Strafrecht overig
Veroordeling van een 33-jarige militair voor overtreding van artikel 5 en 6 van de Wegenverkeerswet 1994…
Rechtbank Gelderland, 29 juni 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5171 · Rechtbank Gelderland · 29 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-5171
Zaakgegevens
Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Datum publicatie
- 1 juli 2026
- Zaaknummer
- 05/031068-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5171
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling van een 33-jarige militair voor overtreding van artikel 5 en 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (eendaadse samenloop). Verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden.
De militaire kamer legt voor het misdrijf (artikel 6 WVW) een taakstraf op van 180 uren en daarnaast een geheel voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden. Voor de overtreding (artikel 5 WVW) legt de militaire kamer een taakstraf op van 16 uren
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/031068-25
Datum uitspraak : 29 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de militaire meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
raadsman: mr. D.C. Coppens, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten bestelbus (merk Opel, type Vivaro met kenteken [kenteken] , Opel Vivaro), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A4 (nabij hectometerpaal 10.5), roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte toen,
- tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, bediend en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie heeft gehad en/of (vervolgens)
- met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur heeft gereden en/of is blijven rijden, althans met een (veel hogere) snelheid dan de op dat moment (vanwege filevorming) op de matrixborden aangegeven toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/ of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers vóór hem en/of (vervolgens)
- niet in staat is geweest het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of zonder te remmen gebotst tegen een voor hem, verdachte, langzaam rijdende dan wel stilstaande auto (merk: Mazda, bestuurd door [slachtoffer 1] ), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden , waardoor een of meer anderen (genaamd [slachtoffer 2] Daems en/of [slachtoffer 3] , beiden passagiers in de voornoemde Mazda) zwaar lichamelijk letsel (te weten: respectievelijk: leverlaceratie graad 3, gallek en 4-kwadrants peritonitis en ribfracturen 1-3 links, longkneuzing beiderzijds, klein klaplong (onleesbaar), scheur van milt (graad 3-4), scheur nierkapsel (graad 3) en bloeding in euterium) en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten bestelbus (merk Opel, type Vivaro met kenteken [kenteken] , Opel Vivaro), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A4 (nabij hectometerpaal 10.5) zich zodanig heeft gedragen, dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/ of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, bediend en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie heeft gehad en/of (vervolgens)
- met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur heeft gereden en/of is blijven rijden, althans met een (veel hogere) snelheid dan de op dat moment (vanwege filevorming) aangegeven matrixborden toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/ of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers vóór hem en/of (vervolgens)
- niet in staat is geweest het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of zonder te remmen gebotst tegen een voor hem, verdachte, langzaam rijdende dan wel stilstaande auto (merk: Mazda, bestuurd door [slachtoffer 1] );
2.
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten bestelbus (merk Opel, type Vivaro met kenteken [kenteken] , Opel Vivaro), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A4 (nabij hectometerpaal 10.5) zich zodanig heeft gedragen, dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/ of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, bediend en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie heeft gehad en/of (vervolgens)
- met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur heeft gereden en/of is blijven rijden, althans met een (veel hogere) snelheid dan de op dat moment (vanwege filevorming) aangegeven matrixborden toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/ of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers vóór hem en/of (vervolgens)
- niet in staat is geweest het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of zonder te remmen gebotst tegen een voor hem, verdachte, langzaam rijdende dan wel stilstaande auto (merk: Mazda, bestuurd door [slachtoffer 1] ), welk hierdoor botste op een andere auto (Mercedes-Benz bestuurd door [benadeelde] ).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair ten laste gelegde, waarbij de officier van justitie uitgaat van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden als schuldgradatie. De officier van justitie acht tevens het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Tot slot stelt de officier van justitie dat sprake is van eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het handelen van verdachte niet de kwalificatie van roekeloosheid rechtvaardigt zodat vrijspraak moet volgen voor dit onderdeel van de tenlastelegging. Daarnaast volgt naar mening van de verdediging uit de feiten niet dat verdachte opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden als bedoeld in artikel 5a WVW, waardoor ook daardoor roekeloosheid niet bewezen kan worden.
Beoordeling door de militaire kamer
Ten aanzien van feit 1:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal FO verkeer & visualisatie, p. 107-201;
- Aanvraagformulier medische informatie [slachtoffer 2] , p. 205;
- Aanvraagformulier medische informatie [slachtoffer 3] , p. 209;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2026.
Mate van schuld
De rechtbank overweegt dat het geheel van verdachtes gedragingen, maakt dat zij van oordeel is dat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft gedurende de autorit meermalen op zijn telefoon gekeken en verschillende handelingen daarop verricht. Verdachte is daarnaast op de cruisecontrole blijven doorrijden, zonder zijn snelheid te minderen. De matrixborden die een lagere snelheid aangaven heeft verdachte niet gezien, doordat hij zijn aandacht niet (voldoende) op de weg heeft gehouden. Verdachte heeft hierdoor tevens niet gezien dat er een file was ontstaan, waardoor hij niet meer in staat was tijdig te remmen. Verdachte is hierdoor op zijn voorligger gebotst. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte ernstige schuld aan het verkeersongeval heeft zoals bedoeld in artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd.
Letsel slachtoffers
Uit de medische informatie volgt dat bij [slachtoffer 3] onder meer een ribfractuur, longkneuzing, klaplong en een scheur in de milt is geconstateerd ten gevolge van het ongeval. Bij [slachtoffer 2] was onder andere sprake van een lever laceratie, een gallek en vier-kwadrants peritonitis. Gelet op de aard en de ernst van het letsel, en de aard en de duur van de medische behandelingen, kwalificeert de rechtbank het letsel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] als zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van feit 2:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal FO verkeer & visualisatie, p. 107-201;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2026.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit 1 primair en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten bestelbus (merk Opel, type Vivaro met kenteken [kenteken] , Opel Vivaro), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A4 (nabij hectometerpaal 10.5), roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte toen,
- tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, bediend en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie heeft gehad en/of (vervolgens)
- met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur heeft gereden en/of is blijven rijden, althans met een (veel hogere) snelheid dan de op dat moment (vanwege filevorming) op de matrixborden aangegeven toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/ of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers vóór hem en/of (vervolgens)
- niet in staat is geweest het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of zonder te remmen gebotst tegen een voor hem, verdachte, langzaam rijdende dan wel stilstaande auto (merk: Mazda, bestuurd door [slachtoffer 1] ), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden , waardoor een of meer anderen (genaamd [slachtoffer 2] Daems en/of [slachtoffer 3] , beiden passagiers in de voornoemde Mazda) zwaar lichamelijk letsel (te weten: respectievelijk: leverlaceratie graad 3, gallek en 4-kwadrants peritonitis en ribfracturen 1-3 links, longkneuzing beiderzijds, klein klaplong (onleesbaar), scheur van milt (graad 3-4), scheur nierkapsel (graad 3) en bloeding in euterium) en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
2.
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten bestelbus (merk Opel, type Vivaro met kenteken [kenteken] , Opel Vivaro), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A4 (nabij hectometerpaal 10.5) zich zodanig heeft gedragen, dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/ of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, bediend en/of niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssituatie heeft gehad en/of (vervolgens)
- met een snelheid van ongeveer 96 kilometer per uur heeft gereden en/of is blijven rijden, althans met een (veel hogere) snelheid dan de op dat moment (vanwege filevorming) aangegeven matrixborden toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur en/of
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/ of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers vóór hem en/of (vervolgens)
- niet in staat is geweest het door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of zonder te remmen gebotst tegen een voor hem, verdachte, langzaam rijdende dan wel stilstaande auto (merk: Mazda, bestuurd door [slachtoffer 1] ), welk hierdoor botste op een andere auto (Mercedes-Benz bestuurd door [benadeelde] ).
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van:
feit 1:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
en
feit 2:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 140 uren werkstraf subsidiair 70 dagen militaire detentie, met aftrek van het aantal uren ter zake van de tijd in inverzekeringstelling doorgebracht en dat verdachte ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf en/of maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij de strafoplegging er nadrukkelijk rekening mee moet worden gehouden dat verdachte na het ongeluk zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zich meteen heeft bekommerd om de slachtoffers, het letsel dat verdachte zelf heeft opgelopen, zowel lichamelijk als psychisch en het gegeven dat verdachte gedurende meerdere maanden – op eigen initiatief – geen auto heeft bestuurd. De raadsman vindt het gelet op deze omstandigheden niet opportuun dat aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft op 29 januari 2025 op de A4 een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft gedurende een langere periode zijn aandacht niet voortdurend gehouden op het vóór hem rijdende verkeer, doordat hij er met zijn hoofd niet bij was en gedurende de rit op meerdere momenten op zijn telefoon handelingen heeft verricht. Verdachte heeft hierdoor de matrixborden die een verlaging van de snelheid aangaven en de filevorming die voor hem was ontstaan niet gezien. Verdachte heeft zijn snelheid niet aangepast en is vervolgens gebotst op de auto die voor hem reed, die op zijn beurt weer op de auto daarvoor is gebotst. De impact van de aanrijding was zeer groot. Twee van de vier inzittenden van de auto waarop verdachte is gebotst hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen door het verkeersongeval en zij ondervinden hier zowel lichamelijk als psychisch nog altijd de gevolgen van. Gelet op de omstandigheden waaronder de aanrijding heeft plaatsgevonden, mag verdachte van geluk spreken dat het ongeval niet nog ernstigere gevolgen heeft gehad. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op deze wijze de veiligheid van andere weggebruikers ernstig in gevaar heeft gebracht, temeer nu hij binnen Defensie werkzaam is als chauffeur.
Uit het uittreksel Justitiële documentatie van verdachte van 19 mei 2026 volgt dat verdachte in november 2024 een strafbeschikking heeft gekregen voor het begaan van een snelheidsovertreding.
De militaire kamer heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies, uitgebracht op 29 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte volgens de reclassering zijn leven op orde heeft en een vaste baan bij Defensie heeft, waardoor hij een stabiel inkomen heeft. Daarnaast heeft hij stabiele huisvesting en is sprake van een steunend sociaal netwerk. De reclassering stelt dat het psychosociaal functioneren van verdachte ten tijde van het ongeval een rol heeft gespeeld bij onderhavige feiten, maar van structurele psychsociale problematiek lijkt volgens hen geen sprake. Gezien verdachte volledige verantwoordelijkheid neemt voor het verkeersongeval, schat de reclassering het risico op recidive in als laag en zij adviseren om een straf zonder bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de geldende oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van ernstige schuld en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, geldt als uitgangspunt een taakstraf van 160 uren en daarnaast een rijontzegging van één jaar onvoorwaardelijk. Gelet op de door de militaire kamer vastgestelde schuldgradatie, de omstandigheid dat verdachte beroepsmatig chauffeur is, alsmede de recente veroordeling van verdachte voor een snelheidsovertreding, acht de militaire kamer ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde een taakstraf van 180 uren passend en geboden. De militaire kamer ziet aanleiding om de hiervoor genoemde rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen aan verdachte. Verdachte heeft na het ongeval een lange tijd geen auto meer bestuurd en hij heeft dit daarna geleidelijk aan weer opgebouwd. De militaire kamer neemt daarnaast in strafmatigende zin mee dat verdachte dit serieus heeft opgepakt en hierin zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.
Ten aanzien van de onder feit 2 bewezenverklaarde overtreding is de militaire kamer met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van een eendaadse samenloop tussen feit 1 en feit 2. Echter, de militaire kamer acht de door de officier van justitie geëiste schuldigverklaring zonder oplegging van straf, niet passend, gelet op de ernst van de feiten, de documentatie van verdachte en de mate van schuld die verdachte treft. Nu feit 2 een overtreding betreft en een zelfstandige strafoplegging behoeft, legt de militaire kamer aan verdachte een taakstraf op voor de duur van 16 uren.
8 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9 De beslissing
De militaire kamer:
? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
Ten aanzien van feit 1:
? legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende militaire detentie zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
? beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
? ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;
? bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
Ten aanzien van feit 2:
? legt op een taakstraf van 16 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende militaire detentie zal worden toegepast voor 8 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. Y. van Wezel, rechter en Kapitein-ter-zee, mr. J.L. Wesstra, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems en mr. S.C. Lakkas, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.
mr. Van Wezel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.