Strafrecht overig

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het tweemaal bedreigen en mishandelen van zijn echtgenoot tot een…

Rechtbank Gelderland, 3 april 2026

Zaakgegevens

Op 3 april 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
3 april 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
05-306748-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:5800
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het tweemaal bedreigen en mishandelen van zijn echtgenoot tot een taakstraf van 100 uur en een gevangenisstraf van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast oplegging van de 38v-maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/306748-25

Datum uitspraak : 3 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaat in Enschede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 november 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre [aangever] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- met zijn hand(en) in de richting van die [aangever] een snijdende beweging langs zijn keel/hals te maken en/of (daarbij)

- een luchtbuks op die [aangever] te richten, althans een luchtbuks aan die [aangever] te tonen en/of

- ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] met zijn hand(en) en/of vinger(s) een snijdende beweging langs zijn keel/hals te maken en/of (daarbij vervolgens) naar de kinderen te wijzen en/of (vervolgens)

- ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] dreigend de woorden toe te voegen "jullie moeten weg, anders vermoord ik mijn kinderen", althans woorden van gelijke aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 22 april 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre [aangever] , heeft mishandeld, door die [aangever] , één of meerdere malen op/tegen het gezicht en/of de (boven)benen, althans het lichaam te slaan en/of één of meerdere malen tegen de heup, althans het lichaam te trappen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;

3.

hij op of omstreeks 22 april 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre [aangever] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je helemaal af, ik maak je echt af”, en/of "wat denk je wel niet, ik maak je afjonguh en je leeft vanavond niet meer als je zo doorgaat”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrij moet worden gesproken van feit 1, nu hij dit feit stellig ontkent.

Ten aanzien van feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de raadsvrouw de kanttekening gemaakt dat voor het onder feit 2 tenlastegelegde schoppen partieel vrijspraak dient te volgen, nu hiervoor slechts één bewijsmiddel is, te weten de verklaring van aangeefster.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De bewijsmiddelen

[aangever] heeft verklaard dat zij een relatie heeft met verdachte. Ze omschrijft dat verdachte boos en agressief wordt als hij het gevoel heeft dat hem onrecht wordt aangedaan. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin om de veiligheid van [aangever] en hun kinderen te waarborgen. Op 6 november 2025 heeft zij tegen verdachte gezegd dat ze niet verder met hem wil. Op 13 november 2025 was ze in het washok van haar woning in [woonplaats] . Verdachte zei tegen haar: ‘Je hebt het voor elkaar dat ik de kinderen kwijt raak. Ik heb ervoor gezorgd dat jij je ook kwijt raakt!’. [aangever] heeft aangegeven dat zij normaal wilde praten en belde ondertussen de politie. De telefoon hield zij in haar broekzak, maar het scherm lichtte op en verdachte zag dat zij aan het bellen was. Hij vroeg wie zij belde en zij antwoordde dat zij de politie belde. Verdachte maakte zich groot en kwam dreigend op haar af. Verdachte liep naar de achterdeur en pakte de luchtbuks die daar stond. Verdachte maakte met zijn hand een snijgebaar langs zijn keel in haar richting. Hij zette de luchtbuks tegen zijn schouder en richtte naar de kant van [aangever] . Toen de politie kwam, zei een agent dat verdachte op de kamer van de kinderen zat en de deur dicht hield. [aangever] stond op dat moment doodsangsten uit voor de veiligheid van de kinderen.

Verder heeft [aangever] verklaard dat zij later van verbalisanten had gehoord dat verdachte een snijbeweging had gemaakt rond de nek richting de kinderen. Dit heeft zij gehoord van de verbalisanten en las ze terug in het contactverbod. Ze maakt zich zorgen om het welzijn van haar kinderen.

Toen de politie ter plaatse kwam, hoorde verbalisant [verbalisant 2] dat [aangever] tegen hem zei dat verdachte zojuist een luchtbuks op haar had gericht. Daarna probeerde de verbalisant de deur van de kinderkamer te openen, maar die werd van binnenuit tegen gehouden. Hij besloot vanaf de buitenzijde via het raam zicht te krijgen op de kinderkamer, waar de kinderen sliepen. Hij maakte zich ernstig zorgen om wat hij aan zou treffen en hij was bang dat de kinderen mogelijk iets aangedaan was of aangedaan zou worden. Hij verkreeg – samen met verbalisant [verbalisant 1] – zicht in de kinderkamer en zag bij de deur een man staan die stevig tegen de binnenzijde van de deur drukte. Toen de man de verbalisanten opmerkte, keek hij in de richting van verbalisant [verbalisant 2] , maakte een snijbeweging langs zijn keel en wees naar de slapende kinderen. De man maakte met zijn gestrekte rechterhand haaks op zijn hals een snijdende beweging en wees daarna de kinderen aan. Hierop besloten de verbalisanten zich terug te trekken om te voorkomen dat de man de kinderen iets aan doen. Verbalisant [verbalisant 2] was erg bevreesd dat er sprake zou kunnen zijn van dodelijk geweld, gezien de situatie en de gebaren die de man maakte. Toen verdachte werd geboeid, is verbalisant [verbalisant 2] zo snel mogelijk de kinderkamer in gegaan om het welzijn van de kinderen te controleren. Verbalisant [verbalisant 1] riep [aangever] naar binnen, die moest huilen van emotie. Ze was zichtbaar geschokt en ontdaan door de situatie. [aangever] zei dat ze zeer bang was geweest dat de kinderen iets zou worden aangedaan toen zij hoorde dat verdachte zich in de kamer had verschanst.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat verdachte op 1,5 meter afstand van de twee kinderbedjes stond. Hij bewoog met zijn hand/vingers langs zijn keel en wees vervolgens naar de kinderbedjes. Uit deze beweging maakte de verbalisant op dat hij de kinderen om het leven wilde brengen.

Verbalisant [verbalisant 3] hoorde dat [aangever] tegen hem zei dat zij bang was voor verdachte. Volgens [aangever] had hij eerder die dag suïcidale uitspraken gedaan. Verdachte had onder andere tegen haar gezegd: ‘Als ik de kinderen niet mag, zorg ik ervoor dat jij ze ook niet krijgt’. [aangever] zei tegen de verbalisant dat verdachte had gedreigd om hun kinderen wat aan te doen, waarmee hij volgens [aangever] bedoelde dat hij zijn kinderen van het leven zou beroven. De verbalisant zag en hoorde dat [aangever] hard en snel ademde. Vervolgens ging verbalisant [verbalisant 3] naar de opkamer, die toegang geeft tot de slaapkamer van de kinderen, maar hij kreeg de deur niet open. Direct daarna hoorde hij een mannenstem die vanachter de deur zei: ‘Jullie moeten weg, anders vermoord ik mijn kinderen’. Op dat moment dacht de verbalisant aan de uitspraken die verdachte eerder die dag had gedaan en het feit dat hij een wapen op [aangever] had gericht. Daarom stelde hij zichzelf de hypothese dat verdachte in staat was om levensbedreigend geweld tegen zijn kinderen te gebruiken en mogelijk een vuurwapen voorhanden had.

Verbalisant [verbalisant 4] betrad de woning op zoek naar verdachte. Toen een collega probeerde de deur van de kamer te openen waar de kinderen sliepen, lukte dit niet. Vanuit de kamer hoorde verbalisant een mannenstem die zei: “jullie moeten nu weg, anders vermoord ik de kinderen.”

[getuige] , de moeder van verdachte, heeft verklaard dat verdachte tegen haar zei: ‘Ik heb het geweer op haar gericht’. Hierop reageerde [getuige] met ‘Ben je niet goed, doe eens normaal’.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij de luchtbuks niet aan aangeefster [aangever] heeft getoond en dat hij die ook niet op haar heeft gericht. In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van de moeder van verdachte is foutief geverbaliseerd dat verdachte dit tegen haar zou hebben gezegd.

De rechtbank overweegt dat hetgeen de verdediging hierover heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden, gelet op de reactie van zijn moeder nadat verdachte haar vertelde dat hij het geweer op [aangever] had gericht. Dat zijn moeder in een later e-mailbericht terug is gekomen op haar initiële verklaring bij de politie, maakt dat niet anders. In dat e-mailbericht verklaart zij dat verdachte haar mededeelde dat hij dacht dat [aangever] tegen de politie zou hebben verklaard dat hij een windbuks op haar gericht zou hebben. Haar reactie dat verdachte niet goed was en normaal moest doen, past echter niet bij een dergelijke gang van zaken. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de snijdende beweging die verdachte in de kinderkamer maakte, moet worden opgevat als vermaning aan de verbalisanten om stil te zijn vanwege de slapende kinderen en dat dit gebaar werd vergezeld door de uitspraak ‘ik kom d’r an’. Dit is volgens de verdediging vanwege het Achterhoekse dialect mogelijk verstaan door de verbalisant als ‘ze gaan er aan’.

Dit verweer wordt reeds verworpen door de bewijsmiddelen, aangezien verbalisanten specifiek beschrijven dat zij verdachte een (snijdend) gebaar langs de keel zien maken en geen ‘wegwuifgebaar’ om te voorkomen dat de kinderen wakker zouden worden gemaakt. Verder acht de rechtbank een spraakverwarring door verdachtes Achterhoekse dialect niet aannemelijk, gelet op de zeer specifieke bewoordingen die verdachte volgens twee verbalisanten heeft gebruikt. De rechtbank gaat dan ook uit van de ambtsedige processen-verbaal van de verbalisanten. Daarmee verwerpt de rechtbank het door de verdediging geschetste alternatieve scenario.

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel/hals heeft gemaakt richting [aangever] en een luchtbuks op haar heeft gericht, althans aan haar heeft getoond. Daarna heeft verdachte ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel/hals gemaakt, waarbij hij vervolgens naar de kinderen wees. Tot slot heeft hij ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] gezegd: ‘Jullie moeten weg, anders vermoord ik mijn kinderen’.

De rechtbank is van oordeel dat het maken van een snijdende beweging langs de keel richting [aangever] en het op haar richten met een luchtbuks, althans die aan haar tonen, naar hun aard in de gegeven omstandigheden een bedreiging van die [aangever] met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren.

De rechtbank stelt vast dat de betreffende uitlatingen en gedragingen door verdachte zijn gedaan tegen verbalisanten en niet rechtstreeks tegenover [aangever] . Zij is daarvan vervolgens door politie op de hoogte gebracht. Zo is voldaan aan het vereiste dat de bedreiging haar heeft bereikt

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte, gelet op de inhoud van die gedragingen en uitlatingen, de indringende wijze waarop verdachte die heeft geuit en het feit dat hij deze tegenover meerdere verbalisanten heeft gedaan, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat deze bedreigingen aan [aangever] zouden worden doorgegeven.

Naar hun aard en in de omstandigheden waaronder zij zijn gedaan, waren deze uitlatingen en gedragingen bovendien van dien aard dat bij [aangever] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn dreigementen daadwerkelijk zou uitvoeren. In het bijzonder neemt de rechtbank daarbij in aanmerking de heftige relatieproblematiek tussen verdachte en Vedel, de gespannen thuissituatie en de omstandigheid dat de bedreigingen betrekking hadden op hun gemeenschappelijke kinderen.

Dat de bedreigingen zagen op de kinderen en niet rechtstreeks op [aangever] , staat aan toepassing van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht niet in de weg. Bedreigingen met een tegen een derde gericht (levens)delict kunnen tevens bedreiging van een ander opleveren. Bij ouders geldt dat in het bijzonder als het om bedreiging van hun kinderen gaat, vanwege de zeer nauwe band die ouders met hun kinderen hebben. Juist die nauwe band maakt dat dergelijke bedreigingen ook de persoonlijke vrijheid van de ouder in ernstige mate kunnen aantasten en bij die ouder daadwerkelijke vrees kunnen opwekken.

Daarmee staat vast dat de uitlatingen van verdachte betreffende hun kinderen kan worden aangemerkt als een bedreiging van aangeefster zelf, die naar het oordeel van de rechtbank onder de reikwijdte van dit artikel valt.

De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 76-78;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 85;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij aangeefster heeft geschopt.

Nu verdachte in ieder geval heeft bekend dat hij fysiek geweld heeft gebruikt jegens aangeefster, gaat de rechtbank uit van de verklaring van aangeefster. Nu zij heeft verklaard dat verdachte haar niet alleen heeft geslagen, maar ook heeft geschopt – en niet voor elk onderdeel van de tenlastelegging twee bewijsmiddelen nodig zijn – komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het gehele feit zoals dat ten laste is gelegd.

Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [aangever] , p. 1 (aanvullend);

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 85;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 13 november 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre, [aangever] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- met zijn hand(en) in de richting van die [aangever] een snijdende beweging langs zijn keel/hals te maken en/of (daarbij)

- een luchtbuks op die [aangever] te richten, althans een luchtbuks aan die [aangever] te tonen en/of

- ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] met zijn hand(en) en/of vinger(s) een snijdende beweging langs zijn keel/hals te maken en/of (daarbij vervolgens) naar de kinderen te wijzen en/of (vervolgens)

- ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] dreigend de woorden toe te voegen "jullie moeten weg, anders vermoord ik mijn kinderen", althans woorden van gelijke aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 22 april 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre, [aangever] , heeft mishandeld, door die [aangever] , één of meerdere malen op/tegen het gezicht en/of de (boven)benen, althans het lichaam te slaan en/of één of meerdere malen tegen de heup, althans het lichaam te trappen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;

3.

hij op of omstreeks 22 april 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre, [aangever] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je helemaal af, ik maak je echt af”, en/of "wat denk je wel niet, ik maak je af jonguh en je leeft vanavond niet meer als je zo doorgaat”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot;

feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf van 60 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, die dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard;

  • een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis en

  • de 38v-maatregel voor de duur van 5 jaar, inhoudende een contactverbod ten aanzien van aangeefster en haar kinderen en een locatieverbod ten aanzien van de gemeente Lisse, inclusief elektronische monitoring, waarbij voor iedere overtreding 7 dagen hechtenis kunnen worden opgelegd tot een maximum van een half jaar.

De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf bepleit met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd, met dien verstande dat elektronische monitoring van het contactverbod niet langer nodig is en de proeftijd op 2 jaar zou moeten worden gesteld. Verder heeft de raadsvrouw verzocht om de 38v-maatregel niet op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner. Hierdoor heeft zij pijn opgelopen. Ook heeft hij haar bedreigd, niet alleen verbaal, maar ook door het maken van gebaren en zelfs door een luchtbuks op haar te richten. Aangeefster [aangever] had zich juist bij haar partner en in haar eigen woning veilig moeten kunnen voelen. Bovendien heeft verdachte ook gedreigd hun kinderen om het leven te brengen. Uit het procesdossier, maar ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring, blijkt hoe beangstigend dit voor [aangever] was.

Verdachte lijkt, ondanks herhaaldelijke pogingen van de rechtbank om hem hiermee te confronteren, het laakbare van zijn handelen niet in te zien, maar de schuld juist in de schoenen van aangeefster te schuiven vanwege haar vermeende alcoholprobleem. Uit het procesdossier blijkt dat hij vaker zorgelijke uitspraken doet over bijvoorbeeld het beëindigen van zijn leven. Verdachte heeft veel verdriet over het feit dat hij hun kinderen niet meer mag zien. De rechtbank maakt zich ernstig zorgen over deze situatie.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte d.d. 2 februari 2026 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet in aanraking is gekomen met politie of justitie.

Hij heeft 20 dagen doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

Reclassering Nederland heeft op 16 februari 2026 een advies over verdachte uitgebracht. De reclassering ziet een aantal stabiele en beschermende factoren in het leven van verdachte, te weten zijn dagbesteding, huisvesting, financiën en familie. Echter ziet de reclassering ook dat deze leefgebieden verweven zijn met risicofactoren. Er zou zich eerder huiselijk geweld hebben voorgedaan binnen de familie en zijn familie zou het opgelegde contactverbod met aangeefster en de kinderen ondermijnen. Verdachte is nog financieel verweven met aangeefster, omdat de scheiding nog niet is geregeld. Hij ziet zijn kinderen niet, wat een grote bron van onmacht en frustratie voor hem is. Verder woont verdachte met een deel van zijn familie in huis en is mantelzorger voor één van hen. Verdachte werkt bovendien deels samen met zijn nieuwe vriendin, die hij ooit via zijn werk leerde kennen. Volgens verdachte is deze relatie inmiddels voorbij.

Volgens de reclassering is er sprake van systemische problematiek, waarbij de indruk ontstaat dat de reclassering nog maar weinig zicht heeft verkregen op wat er onderliggend meespeelt in het gedrag en de psyche van verdachte. Het schorsingstoezicht verloopt overwegend goed, maar verdachte heeft zodanige emoties dat dit soms beperkend werkt om te kunnen werken aan gedragsverandering/risico’s. Volgens verdachte zou zijn gedrag voortkomen uit PTSS-klachten, maar verdiepingsdiagnostiek heeft dit niet uitgewezen. Er zijn diverse instanties betrokken bij zowel verdachte als aangeefster en hun kinderen.

Verdachte heeft tegenover de reclassering aangegeven mee te willen werken aan bijzondere voorwaarden als hij zou worden veroordeeld. Verdachte staat nog aan de start van het werken aan risicobeheersing en gedragsverandering, waarbij de reclassering niet kan inschatten of er sprake is van intrinsieke motivatie of dat verdachte slechts zijn kinderen weer wil mogen zien. De reclassering ziet aanknopingspunten om tijdens afgelopen schorsingsperiode ingezette weg voort te zetten. Daarbij adviseert de reclassering ook om in ieder geval de komende maanden de elektronische monitoring voort te zetten totdat de risico’s beter kunnen worden ingeperkt.

De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld. Tegelijkertijd krijgt de reclassering geen goed zicht op de daadwerkelijke risico’s op langere termijn.

De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

  • meldplicht bij de reclassering;

  • meewerkverplichting aan diagnostiek en eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling;

  • contactverbod met aangeefster en hun kinderen, tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering;

  • locatieverbod voor de gemeente Lisse, inclusief elektronische monitoring.

De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot. De reclassering vindt het verder belangrijk dat verdachte een enkelband blijft dragen om zicht te houden op de naleving van het locatieverbod.

Conclusie

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is, echter gelet op de huidige situatie niet opportuun, nu een dergelijke straf diagnostiek en behandeling zal doorkruisen. Daarom zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 60 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank kiest ervoor om een proeftijd van 3 jaar op te leggen, in plaats van de 2 jaar die door de verdediging is gevraagd, gelet op de houding en het beperkte probleeminzicht van verdachte, evenals het feit dat de echtscheiding en een eventuele omgangsregeling nog moeten worden geregeld, wat vaak veel tijd kost.

Omdat verdachte ook nu moet voelen dat wat hij heeft gedaan niet door de beugel kan, zal de rechtbank hem ook een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis. Enkel een deels voorwaardelijke taakstraf, zoals door de verdediging betoogd, doet geen recht aan deze zaak en de gevolgen daarvan voor aangeefster.

De rechtbank acht het daarnaast van belang dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd, inclusief de elektronische monitoring. De reclassering heeft aangegeven het belangrijk te vinden dat verdachte een enkelband blijft dragen. Verdachte heeft verklaard dat hij voor zijn werk af en toe in het buitenland moet zijn. Dit zou ook met een enkelband nog steeds mogelijk kunnen zijn, zolang verdachte hier maar toestemming voor vraagt bij de reclassering en die ook krijgt.

De rechtbank zal hierbij bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende vijf jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of hebben met [aangever] en hun kinderen, tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd. Ook zal verdachte zich gedurende die periode niet bevinden in de gemeente Lisse.

De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt 7 dagen per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? legt op een taakstraf van 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen;

? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 40 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

? stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16a in Zutphen;

- verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en – indien dit op basis van de diagnostiek is geïndiceerd – behandelen door forensische polikliniek Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek, afhankelijk van de bevindingen tijdens het diagnostisch onderzoek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

? geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

? legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:

- Een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte zich gedurende vijf jaren onthoudt van – direct of indirect, inclusief via sociale media – contact met:

o [woonplaats] [aangever] , geboren op [geboortedag] 1991,

o [kind 1] , geboren op [geboortedag] 2022 en

o [kind 2] , geboren op [geboortedag] 2021

tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;

- Een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende vijf jaren niet bevindt in de gemeente Lisse. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in (een bepaald deel van) het verboden gebied te bevinden;

? beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;

? beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

? heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.W. van de Meerakker (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026.

Mr. Van de Meerakker en mr. Van Wezel zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025551879, gesloten op 16 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 23-25. Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 76. Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-48. Proces-verbaal van bevindingen, p. 45. Proces-verbaal van bevindingen, p. 50-52. Proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, p. 93-94. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 37.