggebruikers ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De LOVS-oriëntatiepunten noemen voor het veroorzaken van een verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW waarbij sprake is van ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel als uitgangspunt een taakstraf van 160 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor één jaar.

De rechtbank acht een taakstraf van 160 uren, zoals ook geëist door de officier van justitie, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om een deel van de rijontzegging voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank vindt het door verdachte vertoonde rijgedrag en de gevolgen die dit heeft gehad te ernstig om de rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank wijkt wat betreft de rijontzegging af van de eis van de officier van justitie, die bij het formuleren van zijn eis echter – anders dan de rechtbank –uitging van roekeloosheid.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? legt op een taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;

? ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

? bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en

mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems en mr. S.C. Lakkas, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025146972, gesloten op 30 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 7-11. Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 175-207. Proces-verbaal FO verkeer, p. 209-219. Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 26-27. Proces-verbaal van verhoor slachtoffer, p. 15-19. Medische informatie, p. 136-163. Proces-verbaal van verhoor slachtoffer, p. 21-23. Medische informatie, p. 109-134. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2026. Proces-verbaal verhoor verdachte 4 juni 2025, p. 55.